Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28143
2025-04-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.28264
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
VA Asiel - Turkije - problemen vanwege helpen HDP leden niet ten onrechte ongeloofwaardig - vrees voor vervolging vanwege politieke activiteiten niet ten onrechte onvoldoende zwaarwegend - niet ten onrechte geen reëel risico op ernstige schade - motiveringsgebrek artikel 8 EVRM belangenafweging - beroep gegrond met instandlating rechtsgevolgen.
Citeert (12)
- ECLI:NL:RBAMS:2023:7242 Rechtbank Amsterdam 14-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6689 Rechtbank Den Haag 23-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:458 Raad van State 03-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2018:3735 Raad van State 21-11-2018
- ECLI:NL:RVS:2020:1499 Raad van State 24-06-2020
- ECLI:EU:C:2023:688
- ECLI:NL:RVS:2024:876 Raad van State 04-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:876 Raad van State 04-03-2024
- ECLI:EU:C:2022:354
- ECLI:CE:ECHR:2013:0416JUD001202009
- ECLI:NL:RVS:2012:BV3716 Raad van State 07-02-2012
- ECLI:NL:RVS:2011:BQ9503 Raad van State 16-06-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.311 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28264
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).
Inleiding
1. Eiser heeft op 21 mei 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 juni 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Koyuncu als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft sympathieën voor Halklan Demokratik Partisi (HDP) en is tegen het politieke beleid van president Erdoğan en de corruptie van de Turkse regering. Eiser heeft op twee momenten HDP-leden geholpen door hun bij hem te laten onderduiken en naar de grens met Syrië te brengen. Ook heeft eiser deelgenomen aan Newroz-vieringen. Er loopt daarom een geheim onderzoek naar eiser. Eiser vreest in verband met deze activiteiten strafrechtelijk veroordeeld te worden en in detentie geplaatst te worden waar hij onmenselijk zal worden behandeld. Na eisers vertrek uit Turkije is de politie bij zijn ouders langs geweest en hebben ze gevraagd naar waar eiser was. Daarnaast is eiser gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit. Hij kreeg discriminerende opmerkingen te horen en Koerden hebben moeite met het vinden van een baan in Turkije.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Politieke overtuiging en activiteiten;
Problemen vanwege het helpen van HDP-leden;
Discriminatie vanwege Koerdische etniciteit.
4. Verweerder heeft eisers aanvraag bij besluit van 14 september 2023 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van 14 november 2023, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep dat eiser tegen dit besluit had ingesteld, gegrond verklaard omdat verweerder, kort samengevat, onzorgvuldig had gehandeld door eiser niet medisch te onderzoeken voorafgaand aan het nader gehoor. De rechtbank heeft het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak.
5. Bij besluit van 19 juni 2024 heeft verweerder eisers aanvraag opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook vindt verweerder eisers politieke overtuiging en activiteiten geloofwaardig en dat hij gediscrimineerd wordt vanwege zijn Koerdische etniciteit. Verweerder vindt niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege het helpen van HDP-leden. Dat eiser sympathieën heeft voor de HDP, dat hij heeft deelgenomen aan Newroz-vieringen en zich af en toe heeft uitgesproken tegen de Turkse president, maakt niet dat eisers vrees voor vervolging aannemelijk is. De discriminatie die eiser heeft ondervonden is niet zwaarwegend genoeg om vrees voor vervolging aan te nemen. Eiser loopt ook geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiser komt daarnaast niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM omdat zijn dochter in Nederland verblijft. Verweerder heeft een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd en daarbij een vertrektermijn onthouden. Bij besluit van 28 juni 2024 heeft verweerder het besluit hersteld omdat ten onrechte een vertrektermijn was onthouden en alsnog een vertrektermijn van 28 dagen toegekend. Het beroep is van rechtswege ook tegen dit besluit gericht.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Het onderdak bieden aan HDP-leden is ten onrechte niet in samenhang met eisers politieke overtuiging en activiteiten beoordeeld waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. Bovendien maakt het niet uit of eiser onderdak heeft geboden uit politieke overtuiging of uit medemenselijkheid zoals verweerder stelt, nu aan eiser vanwege het bieden van die hulp politieke motieven kunnen worden toegedicht door de Turkse autoriteiten. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank en naar rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. Omdat eisers politieke overtuiging en activiteiten geloofwaardig zijn bevonden en het bieden van onderdak aan HDP-leden daarmee samenhangt, had verweerder moeten motiveren waarom op dat punt niet het voordeel van de twijfel wordt gegund. Dit volgt uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. Verder heeft verweerder de problemen die eiser heeft ondervonden als gevolg van het onderdak bieden aan HDP-leden ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Aan de kopieën van gerechtelijke stukken is ten onrechte geen bewijswaarde toegekend. Eiser heeft inmiddels ook een verklaring van zijn Turkse advocaat ontvangen waaruit blijkt dat hij strafrechtelijk vervolgd wordt. Ook stelt verweerder ten onrechte dat eisers verklaringen over de reden van vertrek niet met elkaar rijmen en dat eiser vaag heeft verklaard over het geheime strafrechtelijke onderzoek dat naar hem loopt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eisers vrees voor vervolging niet gegrond is. Daarbij is verder van belang dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld hoe sterk de politieke overtuiging is van eiser en of eiser in de toekomst politieke activiteiten wil ondernemen waardoor hij een risico loopt en of eiser een politieke mening zal worden toegedicht door de Turkse autoriteiten. De beoordeling is daarom in strijd met het arrest S en A. Verweerder heeft ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade. Vanwege het aanhoudingsbevel staat namelijk vast dat eiser verdacht wordt van het maken van propaganda voor een terroristische organisatie. Alleen al hierom is sprake van een reëel risico op ernstige schade omdat uit openbare landeninformatie volgt dat sprake is van oneerlijke processen en onmenselijke omstandigheden in detentie. Ten onrechte heeft verweerder niet gemotiveerd waarom het evenredig is om eisers aanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond omdat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000, een kan-bepaling betreft. Verweerder heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen reguliere verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 8 van het EVRM. Tot slot heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom aan eiser een inreisverbod is opgelegd van twee jaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Geloofwaardigheid problemen vanwege het helpen van HDP-leden
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen vanwege het helpen van HDP-leden niet geloofwaardig zijn. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de overgelegde documenten eisers problemen niet onderbouwen. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd: een antecedentenverklaring gedateerd op 1 februari 2023, een antecedentenverklaring van
17 augustus 2023, een kopie van een rechterlijk aanhoudingsbevel en bijbehorende stukken gedateerd op 29 juni 2022. In beroep heeft eiser nog een verklaring van zijn Turkse advocaat overgelegd van 1 juli 2024.
7.1.
Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat alle documenten, op de verklaring van de advocaat na, kopieën betreffen die niet op echtheid kunnen worden beoordeeld en dar daarom beperkte bewijswaarde aan deze documenten toekomt. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat in de antecedentenverklaring van 17 augustus 2023 wel antecedenten worden genoemd en in de antecedentenverklaring van 1 februari 2023 niet terwijl de antecedenten die worden genoemd dateren van vóór 1 februari 2023, namelijk
17 september 2015, 11 maart 2022, 9 januari 2022 en 12 april 2022. Verweerder heeft eisers verklaring niet hoeven volgen dat hij de meest recente antecedentenverklaring via zijn advocaat uit Turkije heeft gekregen en deze niet zou kunnen vinden als hij zelf in zijn UYAP of E-devlet zou kijken, en dit bovendien niet zou kunnen controleren omdat hij zijn inlogcodes van UYAP kwijt is. Eiser heeft later namelijk betoogd dat zijn Turkse advocaat de antecedentenverklaring met een machtiging uit eisers eigen burgerportaal heeft opgevraagd. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser vaag heeft verklaard over wat er in de antecedentenverklaring van 17 augustus 2023 staat. Verweerder mag van eiser verwachten dat hij de gegevens kan duiden nu hij de verklaring heeft ontvangen van zijn advocaat en omdat eiser zelf stelt dat de antecedentenverklaring onderbouwt dat hij strafrechtelijk wordt vervolgd in Turkije.
7.2.
Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen niet rijmen met de inhoud van het aanhoudingsbevel. In dat kader heeft verweerder erop kunnen wijzen dat het strafbare feit gedateerd is in 2021-2022 terwijl eiser stelt vervolgd te worden omdat hij in 2019 HDP-leden zou hebben geholpen. Verweerder heeft eisers verklaring dat hij slecht is met precieze data onvoldoende kunnen achten omdat eiser herhaaldelijk heeft verklaard dat hij in de tiende en twaalfde maand van 2019 de HDP-leden heeft geholpen en uit het medisch advies ten aanzien van mogelijke beperkingen bij het horen alleen volgt dat eiser geen precieze data kan onthouden maar zich wel een gebeurtenis van een aantal maanden geleden kan herinneren. Verweerder heeft daarom van eiser mogen verwachten dat hij wel jaartallen bij benadering zou kunnen benoemen.. Ook heeft verweerder eisers verklaring niet hoeven volgen dat hij niet zeker weet waar hij voor vervolgd wordt en dat dit ook zou kunnen zijn vanwege zijn deelname aan Newroz-vieringen. Verweerder heeft zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat het niet waarschijnlijk is dat eiser vervolgd wordt vanwege zijn deelname aan de Newroz-viering omdat eiser heeft verklaard dat hij geen prominente rol speelde tijdens de viering en dat hij ook niet is opgepakt. Dat uit het algemeen ambtsbericht van 2023 volgt dat op 19 maart 2023 bij een Newroz-viering in Istanboel tweehonderd mensen zijn opgepakt maakt het voorgaande niet anders nu eiser niet bij deze viering aanwezig was. Ook heeft verweerder er ter zitting op kunnen wijzen dat uit de overgelegde verklaring van de Turkse advocaat volgt dat het strafrechtelijke onderzoek verband houdt met de hulp die eiser heeft geboden aan HDP-leden. Verder heeft verweerder kunnen stellen dat hetgeen eiser ten laste wordt gelegd niet rijmt met eisers vermoeden dat hij vervolgd wordt vanwege het helpen van de HDP-leden omdat eiser wordt verdacht van het maken van propaganda voor een terroristische organisatie en de HDP niet is gekwalificeerd als terroristische organisatie. Dat uit het algemeen ambtsbericht volgt dat bepaalde activiteiten van de HDP worden geassocieerd met de PKK, die wel is gekwalificeerd als terroristische organisatie, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft namelijk niet heeft gemotiveerd waarom het helpen van HDP-leden en het deelnemen aan Newroz-vieringen wordt geassocieerd met de PKK.
7.3.
Alleen al gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat aan de overgelegde documenten een beperkte bewijswaarde toekomt. De rechtbank is het niet met eiser eens dat verweerder ten onrechte geen bewijswaarde heeft toegekend aan de overgelegde documenten enkel omdat het kopieën betreffen en deze niet op echtheid kunnen worden onderzocht. Verweerder is immers ingegaan op de wijze van verkrijging en de inhoud van de documenten. Verweerder heeft ook niet gesteld dat geen bewijswaarde aan de documenten toekomt maar dat deze bewijswaarde te beperkt is om eisers problemen aannemelijk te achten.
7.4.
Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over zijn reden van vertrek niet met elkaar rijmen. Hoewel het inderdaad mogelijk is dat er sprake is van aanvullende motieven, heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat uit het proces-verbaal van gehoor volgt dat eiser heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen voor zijn dochter en dat hij, als dat nodig is om zijn dochter te kunnen zien, een asielaanvraag zal indienen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder veel waarde heeft kunnen hechten aan deze verklaring nu eiser in dat stadium van de procedure meer geneigd zal zijn geweest om naar waarheid en onbevangen te verklaren en zich minder zal hebben laten leiden door ongewenste consequenties die bepaalde antwoorden voor de uitkomst van zijn aanvraag zouden kunnen hebben. Verweerder heeft daarbij ook belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat eiser vrij kort nadat zijn ex-echtgenote en dochter naar Nederland zijn vertrokken een asielaanvraag heeft ingediend.
7.5.
Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser vaag heeft verklaard over de reden waarop hij heeft gebaseerd dat de politie onderzoek naar hem. Eiser stelt dat hij gewaarschuwd is door een ver familielid genaamd [naam] die werkzaam is bij de politie maar verweerder heeft erop kunnen wijzen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat [naam] de reden van het onderzoek heeft toegelicht. Ook zou [naam] hebben gezegd dat hij een man waar eiser sokken van kocht bij een andere eenheid van de politie zou hebben gezien. Dit heeft verweerder niet hoeven volgen nu niet valt in te zien dat [naam] een man zou herkennen die eiser heeft gezien. Dat eiser [naam] vertrouwde als familielid en politieagent maakt het voorgaande niet anders nu dit niet wegneemt dat eiser over het voorgaande vaag heeft verklaard.
7.6.
De rechtbank volgt eisers betoog niet dat verweerder nader had moeten motiveren waarom op dit punt niet het voordeel van de twijfel wordt gegund, nu de politieke overtuiging wel geloofwaardig wordt gevonden. In de uitspraak van de hoogste bestuursrechter waar eiser naar heeft verwezen is geoordeeld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom ten aanzien van een gestelde inval niet het voordeel werd gegund terwijl eerdere problemen wel geloofwaardig zijn bevonden. In het geval van eiser zijn echter geen eerdere problemen geloofwaardig geacht. Het hebben van een politieke overtuiging hangt niet zodanig samen met de manier waarop eiser deze overtuiging heeft geuit en mogelijke problemen die hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, dat verweerder gehouden was te motiveren waarom het voordeel van de twijfel niet wordt gegund ten aanzien van de gestelde problemen.
7.7.
Alleen al gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen ongeloofwaardig zijn. De overige gronden ten aanzien van dit punt behoeven daarom geen verdere bespreking.
Vrees voor vervolging vanwege politieke overtuiging
8. De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van eisers betoog dat verweerder ten onrechte niet bij de beoordeling van zijn politieke overtuiging heeft betrokken dat hij HDP-leden heeft geholpen. De rechtbank is het niet eens met verweerders primaire standpunt dat eiser alleen hulp heeft geboden uit gewetensnood, en omdat hij een vriend wilde helpen zoals is toegelicht door verweerder ter zitting. Eiser heeft er terecht op gewezen dat uit het verslag van het nader gehoor en het aanvullend gehoor volgt dat eiser ook hulp heeft geboden omdat hij sympathisant is van de HDP.
9. De rechtbank is het echter wel eens met verweerders subsidiaire standpunt dat de omstandigheid dat eiser hulp heeft geboden aan HDP-leden, niet betekent dat hij vrees heeft voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging omdat eiser geen problemen heeft ondervonden in het verleden en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze in de toekomst wel zal ondervinden. Zoals overwogen onder 7 tot en met 7.7 heeft verweerder zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen die eiser heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten, ongeloofwaardig zijn. In het verlengde daarvan heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen problemen heeft ondervonden door HDP-leden te helpen en dat het daarom ook niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten en dat hem een politieke overtuiging zal worden toegedicht waardoor hij risico loopt. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de toekomst wel problemen zal ondervinden. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser in het aanvullend gehoor is gevraagd welke activiteiten hij in de toekomst wil ondernemen in het kader van zijn politieke overtuiging en dat eiser toen niet heeft verklaard dat hij in de toekomst actief HDP-leden wil helpen met onderduiken. Dat eiser heeft verklaard dat hij in de toekomst zijn politieke overtuiging op dezelfde manier zal uiten als hij in het verleden heeft gedaan, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om eisers vrees voor vervolging aannemelijk te achten. Eiser heeft verklaard dat hij op twee momenten in totaal vier personen heeft geholpen omdat hij via een kennis was benaderd. Hieruit volgt niet dat eiser op eigen initiatief HDP-leden heeft geholpen en actief op zoek is gegaan naar HDP-leden met problemen om bij hem te laten onderduiken. Dat eiser in de toekomst zal worden benaderd, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in overeenstemming met het arrest S en A deugdelijk beoordeeld of eiser door zijn politieke overtuiging en de activiteiten die hij in toekomst wil verrichten in het kader van zijn politieke overtuiging een gegronde vrees heeft voor vervolging.
Reëel risico op ernstige schade
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft zich namelijk op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser vervolgd wordt vanwege zijn politieke activiteiten. Anders dan eiser stelt, staat dan ook niet vast dat hij de strafrechtelijke vervolging vanwege een terrorismemisdrijf heeft onderbouwd. Gelet hierop loopt eiser ook geen reëel risico om het slachtoffer te worden van een oneerlijk proces of van onmenselijke omstandigheden in detentie zoals eiser stelt.
Kennelijk ongegrond
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eisers verklaring dat hij niet meteen asiel heeft aangevraagd omdat hij eerst zijn spullen wilde ophalen bij een neef in Duitsland, heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een verschoonbare reden. De enkele omstandigheid dat verweerder discretionaire ruimte heeft om eisers aanvraag op deze grond kennelijk ongegrond te verklaren, betekent niet dat verweerder op voorhand gehouden is om te motiveren waarom het toepassen van deze grond evenredig is. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat deze grond van toepassing is op eisers situatie en heeft de grond daarom kunnen toepassen. Indien eiser stelt dat toepassing onevenredig is, dient hij dit te motiveren.
Artikel 8 van het EVRM
12. Naar vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven en privéleven een “fair balance” worden gevonden tussen de belangen van vreemdelingen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat omdat verweerder heeft nagelaten het belang van de Nederlandse staat te formuleren en dus ook niet heeft toegelicht waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van eiser en zijn dochter. De rechtbank volgt verweerders standpunt ter zitting niet dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek omdat het belang van verweerder bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid indirect volgt uit de conclusie dat aan eiser geen reguliere verblijfsvergunning wordt toegekend. Dat aan eiser geen reguliere verblijfsvergunning wordt toegekend betreft de uitkomst van de belangenafweging maar hieruit blijkt niet kenbaar welke belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van eiser. In zoverre is het beroep dan ook gegrond. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.
12.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting alsnog heeft gemotiveerd dat verweerders belang gelegen is in het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid en dat dit belang zwaarder weegt dan de belangen van eiser. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid een op zichzelf staand belang is dat onderdeel uitmaakt van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder aan de zijde van eiser alle van belang zijnde aspecten in de belangenafweging heeft meegenomen en daarbij voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. De omstandigheid dat eiser geen voogdij heeft en (nog) geen omgangsregeling heeft met zijn dochter heeft verweerder niet als een dergelijke omstandigheid hoeven aanmerken nu uit de Werkinstructie 2020/16 volgt dat het hierbij gaat om omstandigheden die gelegen zijn in het land van herkomst en dit geen omstandigheid is die maakt dat de dochter van eiser niet in Turkije zou kunnen verblijven. Verweerder heeft verder kunnen meewegen dat eiser op dit moment geen omgangsregeling heeft en dat het contact met zijn dochter met name op afstand plaatsvindt door middel van videobellen en korte momenten. In dit verband heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser op dezelfde manier invulling kan geven aan het contact vanuit Turkije. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat de beslissing waar eiser het gezinsleven uitoefent de verantwoordelijkheid is van hemzelf en zijn ex-echtgenote en mogelijk de uitkomst is van gerechtelijke procedures.
12.3.
Verweerder heeft ook betrokken wat het betekent voor eisers dochter als in Turkije invulling wordt gegeven aan het gezinsleven. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de omstandigheid dat de dochter van eiser de Nederlandse nationaliteit heeft niet van doorslaggevende betekenis is, ook omdat zij tevens de Turkse nationaliteit bezit. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat een verhuizing naar Turkije voor de dochter van eiser wellicht wat aanpassingsvermogen vergt maar dat niet valt te verwachten dat hierdoor problemen zullen ontstaan in haar ontwikkeling omdat zij nog jong is en haar eerste vier levensjaren in Turkije heeft verbleven en daarom bekend is met de taal en de cultuur. Ten aanzien van eisers stelling dat zijn dochter vanwege haar epilepsie en autisme zorg nodig heeft die zij in Nederland krijgt, heeft verweerder ter zitting erop kunnen wijzen dat niet is gebleken dat niet is gebleken dat dit een objectieve belemmering vormt voor de dochter van eiser om familieleven in Turkije uit te oefenen nu zij haar eerste vier levensjaren in Turkije heeft doorgebracht en ook daarna een paar keer naar Turkije op vakantie is gegaan.
12.4.
Eisers verwijzing naar de arresten XU en QP en Udeh en artikel 24, derde lid, van het Handvest maakt het voorgaande niet anders. Op grond van artikel 24, derde lid, van het Handvest, heeft ieder kind er recht op regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden. Uit de Toelichting bij het Handvest en rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat artikel 24 van het Handvest overeenkomstig artikel 3 van het IVRK moet worden geïnterpreteerd. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat artikel 3 van het IVRK niet tot meer strekt dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit er blijk van heeft gegeven dat het belang van het kind is meegewogen in het kader van artikel 8 van het EVRM. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 24, derde lid, van het Handvest.
Inreisverbod
13. Gelet op hetgeen is overwogen onder 12 tot en met 12.4, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de omstandigheid dat eiser familieleven heeft met zijn dochter geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van de oplegging van het inreisverbod.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.
14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1)
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. Yilmaz, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBAMS:2023:7242.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6689.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:458 en 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3735.
ECLI:NL:RVS:2020:1499.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
Eiser verwijst hierbij naar het ‘Algemeen ambtsbericht Turkije augustus 2023’, pagina’s 38 en 39 en het ‘2023 Country Report Türkiye’ van het U.S. Department of State (USDOS).
UYAP is een juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid en staat voor Ulusal Yargi Ağı Projesi.
E-devlet is het digitale overheidsloket voor inwoners van Turkije.
Zie het rapport van MediFirst van 22 februari 2024.
Proces-verbaal van gehoor van 21 mei 2022.
Zie pagina 6 van het verslag van het nader gehoor en pagina’s 14 en 22 van het verslag van het aanvullend gehoor.
Zie pagina 19 van het verslag van het aanvullend gehoor.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, rechtsoverweging 2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 mei 2022, C-451/19, ECLI:EU:C:2022:354.
Zie het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 16 april 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0416JUD001202009.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C 303/25.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3716.
Verdrag inzake de rechten van het kind.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9503.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28264
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).
Inleiding
1. Eiser heeft op 21 mei 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 juni 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Koyuncu als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft sympathieën voor Halklan Demokratik Partisi (HDP) en is tegen het politieke beleid van president Erdoğan en de corruptie van de Turkse regering. Eiser heeft op twee momenten HDP-leden geholpen door hun bij hem te laten onderduiken en naar de grens met Syrië te brengen. Ook heeft eiser deelgenomen aan Newroz-vieringen. Er loopt daarom een geheim onderzoek naar eiser. Eiser vreest in verband met deze activiteiten strafrechtelijk veroordeeld te worden en in detentie geplaatst te worden waar hij onmenselijk zal worden behandeld. Na eisers vertrek uit Turkije is de politie bij zijn ouders langs geweest en hebben ze gevraagd naar waar eiser was. Daarnaast is eiser gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit. Hij kreeg discriminerende opmerkingen te horen en Koerden hebben moeite met het vinden van een baan in Turkije.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Politieke overtuiging en activiteiten;
Problemen vanwege het helpen van HDP-leden;
Discriminatie vanwege Koerdische etniciteit.
4. Verweerder heeft eisers aanvraag bij besluit van 14 september 2023 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van 14 november 2023, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep dat eiser tegen dit besluit had ingesteld, gegrond verklaard omdat verweerder, kort samengevat, onzorgvuldig had gehandeld door eiser niet medisch te onderzoeken voorafgaand aan het nader gehoor. De rechtbank heeft het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak.
5. Bij besluit van 19 juni 2024 heeft verweerder eisers aanvraag opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook vindt verweerder eisers politieke overtuiging en activiteiten geloofwaardig en dat hij gediscrimineerd wordt vanwege zijn Koerdische etniciteit. Verweerder vindt niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege het helpen van HDP-leden. Dat eiser sympathieën heeft voor de HDP, dat hij heeft deelgenomen aan Newroz-vieringen en zich af en toe heeft uitgesproken tegen de Turkse president, maakt niet dat eisers vrees voor vervolging aannemelijk is. De discriminatie die eiser heeft ondervonden is niet zwaarwegend genoeg om vrees voor vervolging aan te nemen. Eiser loopt ook geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiser komt daarnaast niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM omdat zijn dochter in Nederland verblijft. Verweerder heeft een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd en daarbij een vertrektermijn onthouden. Bij besluit van 28 juni 2024 heeft verweerder het besluit hersteld omdat ten onrechte een vertrektermijn was onthouden en alsnog een vertrektermijn van 28 dagen toegekend. Het beroep is van rechtswege ook tegen dit besluit gericht.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Het onderdak bieden aan HDP-leden is ten onrechte niet in samenhang met eisers politieke overtuiging en activiteiten beoordeeld waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. Bovendien maakt het niet uit of eiser onderdak heeft geboden uit politieke overtuiging of uit medemenselijkheid zoals verweerder stelt, nu aan eiser vanwege het bieden van die hulp politieke motieven kunnen worden toegedicht door de Turkse autoriteiten. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank en naar rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. Omdat eisers politieke overtuiging en activiteiten geloofwaardig zijn bevonden en het bieden van onderdak aan HDP-leden daarmee samenhangt, had verweerder moeten motiveren waarom op dat punt niet het voordeel van de twijfel wordt gegund. Dit volgt uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. Verder heeft verweerder de problemen die eiser heeft ondervonden als gevolg van het onderdak bieden aan HDP-leden ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Aan de kopieën van gerechtelijke stukken is ten onrechte geen bewijswaarde toegekend. Eiser heeft inmiddels ook een verklaring van zijn Turkse advocaat ontvangen waaruit blijkt dat hij strafrechtelijk vervolgd wordt. Ook stelt verweerder ten onrechte dat eisers verklaringen over de reden van vertrek niet met elkaar rijmen en dat eiser vaag heeft verklaard over het geheime strafrechtelijke onderzoek dat naar hem loopt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eisers vrees voor vervolging niet gegrond is. Daarbij is verder van belang dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld hoe sterk de politieke overtuiging is van eiser en of eiser in de toekomst politieke activiteiten wil ondernemen waardoor hij een risico loopt en of eiser een politieke mening zal worden toegedicht door de Turkse autoriteiten. De beoordeling is daarom in strijd met het arrest S en A. Verweerder heeft ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade. Vanwege het aanhoudingsbevel staat namelijk vast dat eiser verdacht wordt van het maken van propaganda voor een terroristische organisatie. Alleen al hierom is sprake van een reëel risico op ernstige schade omdat uit openbare landeninformatie volgt dat sprake is van oneerlijke processen en onmenselijke omstandigheden in detentie. Ten onrechte heeft verweerder niet gemotiveerd waarom het evenredig is om eisers aanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond omdat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000, een kan-bepaling betreft. Verweerder heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen reguliere verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 8 van het EVRM. Tot slot heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom aan eiser een inreisverbod is opgelegd van twee jaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Geloofwaardigheid problemen vanwege het helpen van HDP-leden
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen vanwege het helpen van HDP-leden niet geloofwaardig zijn. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de overgelegde documenten eisers problemen niet onderbouwen. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd: een antecedentenverklaring gedateerd op 1 februari 2023, een antecedentenverklaring van
17 augustus 2023, een kopie van een rechterlijk aanhoudingsbevel en bijbehorende stukken gedateerd op 29 juni 2022. In beroep heeft eiser nog een verklaring van zijn Turkse advocaat overgelegd van 1 juli 2024.
7.1.
Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat alle documenten, op de verklaring van de advocaat na, kopieën betreffen die niet op echtheid kunnen worden beoordeeld en dar daarom beperkte bewijswaarde aan deze documenten toekomt. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat in de antecedentenverklaring van 17 augustus 2023 wel antecedenten worden genoemd en in de antecedentenverklaring van 1 februari 2023 niet terwijl de antecedenten die worden genoemd dateren van vóór 1 februari 2023, namelijk
17 september 2015, 11 maart 2022, 9 januari 2022 en 12 april 2022. Verweerder heeft eisers verklaring niet hoeven volgen dat hij de meest recente antecedentenverklaring via zijn advocaat uit Turkije heeft gekregen en deze niet zou kunnen vinden als hij zelf in zijn UYAP of E-devlet zou kijken, en dit bovendien niet zou kunnen controleren omdat hij zijn inlogcodes van UYAP kwijt is. Eiser heeft later namelijk betoogd dat zijn Turkse advocaat de antecedentenverklaring met een machtiging uit eisers eigen burgerportaal heeft opgevraagd. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser vaag heeft verklaard over wat er in de antecedentenverklaring van 17 augustus 2023 staat. Verweerder mag van eiser verwachten dat hij de gegevens kan duiden nu hij de verklaring heeft ontvangen van zijn advocaat en omdat eiser zelf stelt dat de antecedentenverklaring onderbouwt dat hij strafrechtelijk wordt vervolgd in Turkije.
7.2.
Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen niet rijmen met de inhoud van het aanhoudingsbevel. In dat kader heeft verweerder erop kunnen wijzen dat het strafbare feit gedateerd is in 2021-2022 terwijl eiser stelt vervolgd te worden omdat hij in 2019 HDP-leden zou hebben geholpen. Verweerder heeft eisers verklaring dat hij slecht is met precieze data onvoldoende kunnen achten omdat eiser herhaaldelijk heeft verklaard dat hij in de tiende en twaalfde maand van 2019 de HDP-leden heeft geholpen en uit het medisch advies ten aanzien van mogelijke beperkingen bij het horen alleen volgt dat eiser geen precieze data kan onthouden maar zich wel een gebeurtenis van een aantal maanden geleden kan herinneren. Verweerder heeft daarom van eiser mogen verwachten dat hij wel jaartallen bij benadering zou kunnen benoemen.. Ook heeft verweerder eisers verklaring niet hoeven volgen dat hij niet zeker weet waar hij voor vervolgd wordt en dat dit ook zou kunnen zijn vanwege zijn deelname aan Newroz-vieringen. Verweerder heeft zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat het niet waarschijnlijk is dat eiser vervolgd wordt vanwege zijn deelname aan de Newroz-viering omdat eiser heeft verklaard dat hij geen prominente rol speelde tijdens de viering en dat hij ook niet is opgepakt. Dat uit het algemeen ambtsbericht van 2023 volgt dat op 19 maart 2023 bij een Newroz-viering in Istanboel tweehonderd mensen zijn opgepakt maakt het voorgaande niet anders nu eiser niet bij deze viering aanwezig was. Ook heeft verweerder er ter zitting op kunnen wijzen dat uit de overgelegde verklaring van de Turkse advocaat volgt dat het strafrechtelijke onderzoek verband houdt met de hulp die eiser heeft geboden aan HDP-leden. Verder heeft verweerder kunnen stellen dat hetgeen eiser ten laste wordt gelegd niet rijmt met eisers vermoeden dat hij vervolgd wordt vanwege het helpen van de HDP-leden omdat eiser wordt verdacht van het maken van propaganda voor een terroristische organisatie en de HDP niet is gekwalificeerd als terroristische organisatie. Dat uit het algemeen ambtsbericht volgt dat bepaalde activiteiten van de HDP worden geassocieerd met de PKK, die wel is gekwalificeerd als terroristische organisatie, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft namelijk niet heeft gemotiveerd waarom het helpen van HDP-leden en het deelnemen aan Newroz-vieringen wordt geassocieerd met de PKK.
7.3.
Alleen al gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat aan de overgelegde documenten een beperkte bewijswaarde toekomt. De rechtbank is het niet met eiser eens dat verweerder ten onrechte geen bewijswaarde heeft toegekend aan de overgelegde documenten enkel omdat het kopieën betreffen en deze niet op echtheid kunnen worden onderzocht. Verweerder is immers ingegaan op de wijze van verkrijging en de inhoud van de documenten. Verweerder heeft ook niet gesteld dat geen bewijswaarde aan de documenten toekomt maar dat deze bewijswaarde te beperkt is om eisers problemen aannemelijk te achten.
7.4.
Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over zijn reden van vertrek niet met elkaar rijmen. Hoewel het inderdaad mogelijk is dat er sprake is van aanvullende motieven, heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat uit het proces-verbaal van gehoor volgt dat eiser heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen voor zijn dochter en dat hij, als dat nodig is om zijn dochter te kunnen zien, een asielaanvraag zal indienen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder veel waarde heeft kunnen hechten aan deze verklaring nu eiser in dat stadium van de procedure meer geneigd zal zijn geweest om naar waarheid en onbevangen te verklaren en zich minder zal hebben laten leiden door ongewenste consequenties die bepaalde antwoorden voor de uitkomst van zijn aanvraag zouden kunnen hebben. Verweerder heeft daarbij ook belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat eiser vrij kort nadat zijn ex-echtgenote en dochter naar Nederland zijn vertrokken een asielaanvraag heeft ingediend.
7.5.
Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser vaag heeft verklaard over de reden waarop hij heeft gebaseerd dat de politie onderzoek naar hem. Eiser stelt dat hij gewaarschuwd is door een ver familielid genaamd [naam] die werkzaam is bij de politie maar verweerder heeft erop kunnen wijzen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat [naam] de reden van het onderzoek heeft toegelicht. Ook zou [naam] hebben gezegd dat hij een man waar eiser sokken van kocht bij een andere eenheid van de politie zou hebben gezien. Dit heeft verweerder niet hoeven volgen nu niet valt in te zien dat [naam] een man zou herkennen die eiser heeft gezien. Dat eiser [naam] vertrouwde als familielid en politieagent maakt het voorgaande niet anders nu dit niet wegneemt dat eiser over het voorgaande vaag heeft verklaard.
7.6.
De rechtbank volgt eisers betoog niet dat verweerder nader had moeten motiveren waarom op dit punt niet het voordeel van de twijfel wordt gegund, nu de politieke overtuiging wel geloofwaardig wordt gevonden. In de uitspraak van de hoogste bestuursrechter waar eiser naar heeft verwezen is geoordeeld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom ten aanzien van een gestelde inval niet het voordeel werd gegund terwijl eerdere problemen wel geloofwaardig zijn bevonden. In het geval van eiser zijn echter geen eerdere problemen geloofwaardig geacht. Het hebben van een politieke overtuiging hangt niet zodanig samen met de manier waarop eiser deze overtuiging heeft geuit en mogelijke problemen die hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, dat verweerder gehouden was te motiveren waarom het voordeel van de twijfel niet wordt gegund ten aanzien van de gestelde problemen.
7.7.
Alleen al gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen ongeloofwaardig zijn. De overige gronden ten aanzien van dit punt behoeven daarom geen verdere bespreking.
Vrees voor vervolging vanwege politieke overtuiging
8. De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van eisers betoog dat verweerder ten onrechte niet bij de beoordeling van zijn politieke overtuiging heeft betrokken dat hij HDP-leden heeft geholpen. De rechtbank is het niet eens met verweerders primaire standpunt dat eiser alleen hulp heeft geboden uit gewetensnood, en omdat hij een vriend wilde helpen zoals is toegelicht door verweerder ter zitting. Eiser heeft er terecht op gewezen dat uit het verslag van het nader gehoor en het aanvullend gehoor volgt dat eiser ook hulp heeft geboden omdat hij sympathisant is van de HDP.
9. De rechtbank is het echter wel eens met verweerders subsidiaire standpunt dat de omstandigheid dat eiser hulp heeft geboden aan HDP-leden, niet betekent dat hij vrees heeft voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging omdat eiser geen problemen heeft ondervonden in het verleden en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze in de toekomst wel zal ondervinden. Zoals overwogen onder 7 tot en met 7.7 heeft verweerder zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen die eiser heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten, ongeloofwaardig zijn. In het verlengde daarvan heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen problemen heeft ondervonden door HDP-leden te helpen en dat het daarom ook niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten en dat hem een politieke overtuiging zal worden toegedicht waardoor hij risico loopt. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de toekomst wel problemen zal ondervinden. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser in het aanvullend gehoor is gevraagd welke activiteiten hij in de toekomst wil ondernemen in het kader van zijn politieke overtuiging en dat eiser toen niet heeft verklaard dat hij in de toekomst actief HDP-leden wil helpen met onderduiken. Dat eiser heeft verklaard dat hij in de toekomst zijn politieke overtuiging op dezelfde manier zal uiten als hij in het verleden heeft gedaan, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om eisers vrees voor vervolging aannemelijk te achten. Eiser heeft verklaard dat hij op twee momenten in totaal vier personen heeft geholpen omdat hij via een kennis was benaderd. Hieruit volgt niet dat eiser op eigen initiatief HDP-leden heeft geholpen en actief op zoek is gegaan naar HDP-leden met problemen om bij hem te laten onderduiken. Dat eiser in de toekomst zal worden benaderd, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in overeenstemming met het arrest S en A deugdelijk beoordeeld of eiser door zijn politieke overtuiging en de activiteiten die hij in toekomst wil verrichten in het kader van zijn politieke overtuiging een gegronde vrees heeft voor vervolging.
Reëel risico op ernstige schade
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft zich namelijk op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser vervolgd wordt vanwege zijn politieke activiteiten. Anders dan eiser stelt, staat dan ook niet vast dat hij de strafrechtelijke vervolging vanwege een terrorismemisdrijf heeft onderbouwd. Gelet hierop loopt eiser ook geen reëel risico om het slachtoffer te worden van een oneerlijk proces of van onmenselijke omstandigheden in detentie zoals eiser stelt.
Kennelijk ongegrond
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eisers verklaring dat hij niet meteen asiel heeft aangevraagd omdat hij eerst zijn spullen wilde ophalen bij een neef in Duitsland, heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een verschoonbare reden. De enkele omstandigheid dat verweerder discretionaire ruimte heeft om eisers aanvraag op deze grond kennelijk ongegrond te verklaren, betekent niet dat verweerder op voorhand gehouden is om te motiveren waarom het toepassen van deze grond evenredig is. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat deze grond van toepassing is op eisers situatie en heeft de grond daarom kunnen toepassen. Indien eiser stelt dat toepassing onevenredig is, dient hij dit te motiveren.
Artikel 8 van het EVRM
12. Naar vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven en privéleven een “fair balance” worden gevonden tussen de belangen van vreemdelingen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat omdat verweerder heeft nagelaten het belang van de Nederlandse staat te formuleren en dus ook niet heeft toegelicht waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van eiser en zijn dochter. De rechtbank volgt verweerders standpunt ter zitting niet dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek omdat het belang van verweerder bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid indirect volgt uit de conclusie dat aan eiser geen reguliere verblijfsvergunning wordt toegekend. Dat aan eiser geen reguliere verblijfsvergunning wordt toegekend betreft de uitkomst van de belangenafweging maar hieruit blijkt niet kenbaar welke belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van eiser. In zoverre is het beroep dan ook gegrond. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.
12.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting alsnog heeft gemotiveerd dat verweerders belang gelegen is in het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid en dat dit belang zwaarder weegt dan de belangen van eiser. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid een op zichzelf staand belang is dat onderdeel uitmaakt van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder aan de zijde van eiser alle van belang zijnde aspecten in de belangenafweging heeft meegenomen en daarbij voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. De omstandigheid dat eiser geen voogdij heeft en (nog) geen omgangsregeling heeft met zijn dochter heeft verweerder niet als een dergelijke omstandigheid hoeven aanmerken nu uit de Werkinstructie 2020/16 volgt dat het hierbij gaat om omstandigheden die gelegen zijn in het land van herkomst en dit geen omstandigheid is die maakt dat de dochter van eiser niet in Turkije zou kunnen verblijven. Verweerder heeft verder kunnen meewegen dat eiser op dit moment geen omgangsregeling heeft en dat het contact met zijn dochter met name op afstand plaatsvindt door middel van videobellen en korte momenten. In dit verband heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser op dezelfde manier invulling kan geven aan het contact vanuit Turkije. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat de beslissing waar eiser het gezinsleven uitoefent de verantwoordelijkheid is van hemzelf en zijn ex-echtgenote en mogelijk de uitkomst is van gerechtelijke procedures.
12.3.
Verweerder heeft ook betrokken wat het betekent voor eisers dochter als in Turkije invulling wordt gegeven aan het gezinsleven. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de omstandigheid dat de dochter van eiser de Nederlandse nationaliteit heeft niet van doorslaggevende betekenis is, ook omdat zij tevens de Turkse nationaliteit bezit. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat een verhuizing naar Turkije voor de dochter van eiser wellicht wat aanpassingsvermogen vergt maar dat niet valt te verwachten dat hierdoor problemen zullen ontstaan in haar ontwikkeling omdat zij nog jong is en haar eerste vier levensjaren in Turkije heeft verbleven en daarom bekend is met de taal en de cultuur. Ten aanzien van eisers stelling dat zijn dochter vanwege haar epilepsie en autisme zorg nodig heeft die zij in Nederland krijgt, heeft verweerder ter zitting erop kunnen wijzen dat niet is gebleken dat niet is gebleken dat dit een objectieve belemmering vormt voor de dochter van eiser om familieleven in Turkije uit te oefenen nu zij haar eerste vier levensjaren in Turkije heeft doorgebracht en ook daarna een paar keer naar Turkije op vakantie is gegaan.
12.4.
Eisers verwijzing naar de arresten XU en QP en Udeh en artikel 24, derde lid, van het Handvest maakt het voorgaande niet anders. Op grond van artikel 24, derde lid, van het Handvest, heeft ieder kind er recht op regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden. Uit de Toelichting bij het Handvest en rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat artikel 24 van het Handvest overeenkomstig artikel 3 van het IVRK moet worden geïnterpreteerd. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat artikel 3 van het IVRK niet tot meer strekt dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit er blijk van heeft gegeven dat het belang van het kind is meegewogen in het kader van artikel 8 van het EVRM. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 24, derde lid, van het Handvest.
Inreisverbod
13. Gelet op hetgeen is overwogen onder 12 tot en met 12.4, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de omstandigheid dat eiser familieleven heeft met zijn dochter geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van de oplegging van het inreisverbod.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.
14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1)
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. Yilmaz, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBAMS:2023:7242.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6689.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:458 en 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3735.
ECLI:NL:RVS:2020:1499.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
Eiser verwijst hierbij naar het ‘Algemeen ambtsbericht Turkije augustus 2023’, pagina’s 38 en 39 en het ‘2023 Country Report Türkiye’ van het U.S. Department of State (USDOS).
UYAP is een juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid en staat voor Ulusal Yargi Ağı Projesi.
E-devlet is het digitale overheidsloket voor inwoners van Turkije.
Zie het rapport van MediFirst van 22 februari 2024.
Proces-verbaal van gehoor van 21 mei 2022.
Zie pagina 6 van het verslag van het nader gehoor en pagina’s 14 en 22 van het verslag van het aanvullend gehoor.
Zie pagina 19 van het verslag van het aanvullend gehoor.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, rechtsoverweging 2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 mei 2022, C-451/19, ECLI:EU:C:2022:354.
Zie het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 16 april 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0416JUD001202009.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C 303/25.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3716.
Verdrag inzake de rechten van het kind.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9503.