Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28075
2025-12-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.62161
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:275 Raad van State 28-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.168 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62161
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: M. Volker).
Procesverloop
De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Tunesische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007.
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 november 2025 (in de zaak NL25.53671) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Eiser voert aan dat hij in het vertrekgesprek van 3 november 2025 al heeft gezegd dat hij wil meewerken aan zijn uitzetting. Hij heeft destijds ook de lp (hierna: laissez passer) aanvraag ondertekend. Volgens de medewerker van Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) duurt een uitzetting naar Tunesië gemiddeld 1 of 2 maanden. In het vertrekgesprek van 1 december 2025 werd medegedeeld dat de Tunesische ambassade de afgenomen vingerafdrukken niet kon matchen. Als gevolg daarvan zijn er op 25 november 2025 nieuwe vingerafdrukken genomen. In het vertrekgesprek van 1 december 2025 heeft eiser opnieuw gezegd te willen meewerken aan zijn uitzetting en dat hij contact heeft opgenomen met IOM. Eiser voert aan dat hij nu twee maanden in bewaring zit zonder enig zicht op uitzetting. Eiser wil graag uitgezet worden naar Tunesië en de bewaring duurt te lang.
Daarnaast is in de M120 te zien dat op 12 december 2025 de autoriteiten van Tunesië de vingerafdrukken wederom niet konden lezen. De autoriteiten van Tunesië hebben verzocht om nieuwe vingerafdrukken aan te leveren van eiser. Dat er tweemaal niet leesbare vingerafdrukken worden aangeleverd valt onder de verantwoordelijkheid van de minister. Hieruit blijkt dat de minister niet voortvarend handelt en de kwaliteitseisen niet in acht neemt.
4. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en het zicht op uitzitting ontbreekt. De minister rappelleert regelmatig bij de Tunesische autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 27 november 2025 en 17 december 2025. Ook heeft de minister op 1 december 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Dat er tweemaal vingerafdrukken zijn aangeleverd bij de Tunesische autoriteiten die onleesbaar zijn, doet hier niet van af. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de minister na bericht van de Tunesische autoriteiten direct nieuwe vingerafdrukken heeft laten afnemen van eiser. Zoals de minister terecht stelt in zijn verweerschrift blijkt hieruit dat er nauw contact is tussen de minister en de Tunesische autoriteiten. Veiligheidshalve heeft de minister op 15 december 2025 vier sets natte vingerafdrukken afgenomen, in plaats van de gebruikelijke enkele set. Gelet op voorgaande blijkt dat de minister voldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Tunesische autoriteiten. De minister kan daar maar beperkt invloed op uitoefenen. In beginsel werken de Tunesische autoriteiten mee aan de uitzetting van vreemdelingen met de nationaliteit van dat land.1 De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat deze autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. De minister stelt in zijn verweerschrift dat de regievoerder van het IOM de informatie heeft gekregen dat er inmiddels een lp-akkoord is ontvangen van de Tunesische autoriteiten. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt en dat er zicht op uitzetting bestaat. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
1. ECLI:NL:RVS:2025:275, r.o. 5.
5. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62161
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: M. Volker).
Procesverloop
De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Tunesische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007.
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 november 2025 (in de zaak NL25.53671) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Eiser voert aan dat hij in het vertrekgesprek van 3 november 2025 al heeft gezegd dat hij wil meewerken aan zijn uitzetting. Hij heeft destijds ook de lp (hierna: laissez passer) aanvraag ondertekend. Volgens de medewerker van Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) duurt een uitzetting naar Tunesië gemiddeld 1 of 2 maanden. In het vertrekgesprek van 1 december 2025 werd medegedeeld dat de Tunesische ambassade de afgenomen vingerafdrukken niet kon matchen. Als gevolg daarvan zijn er op 25 november 2025 nieuwe vingerafdrukken genomen. In het vertrekgesprek van 1 december 2025 heeft eiser opnieuw gezegd te willen meewerken aan zijn uitzetting en dat hij contact heeft opgenomen met IOM. Eiser voert aan dat hij nu twee maanden in bewaring zit zonder enig zicht op uitzetting. Eiser wil graag uitgezet worden naar Tunesië en de bewaring duurt te lang.
Daarnaast is in de M120 te zien dat op 12 december 2025 de autoriteiten van Tunesië de vingerafdrukken wederom niet konden lezen. De autoriteiten van Tunesië hebben verzocht om nieuwe vingerafdrukken aan te leveren van eiser. Dat er tweemaal niet leesbare vingerafdrukken worden aangeleverd valt onder de verantwoordelijkheid van de minister. Hieruit blijkt dat de minister niet voortvarend handelt en de kwaliteitseisen niet in acht neemt.
4. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en het zicht op uitzitting ontbreekt. De minister rappelleert regelmatig bij de Tunesische autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 27 november 2025 en 17 december 2025. Ook heeft de minister op 1 december 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Dat er tweemaal vingerafdrukken zijn aangeleverd bij de Tunesische autoriteiten die onleesbaar zijn, doet hier niet van af. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de minister na bericht van de Tunesische autoriteiten direct nieuwe vingerafdrukken heeft laten afnemen van eiser. Zoals de minister terecht stelt in zijn verweerschrift blijkt hieruit dat er nauw contact is tussen de minister en de Tunesische autoriteiten. Veiligheidshalve heeft de minister op 15 december 2025 vier sets natte vingerafdrukken afgenomen, in plaats van de gebruikelijke enkele set. Gelet op voorgaande blijkt dat de minister voldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Tunesische autoriteiten. De minister kan daar maar beperkt invloed op uitoefenen. In beginsel werken de Tunesische autoriteiten mee aan de uitzetting van vreemdelingen met de nationaliteit van dat land.1 De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat deze autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. De minister stelt in zijn verweerschrift dat de regievoerder van het IOM de informatie heeft gekregen dat er inmiddels een lp-akkoord is ontvangen van de Tunesische autoriteiten. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt en dat er zicht op uitzetting bestaat. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
1. ECLI:NL:RVS:2025:275, r.o. 5.
5. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.