Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28140
2025-05-15
Bestuursrecht
SGR 24/9106
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven - beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2019:4294 Raad van State 18-12-2019
- ECLI:NL:RVS:2021:1274 Raad van State 16-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.882 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C.M. van de Weerd).
Inleiding
1. In het besluit van 24 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres recht heeft op een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven van € 2.500,- gebaseerd op letselcategorie 2. Met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is bij zijn eerdere besluit gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Partijen hebben laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek op 4 april 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 18 april 2024 een aanvraag ingediend om een uitkering te ontvangen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij van 2015 tot juni 2018 slachtoffer is geworden van stelselmatig gepleegd huiselijk geweld en seksueel geweld. Verweerder heeft een uitkering toegekend van € 2.500,- gebaseerd op letselcategorie 2. Deze uitkering ziet niet op het seksuele geweld omdat verweerder over onvoldoende aanwijzingen beschikt die het seksuele geweld in de aangegeven periode onderbouwen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de frequentie en duur van het huiselijk geweld, de impact ervan en het feit dat eiseres onder langdurige psychiatrische behandeling staat en er geen zicht is op volledig herstel. Verder is er ook geen rekening gehouden met de omstandigheden dat binnen de relatie verkrachting voorkwam. Eiseres hoeft het seksuele geweld enkel aannemelijk te maken. Dit heeft zij gedaan met de overgelegde stukken van de psycholoog van [instelling] waar zij bij in behandeling is. Uit deze stukken blijkt dat er in andere situaties ook seksueel geweld tegen haar heeft plaatsgevonden. In combinatie met de eigen verklaring van eiseres dat seksueel geweld binnen de relatie voorkwam, heeft zij het seksuele geweld aannemelijk gemaakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het fonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
5. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter heeft verweerder bij het toekennen van zo’n uitkering beslissingsruimte. Een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven is een financiële tegemoetkoming die niet tot doel heeft het slachtoffer volledig schadeloos te stellen, maar vooral een uiting is van solidariteit van de samenleving naar het slachtoffer en een erkenning van zijn of haar slachtofferschap. Verweerder heeft beleid gemaakt dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (Beleidsbundel). Daarin is genoemd de zogenoemde Letsellijst, die is ontwikkeld om het opgelopen letsel in een letselcategorie in te kunnen delen. De letsellijst maakt onderscheid tussen zes letselcategorieën, waaraan vaste uitkeringsbedragen zijn gekoppeld. Op basis van de ernst van het opgelopen letsel en de omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf is gepleegd, bepaalt het Schadefonds welke letselcategorie van toepassing is en welk uitkeringsbedrag hierbij hoort.
6. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiseres met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode waar de aanvraag op ziet, slachtoffer is geworden van seksueel geweld. Het is aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven om met voldoende objectieve informatie aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiseres heeft geen stukken overgelegd om het seksueel geweld te onderbouwen. De enkele omstandigheid dat uit de stukken van [instelling] volgt dat eiseres hier in eerdere relaties slachtoffer van is geworden is hiertoe onvoldoende. Enkel de eigen verklaring van eiseres kan niet als objectief worden aangemerkt en kan daarom ook niet bijdragen aan het aannemelijk maken van het seksueel geweld. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat het seksuele geweld niet voorkomt in de objectieve informatie over de periode van 2015 tot juni 2018.
7. Voor zover eiseres heeft willen aanvoeren dat zij in een hogere letselcategorie geplaatst had moeten worden vanwege de ernst van het huiselijk geweld, overweegt de rechtbank dat hiervan niet is gebleken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat het huiselijk geweld van zeer lange duur en ernst was. Verweerder heeft erop gewezen dat hier sprake van kan zijn als het huiselijk geweld stelselmatig en zonder lange tussenpozen werd gepleegd over een periode van ongeveer 5 jaren of langer. Daar is geen sprake van in het geval van eiseres nu de objectieve informatie ziet op het huiselijk geweld dat plaatsvond in een periode van 3,5 jaar. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat bij het psychisch letsel dat veroorzaakt is door het huiselijk geweld een hogere letselcategorie passend zou zijn. De informatie van [instelling] ziet op andere gebeurtenissen uit het leven van eiseres.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4294.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1274.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C.M. van de Weerd).
Inleiding
1. In het besluit van 24 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres recht heeft op een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven van € 2.500,- gebaseerd op letselcategorie 2. Met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is bij zijn eerdere besluit gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Partijen hebben laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek op 4 april 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 18 april 2024 een aanvraag ingediend om een uitkering te ontvangen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij van 2015 tot juni 2018 slachtoffer is geworden van stelselmatig gepleegd huiselijk geweld en seksueel geweld. Verweerder heeft een uitkering toegekend van € 2.500,- gebaseerd op letselcategorie 2. Deze uitkering ziet niet op het seksuele geweld omdat verweerder over onvoldoende aanwijzingen beschikt die het seksuele geweld in de aangegeven periode onderbouwen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de frequentie en duur van het huiselijk geweld, de impact ervan en het feit dat eiseres onder langdurige psychiatrische behandeling staat en er geen zicht is op volledig herstel. Verder is er ook geen rekening gehouden met de omstandigheden dat binnen de relatie verkrachting voorkwam. Eiseres hoeft het seksuele geweld enkel aannemelijk te maken. Dit heeft zij gedaan met de overgelegde stukken van de psycholoog van [instelling] waar zij bij in behandeling is. Uit deze stukken blijkt dat er in andere situaties ook seksueel geweld tegen haar heeft plaatsgevonden. In combinatie met de eigen verklaring van eiseres dat seksueel geweld binnen de relatie voorkwam, heeft zij het seksuele geweld aannemelijk gemaakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het fonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
5. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter heeft verweerder bij het toekennen van zo’n uitkering beslissingsruimte. Een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven is een financiële tegemoetkoming die niet tot doel heeft het slachtoffer volledig schadeloos te stellen, maar vooral een uiting is van solidariteit van de samenleving naar het slachtoffer en een erkenning van zijn of haar slachtofferschap. Verweerder heeft beleid gemaakt dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (Beleidsbundel). Daarin is genoemd de zogenoemde Letsellijst, die is ontwikkeld om het opgelopen letsel in een letselcategorie in te kunnen delen. De letsellijst maakt onderscheid tussen zes letselcategorieën, waaraan vaste uitkeringsbedragen zijn gekoppeld. Op basis van de ernst van het opgelopen letsel en de omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf is gepleegd, bepaalt het Schadefonds welke letselcategorie van toepassing is en welk uitkeringsbedrag hierbij hoort.
6. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiseres met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode waar de aanvraag op ziet, slachtoffer is geworden van seksueel geweld. Het is aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven om met voldoende objectieve informatie aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiseres heeft geen stukken overgelegd om het seksueel geweld te onderbouwen. De enkele omstandigheid dat uit de stukken van [instelling] volgt dat eiseres hier in eerdere relaties slachtoffer van is geworden is hiertoe onvoldoende. Enkel de eigen verklaring van eiseres kan niet als objectief worden aangemerkt en kan daarom ook niet bijdragen aan het aannemelijk maken van het seksueel geweld. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat het seksuele geweld niet voorkomt in de objectieve informatie over de periode van 2015 tot juni 2018.
7. Voor zover eiseres heeft willen aanvoeren dat zij in een hogere letselcategorie geplaatst had moeten worden vanwege de ernst van het huiselijk geweld, overweegt de rechtbank dat hiervan niet is gebleken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat het huiselijk geweld van zeer lange duur en ernst was. Verweerder heeft erop gewezen dat hier sprake van kan zijn als het huiselijk geweld stelselmatig en zonder lange tussenpozen werd gepleegd over een periode van ongeveer 5 jaren of langer. Daar is geen sprake van in het geval van eiseres nu de objectieve informatie ziet op het huiselijk geweld dat plaatsvond in een periode van 3,5 jaar. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat bij het psychisch letsel dat veroorzaakt is door het huiselijk geweld een hogere letselcategorie passend zou zijn. De informatie van [instelling] ziet op andere gebeurtenissen uit het leven van eiseres.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4294.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1274.