Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:28083

2025-03-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.10408
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-03-31
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
NL25.10408
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening, formele en materiële connexiteit.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.913 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.10408


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Procesverloop


1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘humanitair tijdelijk’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 februari 2025 (het bestreden besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.1
Verweerder heeft op 25 maart 2025 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



1.2
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting omdat onverwijlde spoed dat vereist.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Voordat een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ontvankelijk is, dient op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb te zijn voldaan aan het connexiteits-vereiste. Dit vereiste heeft een formeel en een materieel aspect.

4. Het vereiste van formele connexiteit houdt in dat een voorlopige voorziening slechts dan kan worden getroffen, indien bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek connex is aan het bezwaar tegen het bestreden besluit. Aan het vereiste van formele connexiteit is dus voldaan.

5. Het vereiste van materiële connexiteit houdt in dat de gevraagde voorziening betrekking moet hebben op het connexe, in de hoofdzaak bestreden, besluit. Aan het vereiste van materiële connexiteit is niet voldaan als de gevraagde voorlopige voorziening de strekking van het connexe bezwaar te buiten gaat. Aan het vereiste van materiële connexiteit is niet voldaan. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.


5.1
De voorzieningenrechter betrekt in haar oordeel het volgende. Verzoeker is bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar wegens het om het leven brengen van zijn echtgenote, die op dat moment in verwachting was van hun derde kind. Dit arrest is bekrachtigd in cassatie door de Hoge Raad bij arrest van 23 november 2021.



5.2
Bij besluit van 21 december 2022 heeft verweerder de aan verzoeker verleende asielvergunning ingetrokken vanaf 27 januari 2019 en de aanvraag van verzoeker om een asielvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod, is door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 18 maart 2024 gegrond verklaard en voor het overige is het beroep ongegrond verklaard.



5.3
Op 22 oktober 2024 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’. In het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.



5.4
In zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoeker verzocht om het bestreden besluit te schorsen, onder verwijzing naar de gronden van bezwaar. Daarin voert hij onder meer aan dat als uitvoering wordt gegeven aan het bestreden besluit, verzoeker zal worden overgeplaatst naar een andere Penitentiaire inrichting (PI) en dat leidt tot een schending van artikel 8 van het EVRM. Verzoeker heeft op 19 maart 2025 zijn verzoek nader toegelicht en heeft aangegeven hij een spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening, omdat hij ieder moment kan worden overgeplaatst naar de PI Ter Apel. Bij een overplaatsing naar de PI Ter Apel zal de tenuitvoerlegging van zijn straf zodanig wijzigen dat hij in zijn belangen wordt geschaad. Zo wordt er in de PI Ter Apel geen re-integratie traject aangeboden maar wordt er in plaats daarvan gewerkt aan terugkeer. Hij wenst dat de tenuitvoerlegging van de straf in de PI Zaanstad wordt gecontinueerd.



5.5
Verweerder heeft zich primair in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat verzoeker geen belang heeft bij de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter volgt verweerder hierin. Verzoeker heeft vanaf 21 december 2022 geen rechtmatig verblijf meer in Nederland en heeft ook geen procedureel rechtmatig verblijf. Met het schorsen van het bestreden besluit verkrijgt verzoeker niet alsnog (procedureel) rechtmatig verblijf. Verzoeker heeft daarom geen belang bij de gevraagde voorziening.



5.6
Daarbij is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat wat verzoeker heeft verzocht, namelijk continuering van de tenuitvoerlegging van de door de strafechter opgelegde gevangenisstraf in PI Zaanstad, geen verband houdt met het bestreden besluit waarin verzoekers aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen en het bezwaar daartegen. Er is niet voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste. Het verzoek is ook daarom niet-ontvankelijk. Als verzoeker meent dat hij op onjuiste gronden naar de PI Ter Apel zal worden overgeplaatst, zal hij deze argumenten naar voren moeten brengen bij de selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen.


6. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.




Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.




Dit is bepaald in artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


ECLI:NL:GHARL:2020:5447.


ECLI:NL:HR:2021:1747.


NL23.1279.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.