Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28055
2025-09-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/669033 / FA RK 24-4821
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Hoofdverlijfplaats en zorgregeling. Kinderalimentatie met verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. Verdeling van de gemeenschap, eenmanszaak, schulden, regresvordering huurachterstand.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (40.367 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-4821 (echtscheiding)
FA RK 24-8509 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/669033 (echtscheiding)
C/09/676344 (verdeling)
Datum beschikking: 25 september 2025
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 4 juli 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man/de vader
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw/de moeder
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.V. van der Bom te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier van 12 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
het F9-formulier van 16 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
het F9-formulier van 16 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) van 25 oktober 2024 met kenmerk SK-1-5ZQJUHX;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 7 augustus 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 15 augustus 2025 van de zijde van de man, met bijlagen.
De minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 2] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening kenbaar gemaakt. [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 28 augustus 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2009 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen zijn ook de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2005 te [geboorteplaats 3] .
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 20 augustus 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
- de kinderen aan de vrouw zijn toevertrouwd;
- de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] ;
- een voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarige kinderen zal gelden, in die zin dat:
- de kinderen iedere week van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de man verblijven, waarbij de man zorgt draagt voor het halen en het brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van en naar school en [minderjarige 1] op eigen kracht naar de man toegaat;
- de kinderen om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man verblijven, waarbij de man zorgt draagt voor het halen en het brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van en naar school en [minderjarige 1] op eigen kracht naar de man toegaat;
- de kinderen de helft van de feest- en vakantiedagen bij de man verblijven;
- de Raad is verzocht een onderzoek te verrichten en hierover te rapporteren en advies uit te brengen;
- de man voorlopig aan de vrouw een kinderalimentatie betaalt van € 150,- per kind poer maand.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- nakoming/uitvoering van de zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen van iedere woensdag vanuit school tot na het avondeten, een weekend per twee weken van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten en de aaneengesloten helft van alle schoolvakanties van de kinderen en algemeen erkende feestdagen, althans een regeling door de rechtbank in goede justitie vast te stelen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;
- een verklaring voor recht dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is alsmede bij helfte draagplichtig is, voor alle schulden aan de belastingdienst en overige schuldeisers, die voor de peildatum zijn ontstaan,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen:
- elke woensdagmiddag uit school tot woensdagavond na het avondeten bij de man verblijven, waarbij de man zorgt draagt voor het halen en het brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van school en naar de vrouw toe en [minderjarige 1] op eigen kracht naar de man en de vrouw toegaat;
- om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond na het avondeten bij de man verblijven, waarbij de man zorgt draagt voor het halen en het brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van school en naar de vrouw toe en [minderjarige 1] op eigen kracht naar de man en de vrouw toegaat;
- de kinderen de helft van de feest- en vakantiedagen bij de man zijn;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 290,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;
- bepaling dat de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 767,80, zijnde de helft van de verschuldigde en reeds door de vrouw betaalde huurachterstand ad € 1.535,60,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en het huurrecht – thans nog verweer tegen het overige, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals wettelijk is vereist. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen omdat het partijen niet gelukt is om op alle punten ten aanzien van de zorg voor de kinderen tot overeenstemming te komen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Partijen zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vrouw bepaald moet worden. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw als niet weersproken en in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] toewijzen.
Tot de zitting waren partijen het erover eens dat ook de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vrouw bepaald moest worden. Dit is ook in overeenstemming met het raadsadvies uit het rapport van 25 oktober 2024. Op de zitting is echter gebleken dat [minderjarige 1] momenteel (weer) bij de vader verblijft. Namens de vader is om die reden ter zitting mondeling verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] alsnog bij hem te bepalen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
De Raad heeft op de zitting zijn zorgen geuit over [minderjarige 1] , omdat zij klem zit tussen de ouders. [minderjarige 1] slaat daarom haar eigen weg in met betrekking tot waar zij wil verblijven. De ouders moeten met elkaar de zorgen over [minderjarige 1] bespreken en met elkaar tot oplossingen komen, afspraken met elkaar maken en kaders voor [minderjarige 1] stellen. [minderjarige 1] heeft behoefte aan stabiliteit, duidelijkheid en rust, wat zij hopelijk gaat vinden als haar ouders stoppen met elkaar over en weer verwijten maken. De oplossing ligt volgens de Raad niet bij het verplaatsen van de hoofdverblijfplaats naar de man. De aandacht van de ouders moet gaan naar de vraag hoe zij de situatie rondom [minderjarige 1] met elkaar rustig en stabiel kunnen krijgen.
Met betrekking tot [minderjarige 1] is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het van belang is dat er stabiliteit komt. Voor [minderjarige 1] dient duidelijk te zijn waar haar hoofdverblijf zal zijn en op welk adres zij ingeschreven zal zijn. [minderjarige 1] is ten tijde van de voorlopige voorzieningenprocedure aan de vrouw toevertrouwd en is pas recent feitelijk bij de man gaan wonen. Het is onduidelijk of de huidige situatie een duurzame situatie is, omdat [minderjarige 1] de afgelopen periode heeft laten zien dat zij herhaaldelijk wisselt in haar verblijfplaats. Daarbij komt dat van de zijde van de vader ook geen schriftelijk verzoek is ingediend om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen. Met het oog op het belang van [minderjarige 1] bij duidelijkheid en continuïteit zal de rechtbank daarom haar hoofdverblijf bij de vrouw bepalen. Dat betekent dat [minderjarige 1] op het woonadres van de moeder ingeschreven zal blijven staan.
Zorgregeling
Partijen zijn het eens over de vaststelling van de zorgregeling over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , in die zin dat zij iedere woensdagmiddag uit school tot woensdagavond na het eten, om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond na het avondeten bij de man en tijdens de helft van de feest- en vakantiedagen bij de man verblijven. De man zorgt ervoor dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden opgehaald van school en naar de vrouw terug worden gebracht. Dit is ook conform het raadsadvies van 25 oktober 2024. De man heeft op de zitting gevraagd of [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op vrijdag vanaf een later tijdstip bij hem kunnen zijn, omdat hij uit zijn werk moet komen en hij hen niet van school kan halen. De vrouw stond niet onwelwillend tegenover dit verzoek van de man, maar kon dit in verband met haar werk nog niet toezeggen op de zitting. Deze eventuele wijziging kunnen partijen dus later in samenspraak overeenkomen. De rechtbank zal de regeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zo vastleggen zoals partijen zijn overeengekomen in de stukken.
Uit het raadadvies van 25 oktober 2024 volgt dat voor [minderjarige 1] geen zorgregeling vastgelegd hoeft te worden, omdat zij gezien haar leeftijd zelf in samenspraak met haar ouders kan bepalen wanneer zij naar welke ouder gaat. De Raad heeft daarnaast aangegeven nog wel zorgen te hebben over het moeizame contact tussen de ouders en vindt dat hierin verandering moet komen, hiervoor hebben zij begeleiding nodig. Een gedwongen kader is volgens de Raad niet nodig. Op de zitting heeft de raadsvertegenwoordiger aangegeven juist wel een zorgregeling vast te willen leggen, zodat het voor [minderjarige 1] in ieder geval helder is en zij een kader heeft waarbinnen zijzelf invulling kan geven aan de precieze uitvoering van de zorgregeling. Als er geen zorgregeling wordt vastgelegd is de Raad bang dat dit voor meer onduidelijkheid en onrust zal zorgen bij [minderjarige 1] .
De rechtbank overweegt dat het, gelet op de huidige situatie waarin [minderjarige 1] feitelijk bij de man verblijft en gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] , niet wenselijk en haalbaar is om voor [minderjarige 1] eenzelfde zorgregeling vast te stellen als de zorgregeling die voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal gelden. Zoals ter zitting met de ouders besproken, zal de rechtbank voor [minderjarige 1] uitgaan van een co-ouderschapsregeling waarbij de ouders de zorg voor [minderjarige 1] gezamenlijk op een gelijkwaardige manier zullen dragen en waarbij [minderjarige 1] de vrijheid heeft om bij beide ouders te verblijven. De precieze invulling van deze co-ouderschapsregeling kunnen de ouders met elkaar en in samenspraak met [minderjarige 1] (en de hulpverlening) afstemmen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Partijen zijn begin 2024 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank rekening zal houden met de gegevens van partijen en de tarieven van 2024-1.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
NBI man
Partijen zijn het erover eens dat voor het NBI van de man gerekend moet worden met zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021, 2022 en 2023. De gemiddelde winst bedraagt € 66.897 ([€ 59.962 + € 62.622 + € 78.108] / 3). De rechtbank houdt hierbij rekening met de zelfstandigenaftrek.
In geschil is of ook rekening moet worden gehouden met (aftrek vanwege) een fiscale bijtelling van € 13.627,- voor het privégebruik van een auto van de zaak, zoals de man stelt en de vrouw betwist. De rechtbank zal hiermee geen rekening houden, omdat uit de door de man overgelegde jaarstukken en aangiften inkomstenbelasting niet blijkt dat in de genoemde winst daadwerkelijk een fiscale bijtelling is begrepen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, had het op de weg van de man gelegen om zijn stellingen ten aanzien van een fiscale bijtelling met stukken nader te onderbouwen. De man heeft dit nagelaten, zodat de rechtbank aan de stellingen van de man op dit punt voorbij zal gaan.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 4.075,- per maand.
NBI vrouw
Voor het NBI van de vrouw zijn partijen het erover eens dat dit berekend moet worden aan de hand van haar jaaropgave van 2023 van € 12.815,-. De rechtbank berekent haar NBI op basis hiervan in 2024 op € 1.068,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 5.143,- per maand (€ 4.075 + € 1.068). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 488,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.506,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.604,- per maand, afgerond € 535,- per kind per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht man
Tussen partijen is in geschil hoe de draagkracht van de man berekend moet worden.
De man voert aan dat de draagkracht moet worden berekend aan de hand van dezelfde gemiddelde winst uit onderneming van de man waarvan is uitgegaan bij de behoefteberekening. De vrouw heeft op de zitting betoogd dat vanwege het ontbreken van recente financiële stukken moet worden uitgegaan van een hogere winst uit onderneming, omdat de winst over de jaren 2021, 2022 en 2023 een stijgende lijn vertoont. Daarom zou volgens de vrouw moeten worden uitgegaan van de winst in het jaar 2023, dat is € 78.108,- per jaar. De man voert hiertegen verweer. Hoewel de vrouw terecht heeft gewezen op het feit dat recente jaarstukken van de onderneming van de man ontbreken, heeft de man op de zitting aangegeven een auto-ongeluk te hebben gehad en ongeneeslijk ziek te zijn, waardoor niet te verwachten is dat zijn winst uit onderneming verder zal stijgen. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van een gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2022 en 2023. De winst in het jaar 2021 zal dan buiten beschouwing blijven. Redengevend hiervoor is dat de man in het geheel geen financiële gegevens over het jaar 2024 in het geding heeft gebracht, terwijl dit wel van de man kon worden gevergd, en de winst in de jaren daarvoor inderdaad een stijgende lijn laat zien. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de man niet in staat is om een winst te genereren die in ieder geval gelijk is aan de gemiddelde winst over de jaren 2022 en 2023. De gemiddelde winst over die jaren bedraagt € 70.365,- per jaar.
Net als bij de berekening van het NBI van de man voor het bepalen van de behoefte van de kinderen, zal de rechtbank ook hier geen rekening houden met een aftrek wegens een fiscale bijtelling voor privégebruik van de auto, omdat uit de stukken niet blijkt dat in deze winst een fiscale bijtelling van € 13.627,- is begrepen, zoals de man heeft gesteld en de vrouw gemotiveerd heeft weersproken.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 4.217,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De man heeft betoogd dat er rekening gehouden moet worden met extra lasten, te weten € 300,- per maand aan advocaatkosten, aflossing van een debetsaldo van een bankkrediet van € 350,- per maand, een schuld uit hoofde van een huurkoop van de Volkswagen Polo van € 240,- per maand en een maandelijkse aflossing voor de huwelijkse schulden aan de belastingdienst. Op de zitting is gebleken dat de man de schuld uit hoofde van een bankkrediet inmiddels heeft afgelost en dat de Volkswagen Polo en de daarbij behorende verplichtingen uit hoofde van huurkoopovereenkomst door zijn vader zijn overgenomen, zodat deze niet meer ter zake doen. De vrouw heeft op de zitting ermee ingestemd om voor de draagkracht van de man rekening te houden met een last van € 150,- per maand aan advocaatkosten. Zij voert wel nog verweer tegen een maandelijkse aflossing op de belastingschulden, omdat hier enkel in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap rekening mee moet worden gehouden.
De rechtbank zal, mede gelet op de instemming van de vrouw, in redelijkheid rekening houden met € 150,- per maand aan advocaatkosten, maar ziet geen aanleiding om bij de draagkrachtberekening van de man ook rekening te houden met een maandelijkse last wegens belastingschulden, omdat dit schulden zijn waarmee in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap rekening zal worden gehouden. Hierna zal blijken dat deze schulden voor de helft ook door de vrouw moeten worden gedragen. Deze schulden zullen dus op de beider inkomens (en vermogens) van partijen drukken. Als deze schulden bij de berekening van de kinderalimentatie nu zouden worden meegenomen als extra last aan de zijde van de man en niet ook aan de zijde van de vrouw, dan zou de vrouw in feite dubbel moeten bijdragen in deze schulden. Daarom worden deze schulden bij de berekening van de kinderalimentatie buiten beschouwing gelaten.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,- + € 150,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.044,- per maand.
Draagkracht vrouw
De draagkracht van de vrouw is eveneens tussen partijen in geschil. De vrouw stelt dat gerekend moet worden met haar jaarinkomen van € 18.772,- bruto. De man stelt dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft. De vrouw werkt 20 uur in de week en de man stelt dat zij tussen de 32 uur en 40 uur per week kan werken. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij alle tijd benut om te werken als de kinderen naar school gaan, waarbij de vrouw de kinderen naar school brengt en haalt. Zij werkt woensdag een hele dag en de andere vier dagen tijdens schooltijd. De rechtbank berekent op basis hiervan dat zij redelijkerwijs in staat is om 24 uur per week te werken. Niet is gebleken dat de vrouw deze uren niet kan werken en naar het oordeel van de rechtbank is het niet onredelijk dit van de vrouw te verlangen. Gelet op de leeftijd van de tweeling en de verdeling van de (doordeweekse) zorgtaken tussen de ouders, ziet de rechtbank op dit moment echter geen aanleiding om bij het bepalen van de kinderalimentatie van een grotere verdiencapaciteit van de vrouw uit te gaan. Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank dus uitgaan van een fictief inkomen voor een werkweek van 24 uur per week. De rechtbank berekent haar fictieve bruto-inkomen dan aan de hand van jaaropgave 2024 op € 22.526,- per jaar (€ 18.772 / 20 uur x 24 uur).
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak worden opgeteld bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 2.846,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 477,- per maand.
Draagkrachtvergelijking:
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.521,- per maand (€ 1.044 + € 477). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 84,- per maand.
Voor [minderjarige 1] zal de rechtbank – gelet op de co-ouderschapsregeling – een zorgkortingspercentage van 35% hanteren. Dit komt neer op een zorgkorting van € 187,- per maand (35% x € 535,-). Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal de rechtbank een zorgkortingspercentage van 25% hanteren, ook gelet op de voor hen geldende zorgregeling. Dit komt neer op een zorgkorting van € 134,- per kind (25% x € 535,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 84,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting voor drie kinderen van € 413,- per maand (€ 455,- -/- € 42,-).
De door de man te betalen kinderalimentatie voor drie kinderen bedraagt dan € 631,- per maand (€ 1.044,- -/- € 413,-). Dit is ten behoeve van [minderjarige 1] € 175,- per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 228,- per kind per maand.
Nadere afspraken ten aanzien van de kosten van [minderjarige 1]
Partijen hebben ten aanzien van de kosten van [minderjarige 1] op de zitting afgesproken dat, zolang zij feitelijk volledig bij de man verblijft, de vrouw geen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] zal innen, omdat de vrouw dan ook geen zorg/verblijfskosten voor [minderjarige 1] heeft. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum, maar partijen zijn wel aan deze afspraak gebonden. Verder geldt dat, tenzij partijen hierover andere afspraken maken, de vrouw gehouden zal blijven om de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] (zoals kleding, school, sport en dergelijke) voor haar rekening te nemen. De vrouw ontvangt immers ook de kinderbijslag ten behoeve van [minderjarige 1] .
Huurrecht
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw voortaan huurder wordt van de echtelijke woning, zodat de rechtbank dit verzoek van de vrouw als niet weersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 4 juli 2024, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
a. de bankrekeningen van partijen:
a. de gezamenlijke bankrekening bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer 1] , met de daaraan gekoppelde Oranje spaarrekening met nummer [rekeningnummer 2] ;
b. de bankrekening op naam van de vrouw bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;
de eenmanszaak van de man “ [bedrijf] ”, waaronder de Mercedes-Benz Vito met kenteken [kenteken 1] , de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] en de zakelijke bankrekening van de man bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;
de inboedel;
de schulden.
Ad. a – de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de gezamenlijke bankrekening van partijen met de daaraan gekoppelde spaarrekening moet worden opgeheven. Indien het saldo op de peildatum een positief saldo is, dient dit bij helfte te worden verdeeld en indien sprake is van een tekort op de peildatum, dienen partijen beiden de helft van dit tekort te dragen. De man dient de vrouw inzage in dit saldo te geven op de peildatum. Daarna kan de rekening worden opgeheven.
Van de bankrekening van de vrouw zijn partijen het erover eens dat deze aan de vrouw wordt toebedeeld, onder verrekening van het saldo op de peildatum met de man.
Niet in geschil is dat de man slechts beschikt over een zakelijke bankrekening bij ING. Het saldo op die bankrekening behoort dus tot de activa van de eenmanszaak van de man. De rechtbank zal de zakelijke bankrekening daarom meenemen bij de verdeling van de activa van de eenmanszaak, waarover hieronder zal worden beslist.
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen van de kinderen buiten de verdeling gelaten worden. De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van het terugstorten van een bedrag op deze rekening op de zitting ingetrokken, zodat de rechtbank ten aanzien van dit verzoek niets meer te beslissen heeft.
Ad. b – de eenmanszaak “ [bedrijf] ”
De man heeft een eenmanszaak genaamd “ [bedrijf] ”.
Partijen zijn het op de zitting niet eens geworden over de (wijze van) verdeling en de waarde van de eenmanszaak. Na een schorsing van de mondelinge behandeling, hebben zij de rechtbank verzocht om op basis van de stukken een (wijze van) verdeling en de waarde van de onderneming vast te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft. Het ondernemingsvermogen, bestaande uit de activa en de passiva, valt in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Alle goederen die door de man worden gebruikt voor de exploitatie van de eenmanszaak vallen dan ook in beginsel in de wettelijke gemeenschap van goederen. Schulden die verband houden met de exploitatie van de eenmanszaak zijn in beginsel verhaalbaar op de wettelijke gemeenschap van goederen.
In de verdeling dienen dus betrokken te worden de activa en passiva die op datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap aanwezig waren.
De rechtbank acht het redelijk om bij de waardering van de onderneming, gelet op de aard van de onderneming, te weten een onderneming die zijn waarde ontleent aan de werkzaamheden van de man, en de omstandigheid dat de materiële vaste activa zijn beperkt tot inventaris en transportmiddelen, conform de intrinsieke waarde aan te sluiten bij het ondernemingsvermogen (activa en passiva) op de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (te weten de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek). De man heeft namelijk vanaf die datum tot nu als enige de zeggenschap en beschikking gehad over de in zijn onderneming aanwezige activa. De vrouw heeft hierop in deze periode geen zicht gehad. De rechtbank stelt evenwel vast dat partijen geen gegevens hebben aangeleverd waaruit blijkt wat de waarde van de onderneming was op 4 juli 2024. Omdat partijen na een schorsing van de zitting de rechtbank hebben verzocht voor de waardering en verdeling van eenmanszaak aan te sluiten bij de stukken die partijen wel in het geding hebben gebracht, zal de rechtbank de datum van de meest recente eindbalans van onderneming, dat is 31 december 2023, daarom hanteren als peildatum voor de waardering van de onderneming. Uit de jaarstukken 2023 volgt een ondernemingsvermogen per 31 december 2023 van € 6.952,-. Dat is het saldo van de activa (inventaris, transportmiddelen, vorderingen en banktegoeden) en passiva (schulden aan kredietinstellingen, onderhandse leningen en kortlopende schulden) op de balans van de eenmanszaak op 31 december 2023.
Tussen partijen is niet in geschil dat de eenmanszaak door de man zal worden voortgezet.
De rechtbank zal daarom bepalen dat alle activa van de eenmanszaak aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting van de man om de schulden van de eenmanszaak als eigen schuld voor zijn rekening te nemen en de verplichting van de man om een bedrag van
€ 3.476,- (zijnde de helft van voornoemd ondernemingsvermogen) aan de vrouw te betalen.
Voor alle duidelijkheid: hiermee is ook (het saldo op) de zakelijke bankrekening van de man verdeeld, alsook de (waarde van de) Mercedez Benz Vito, zodat de rechtbank daaromtrent niet nog afzonderlijk hoeft te beslissen.
Ad. c – de inboedel
Partijen hebben op de zitting aangegeven dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. De rechtbank stelt vast dat zij op dit punt niets meer hoeft te beslissen.
Ad. d – schulden
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
Partijen zijn het erover eens dat de schulden uit hoofde van inkomstenbelasting die betrekking hebben op de huwelijkse periode tot de peildatum van 4 juli 2024 en de schuld ter zake van de kinderopvangtoeslag tot de gemeenschap behoren. Nu partijen hierover geen andere afspraken hebben gemaakt, gelden in hun onderlinge verhouding de hiervoor genoemde uitgangspunten. De rechtbank zal daarom vastleggen dat in hun onderlinge verhouding de man en de vrouw ieder de helft van de schulden uit hoofde van inkomstenbelasting over de periode tot 4 juli 2024 en de schuld ter zake van de kinderopvangtoeslag voor zijn/haar rekening dient te nemen. Voor het overige zal de door de man verzochte verklaring voor recht als onvoldoende bepaald worden afgewezen.
Regresvordering wegens huurachterstand juni en juli 2024
De vrouw heeft naar voren gebracht dat er voor de echtelijke woning over de maanden juni en juli 2024 een huurachterstand was, die de vrouw in één keer samen met de huur van augustus 2024 heeft moeten betalen. De huurachterstand betrof een periode waarin de man alleen in de woning verbleef. Dit bedrag heeft zij moeten lenen bij haar werkgever. Deze lening heeft zij inmiddels ook afgelost. Zij stelt daarom een regresvordering te hebben op de man van de helft van de totale huur voor die twee maanden, dat betreft een bedrag van € 767,80. De man voert verweer en stelt het een schuld betreft na de peildatum en dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning heeft verkregen en hiervoor dus zelf moet betalen. Daarnaast betwist de man dat de vrouw de schuld bij haar werkgever afbetaald heeft en stelt hij dat zolang dat niet is gebeurd, er geen sprake kan zijn van een regresvordering.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de vrouw ná de peildatum de huur over de maanden juni en juli 2024 heeft voldaan, omdat partijen over die maanden een huurachterstand hadden. De huurschuld die partijen op de peildatum hadden, was een huwelijkse schuld die in de gemeenschap viel. Dat geldt dus in ieder geval voor de huurschuld over de maand juni 2024. Wat betreft de huurschuld over de maand juli 2024 geldt dat de man daaraan eveneens moet bijdragen, omdat de man, zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld, in die maand ook (en zelfs alleen) het gebruik van de woning had. Omdat vaststaat dat de vrouw de huurschuld voor de maanden juni en juli 2024 ná de peildatum geheel voor haar rekening heeft genomen, staat ook vast dat de vrouw méér heeft betaald dan haar aanging en voor dat deel regres heeft op de man. Anders dan de man betoogt, is niet van belang dat de vrouw geld van haar werkgever heeft geleend om deze huurschuld te kunnen voldoen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [dag] 2009 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] .
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man zullen zijn:
iedere woensdagmiddag uit school tot woensdagavond na het eten;
om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond na het avondeten, en;
tijdens de helft van de feest- en vakantiedagen,
waarbij de man zorgt voor het halen en brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van school en naar de vrouw;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] op basis van een co-ouderschapsregeling bij beide ouders zal verblijven en de ouders in samenspraak met [minderjarige 1] (en de hulpverlening) nader invulling kunnen geven aan deze zorgregeling, waarbij als uitgangspunt een week-op-week-af regeling geldt en [minderjarige 1] in het weekend dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man verblijven ook bij de man verblijft;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 228,- per maand per kind en ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] van € 175,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte te [adres] ;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
ten aanzien van de bankrekeningen:
bepaalt dat de gezamenlijke bankrekening bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer 1] , met de daaraan gekoppelde Oranje spaarrekening met nummer [rekeningnummer 2] zal worden opgeheven per peildatum, onder verdeling van de saldi op de peildatum;
bepaalt dat de bankrekening op naam van de vrouw bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 3] wordt toebedeeld aan de vrouw, onder verrekening van het saldo op de peildatum met de man;
ten aanzien van de eenmanszaak “ [bedrijf] ”:
bepaalt dat aan de man wordt toegedeeld alle activa van de eenmanszaak, onder de verplichting van de man om de schulden van de eenmanszaak als eigen schuld voor zijn rekening te nemen en de verplichting van de man om een bedrag van € 3.476,- aan de vrouw te betalen;
*
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schulden uit hoofde van inkomstenbelasting over de periode tot 4 juli 2024 en de schuld ter zake van de kinderopvangtoeslag voor zijn/haar rekening dient te nemen;
*
bepaalt dat de man in verband met de huur over de maanden juni en juli 2024 een bedrag van € 767,80 aan de vrouw moet voldoen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 september 2025.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-4821 (echtscheiding)
FA RK 24-8509 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/669033 (echtscheiding)
C/09/676344 (verdeling)
Datum beschikking: 25 september 2025
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 4 juli 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man/de vader
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw/de moeder
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.V. van der Bom te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier van 12 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
het F9-formulier van 16 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
het F9-formulier van 16 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) van 25 oktober 2024 met kenmerk SK-1-5ZQJUHX;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 7 augustus 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 15 augustus 2025 van de zijde van de man, met bijlagen.
De minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 2] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening kenbaar gemaakt. [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 28 augustus 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2009 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen zijn ook de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2005 te [geboorteplaats 3] .
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 20 augustus 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
- de kinderen aan de vrouw zijn toevertrouwd;
- de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] ;
- een voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarige kinderen zal gelden, in die zin dat:
- de kinderen iedere week van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de man verblijven, waarbij de man zorgt draagt voor het halen en het brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van en naar school en [minderjarige 1] op eigen kracht naar de man toegaat;
- de kinderen om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man verblijven, waarbij de man zorgt draagt voor het halen en het brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van en naar school en [minderjarige 1] op eigen kracht naar de man toegaat;
- de kinderen de helft van de feest- en vakantiedagen bij de man verblijven;
- de Raad is verzocht een onderzoek te verrichten en hierover te rapporteren en advies uit te brengen;
- de man voorlopig aan de vrouw een kinderalimentatie betaalt van € 150,- per kind poer maand.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- nakoming/uitvoering van de zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen van iedere woensdag vanuit school tot na het avondeten, een weekend per twee weken van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten en de aaneengesloten helft van alle schoolvakanties van de kinderen en algemeen erkende feestdagen, althans een regeling door de rechtbank in goede justitie vast te stelen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;
- een verklaring voor recht dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is alsmede bij helfte draagplichtig is, voor alle schulden aan de belastingdienst en overige schuldeisers, die voor de peildatum zijn ontstaan,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen:
- elke woensdagmiddag uit school tot woensdagavond na het avondeten bij de man verblijven, waarbij de man zorgt draagt voor het halen en het brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van school en naar de vrouw toe en [minderjarige 1] op eigen kracht naar de man en de vrouw toegaat;
- om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond na het avondeten bij de man verblijven, waarbij de man zorgt draagt voor het halen en het brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van school en naar de vrouw toe en [minderjarige 1] op eigen kracht naar de man en de vrouw toegaat;
- de kinderen de helft van de feest- en vakantiedagen bij de man zijn;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 290,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;
- bepaling dat de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 767,80, zijnde de helft van de verschuldigde en reeds door de vrouw betaalde huurachterstand ad € 1.535,60,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en het huurrecht – thans nog verweer tegen het overige, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals wettelijk is vereist. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen omdat het partijen niet gelukt is om op alle punten ten aanzien van de zorg voor de kinderen tot overeenstemming te komen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Partijen zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vrouw bepaald moet worden. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw als niet weersproken en in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] toewijzen.
Tot de zitting waren partijen het erover eens dat ook de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vrouw bepaald moest worden. Dit is ook in overeenstemming met het raadsadvies uit het rapport van 25 oktober 2024. Op de zitting is echter gebleken dat [minderjarige 1] momenteel (weer) bij de vader verblijft. Namens de vader is om die reden ter zitting mondeling verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] alsnog bij hem te bepalen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
De Raad heeft op de zitting zijn zorgen geuit over [minderjarige 1] , omdat zij klem zit tussen de ouders. [minderjarige 1] slaat daarom haar eigen weg in met betrekking tot waar zij wil verblijven. De ouders moeten met elkaar de zorgen over [minderjarige 1] bespreken en met elkaar tot oplossingen komen, afspraken met elkaar maken en kaders voor [minderjarige 1] stellen. [minderjarige 1] heeft behoefte aan stabiliteit, duidelijkheid en rust, wat zij hopelijk gaat vinden als haar ouders stoppen met elkaar over en weer verwijten maken. De oplossing ligt volgens de Raad niet bij het verplaatsen van de hoofdverblijfplaats naar de man. De aandacht van de ouders moet gaan naar de vraag hoe zij de situatie rondom [minderjarige 1] met elkaar rustig en stabiel kunnen krijgen.
Met betrekking tot [minderjarige 1] is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het van belang is dat er stabiliteit komt. Voor [minderjarige 1] dient duidelijk te zijn waar haar hoofdverblijf zal zijn en op welk adres zij ingeschreven zal zijn. [minderjarige 1] is ten tijde van de voorlopige voorzieningenprocedure aan de vrouw toevertrouwd en is pas recent feitelijk bij de man gaan wonen. Het is onduidelijk of de huidige situatie een duurzame situatie is, omdat [minderjarige 1] de afgelopen periode heeft laten zien dat zij herhaaldelijk wisselt in haar verblijfplaats. Daarbij komt dat van de zijde van de vader ook geen schriftelijk verzoek is ingediend om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen. Met het oog op het belang van [minderjarige 1] bij duidelijkheid en continuïteit zal de rechtbank daarom haar hoofdverblijf bij de vrouw bepalen. Dat betekent dat [minderjarige 1] op het woonadres van de moeder ingeschreven zal blijven staan.
Zorgregeling
Partijen zijn het eens over de vaststelling van de zorgregeling over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , in die zin dat zij iedere woensdagmiddag uit school tot woensdagavond na het eten, om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond na het avondeten bij de man en tijdens de helft van de feest- en vakantiedagen bij de man verblijven. De man zorgt ervoor dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden opgehaald van school en naar de vrouw terug worden gebracht. Dit is ook conform het raadsadvies van 25 oktober 2024. De man heeft op de zitting gevraagd of [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op vrijdag vanaf een later tijdstip bij hem kunnen zijn, omdat hij uit zijn werk moet komen en hij hen niet van school kan halen. De vrouw stond niet onwelwillend tegenover dit verzoek van de man, maar kon dit in verband met haar werk nog niet toezeggen op de zitting. Deze eventuele wijziging kunnen partijen dus later in samenspraak overeenkomen. De rechtbank zal de regeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zo vastleggen zoals partijen zijn overeengekomen in de stukken.
Uit het raadadvies van 25 oktober 2024 volgt dat voor [minderjarige 1] geen zorgregeling vastgelegd hoeft te worden, omdat zij gezien haar leeftijd zelf in samenspraak met haar ouders kan bepalen wanneer zij naar welke ouder gaat. De Raad heeft daarnaast aangegeven nog wel zorgen te hebben over het moeizame contact tussen de ouders en vindt dat hierin verandering moet komen, hiervoor hebben zij begeleiding nodig. Een gedwongen kader is volgens de Raad niet nodig. Op de zitting heeft de raadsvertegenwoordiger aangegeven juist wel een zorgregeling vast te willen leggen, zodat het voor [minderjarige 1] in ieder geval helder is en zij een kader heeft waarbinnen zijzelf invulling kan geven aan de precieze uitvoering van de zorgregeling. Als er geen zorgregeling wordt vastgelegd is de Raad bang dat dit voor meer onduidelijkheid en onrust zal zorgen bij [minderjarige 1] .
De rechtbank overweegt dat het, gelet op de huidige situatie waarin [minderjarige 1] feitelijk bij de man verblijft en gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] , niet wenselijk en haalbaar is om voor [minderjarige 1] eenzelfde zorgregeling vast te stellen als de zorgregeling die voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal gelden. Zoals ter zitting met de ouders besproken, zal de rechtbank voor [minderjarige 1] uitgaan van een co-ouderschapsregeling waarbij de ouders de zorg voor [minderjarige 1] gezamenlijk op een gelijkwaardige manier zullen dragen en waarbij [minderjarige 1] de vrijheid heeft om bij beide ouders te verblijven. De precieze invulling van deze co-ouderschapsregeling kunnen de ouders met elkaar en in samenspraak met [minderjarige 1] (en de hulpverlening) afstemmen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Partijen zijn begin 2024 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank rekening zal houden met de gegevens van partijen en de tarieven van 2024-1.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
NBI man
Partijen zijn het erover eens dat voor het NBI van de man gerekend moet worden met zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021, 2022 en 2023. De gemiddelde winst bedraagt € 66.897 ([€ 59.962 + € 62.622 + € 78.108] / 3). De rechtbank houdt hierbij rekening met de zelfstandigenaftrek.
In geschil is of ook rekening moet worden gehouden met (aftrek vanwege) een fiscale bijtelling van € 13.627,- voor het privégebruik van een auto van de zaak, zoals de man stelt en de vrouw betwist. De rechtbank zal hiermee geen rekening houden, omdat uit de door de man overgelegde jaarstukken en aangiften inkomstenbelasting niet blijkt dat in de genoemde winst daadwerkelijk een fiscale bijtelling is begrepen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, had het op de weg van de man gelegen om zijn stellingen ten aanzien van een fiscale bijtelling met stukken nader te onderbouwen. De man heeft dit nagelaten, zodat de rechtbank aan de stellingen van de man op dit punt voorbij zal gaan.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 4.075,- per maand.
NBI vrouw
Voor het NBI van de vrouw zijn partijen het erover eens dat dit berekend moet worden aan de hand van haar jaaropgave van 2023 van € 12.815,-. De rechtbank berekent haar NBI op basis hiervan in 2024 op € 1.068,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 5.143,- per maand (€ 4.075 + € 1.068). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 488,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.506,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.604,- per maand, afgerond € 535,- per kind per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht man
Tussen partijen is in geschil hoe de draagkracht van de man berekend moet worden.
De man voert aan dat de draagkracht moet worden berekend aan de hand van dezelfde gemiddelde winst uit onderneming van de man waarvan is uitgegaan bij de behoefteberekening. De vrouw heeft op de zitting betoogd dat vanwege het ontbreken van recente financiële stukken moet worden uitgegaan van een hogere winst uit onderneming, omdat de winst over de jaren 2021, 2022 en 2023 een stijgende lijn vertoont. Daarom zou volgens de vrouw moeten worden uitgegaan van de winst in het jaar 2023, dat is € 78.108,- per jaar. De man voert hiertegen verweer. Hoewel de vrouw terecht heeft gewezen op het feit dat recente jaarstukken van de onderneming van de man ontbreken, heeft de man op de zitting aangegeven een auto-ongeluk te hebben gehad en ongeneeslijk ziek te zijn, waardoor niet te verwachten is dat zijn winst uit onderneming verder zal stijgen. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van een gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2022 en 2023. De winst in het jaar 2021 zal dan buiten beschouwing blijven. Redengevend hiervoor is dat de man in het geheel geen financiële gegevens over het jaar 2024 in het geding heeft gebracht, terwijl dit wel van de man kon worden gevergd, en de winst in de jaren daarvoor inderdaad een stijgende lijn laat zien. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de man niet in staat is om een winst te genereren die in ieder geval gelijk is aan de gemiddelde winst over de jaren 2022 en 2023. De gemiddelde winst over die jaren bedraagt € 70.365,- per jaar.
Net als bij de berekening van het NBI van de man voor het bepalen van de behoefte van de kinderen, zal de rechtbank ook hier geen rekening houden met een aftrek wegens een fiscale bijtelling voor privégebruik van de auto, omdat uit de stukken niet blijkt dat in deze winst een fiscale bijtelling van € 13.627,- is begrepen, zoals de man heeft gesteld en de vrouw gemotiveerd heeft weersproken.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 4.217,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De man heeft betoogd dat er rekening gehouden moet worden met extra lasten, te weten € 300,- per maand aan advocaatkosten, aflossing van een debetsaldo van een bankkrediet van € 350,- per maand, een schuld uit hoofde van een huurkoop van de Volkswagen Polo van € 240,- per maand en een maandelijkse aflossing voor de huwelijkse schulden aan de belastingdienst. Op de zitting is gebleken dat de man de schuld uit hoofde van een bankkrediet inmiddels heeft afgelost en dat de Volkswagen Polo en de daarbij behorende verplichtingen uit hoofde van huurkoopovereenkomst door zijn vader zijn overgenomen, zodat deze niet meer ter zake doen. De vrouw heeft op de zitting ermee ingestemd om voor de draagkracht van de man rekening te houden met een last van € 150,- per maand aan advocaatkosten. Zij voert wel nog verweer tegen een maandelijkse aflossing op de belastingschulden, omdat hier enkel in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap rekening mee moet worden gehouden.
De rechtbank zal, mede gelet op de instemming van de vrouw, in redelijkheid rekening houden met € 150,- per maand aan advocaatkosten, maar ziet geen aanleiding om bij de draagkrachtberekening van de man ook rekening te houden met een maandelijkse last wegens belastingschulden, omdat dit schulden zijn waarmee in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap rekening zal worden gehouden. Hierna zal blijken dat deze schulden voor de helft ook door de vrouw moeten worden gedragen. Deze schulden zullen dus op de beider inkomens (en vermogens) van partijen drukken. Als deze schulden bij de berekening van de kinderalimentatie nu zouden worden meegenomen als extra last aan de zijde van de man en niet ook aan de zijde van de vrouw, dan zou de vrouw in feite dubbel moeten bijdragen in deze schulden. Daarom worden deze schulden bij de berekening van de kinderalimentatie buiten beschouwing gelaten.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,- + € 150,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.044,- per maand.
Draagkracht vrouw
De draagkracht van de vrouw is eveneens tussen partijen in geschil. De vrouw stelt dat gerekend moet worden met haar jaarinkomen van € 18.772,- bruto. De man stelt dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft. De vrouw werkt 20 uur in de week en de man stelt dat zij tussen de 32 uur en 40 uur per week kan werken. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij alle tijd benut om te werken als de kinderen naar school gaan, waarbij de vrouw de kinderen naar school brengt en haalt. Zij werkt woensdag een hele dag en de andere vier dagen tijdens schooltijd. De rechtbank berekent op basis hiervan dat zij redelijkerwijs in staat is om 24 uur per week te werken. Niet is gebleken dat de vrouw deze uren niet kan werken en naar het oordeel van de rechtbank is het niet onredelijk dit van de vrouw te verlangen. Gelet op de leeftijd van de tweeling en de verdeling van de (doordeweekse) zorgtaken tussen de ouders, ziet de rechtbank op dit moment echter geen aanleiding om bij het bepalen van de kinderalimentatie van een grotere verdiencapaciteit van de vrouw uit te gaan. Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank dus uitgaan van een fictief inkomen voor een werkweek van 24 uur per week. De rechtbank berekent haar fictieve bruto-inkomen dan aan de hand van jaaropgave 2024 op € 22.526,- per jaar (€ 18.772 / 20 uur x 24 uur).
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak worden opgeteld bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 2.846,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 477,- per maand.
Draagkrachtvergelijking:
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.521,- per maand (€ 1.044 + € 477). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 84,- per maand.
Voor [minderjarige 1] zal de rechtbank – gelet op de co-ouderschapsregeling – een zorgkortingspercentage van 35% hanteren. Dit komt neer op een zorgkorting van € 187,- per maand (35% x € 535,-). Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal de rechtbank een zorgkortingspercentage van 25% hanteren, ook gelet op de voor hen geldende zorgregeling. Dit komt neer op een zorgkorting van € 134,- per kind (25% x € 535,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 84,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting voor drie kinderen van € 413,- per maand (€ 455,- -/- € 42,-).
De door de man te betalen kinderalimentatie voor drie kinderen bedraagt dan € 631,- per maand (€ 1.044,- -/- € 413,-). Dit is ten behoeve van [minderjarige 1] € 175,- per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 228,- per kind per maand.
Nadere afspraken ten aanzien van de kosten van [minderjarige 1]
Partijen hebben ten aanzien van de kosten van [minderjarige 1] op de zitting afgesproken dat, zolang zij feitelijk volledig bij de man verblijft, de vrouw geen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] zal innen, omdat de vrouw dan ook geen zorg/verblijfskosten voor [minderjarige 1] heeft. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum, maar partijen zijn wel aan deze afspraak gebonden. Verder geldt dat, tenzij partijen hierover andere afspraken maken, de vrouw gehouden zal blijven om de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] (zoals kleding, school, sport en dergelijke) voor haar rekening te nemen. De vrouw ontvangt immers ook de kinderbijslag ten behoeve van [minderjarige 1] .
Huurrecht
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw voortaan huurder wordt van de echtelijke woning, zodat de rechtbank dit verzoek van de vrouw als niet weersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 4 juli 2024, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
a. de bankrekeningen van partijen:
a. de gezamenlijke bankrekening bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer 1] , met de daaraan gekoppelde Oranje spaarrekening met nummer [rekeningnummer 2] ;
b. de bankrekening op naam van de vrouw bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;
de eenmanszaak van de man “ [bedrijf] ”, waaronder de Mercedes-Benz Vito met kenteken [kenteken 1] , de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] en de zakelijke bankrekening van de man bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;
de inboedel;
de schulden.
Ad. a – de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de gezamenlijke bankrekening van partijen met de daaraan gekoppelde spaarrekening moet worden opgeheven. Indien het saldo op de peildatum een positief saldo is, dient dit bij helfte te worden verdeeld en indien sprake is van een tekort op de peildatum, dienen partijen beiden de helft van dit tekort te dragen. De man dient de vrouw inzage in dit saldo te geven op de peildatum. Daarna kan de rekening worden opgeheven.
Van de bankrekening van de vrouw zijn partijen het erover eens dat deze aan de vrouw wordt toebedeeld, onder verrekening van het saldo op de peildatum met de man.
Niet in geschil is dat de man slechts beschikt over een zakelijke bankrekening bij ING. Het saldo op die bankrekening behoort dus tot de activa van de eenmanszaak van de man. De rechtbank zal de zakelijke bankrekening daarom meenemen bij de verdeling van de activa van de eenmanszaak, waarover hieronder zal worden beslist.
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen van de kinderen buiten de verdeling gelaten worden. De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van het terugstorten van een bedrag op deze rekening op de zitting ingetrokken, zodat de rechtbank ten aanzien van dit verzoek niets meer te beslissen heeft.
Ad. b – de eenmanszaak “ [bedrijf] ”
De man heeft een eenmanszaak genaamd “ [bedrijf] ”.
Partijen zijn het op de zitting niet eens geworden over de (wijze van) verdeling en de waarde van de eenmanszaak. Na een schorsing van de mondelinge behandeling, hebben zij de rechtbank verzocht om op basis van de stukken een (wijze van) verdeling en de waarde van de onderneming vast te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft. Het ondernemingsvermogen, bestaande uit de activa en de passiva, valt in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Alle goederen die door de man worden gebruikt voor de exploitatie van de eenmanszaak vallen dan ook in beginsel in de wettelijke gemeenschap van goederen. Schulden die verband houden met de exploitatie van de eenmanszaak zijn in beginsel verhaalbaar op de wettelijke gemeenschap van goederen.
In de verdeling dienen dus betrokken te worden de activa en passiva die op datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap aanwezig waren.
De rechtbank acht het redelijk om bij de waardering van de onderneming, gelet op de aard van de onderneming, te weten een onderneming die zijn waarde ontleent aan de werkzaamheden van de man, en de omstandigheid dat de materiële vaste activa zijn beperkt tot inventaris en transportmiddelen, conform de intrinsieke waarde aan te sluiten bij het ondernemingsvermogen (activa en passiva) op de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (te weten de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek). De man heeft namelijk vanaf die datum tot nu als enige de zeggenschap en beschikking gehad over de in zijn onderneming aanwezige activa. De vrouw heeft hierop in deze periode geen zicht gehad. De rechtbank stelt evenwel vast dat partijen geen gegevens hebben aangeleverd waaruit blijkt wat de waarde van de onderneming was op 4 juli 2024. Omdat partijen na een schorsing van de zitting de rechtbank hebben verzocht voor de waardering en verdeling van eenmanszaak aan te sluiten bij de stukken die partijen wel in het geding hebben gebracht, zal de rechtbank de datum van de meest recente eindbalans van onderneming, dat is 31 december 2023, daarom hanteren als peildatum voor de waardering van de onderneming. Uit de jaarstukken 2023 volgt een ondernemingsvermogen per 31 december 2023 van € 6.952,-. Dat is het saldo van de activa (inventaris, transportmiddelen, vorderingen en banktegoeden) en passiva (schulden aan kredietinstellingen, onderhandse leningen en kortlopende schulden) op de balans van de eenmanszaak op 31 december 2023.
Tussen partijen is niet in geschil dat de eenmanszaak door de man zal worden voortgezet.
De rechtbank zal daarom bepalen dat alle activa van de eenmanszaak aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting van de man om de schulden van de eenmanszaak als eigen schuld voor zijn rekening te nemen en de verplichting van de man om een bedrag van
€ 3.476,- (zijnde de helft van voornoemd ondernemingsvermogen) aan de vrouw te betalen.
Voor alle duidelijkheid: hiermee is ook (het saldo op) de zakelijke bankrekening van de man verdeeld, alsook de (waarde van de) Mercedez Benz Vito, zodat de rechtbank daaromtrent niet nog afzonderlijk hoeft te beslissen.
Ad. c – de inboedel
Partijen hebben op de zitting aangegeven dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. De rechtbank stelt vast dat zij op dit punt niets meer hoeft te beslissen.
Ad. d – schulden
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
Partijen zijn het erover eens dat de schulden uit hoofde van inkomstenbelasting die betrekking hebben op de huwelijkse periode tot de peildatum van 4 juli 2024 en de schuld ter zake van de kinderopvangtoeslag tot de gemeenschap behoren. Nu partijen hierover geen andere afspraken hebben gemaakt, gelden in hun onderlinge verhouding de hiervoor genoemde uitgangspunten. De rechtbank zal daarom vastleggen dat in hun onderlinge verhouding de man en de vrouw ieder de helft van de schulden uit hoofde van inkomstenbelasting over de periode tot 4 juli 2024 en de schuld ter zake van de kinderopvangtoeslag voor zijn/haar rekening dient te nemen. Voor het overige zal de door de man verzochte verklaring voor recht als onvoldoende bepaald worden afgewezen.
Regresvordering wegens huurachterstand juni en juli 2024
De vrouw heeft naar voren gebracht dat er voor de echtelijke woning over de maanden juni en juli 2024 een huurachterstand was, die de vrouw in één keer samen met de huur van augustus 2024 heeft moeten betalen. De huurachterstand betrof een periode waarin de man alleen in de woning verbleef. Dit bedrag heeft zij moeten lenen bij haar werkgever. Deze lening heeft zij inmiddels ook afgelost. Zij stelt daarom een regresvordering te hebben op de man van de helft van de totale huur voor die twee maanden, dat betreft een bedrag van € 767,80. De man voert verweer en stelt het een schuld betreft na de peildatum en dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning heeft verkregen en hiervoor dus zelf moet betalen. Daarnaast betwist de man dat de vrouw de schuld bij haar werkgever afbetaald heeft en stelt hij dat zolang dat niet is gebeurd, er geen sprake kan zijn van een regresvordering.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de vrouw ná de peildatum de huur over de maanden juni en juli 2024 heeft voldaan, omdat partijen over die maanden een huurachterstand hadden. De huurschuld die partijen op de peildatum hadden, was een huwelijkse schuld die in de gemeenschap viel. Dat geldt dus in ieder geval voor de huurschuld over de maand juni 2024. Wat betreft de huurschuld over de maand juli 2024 geldt dat de man daaraan eveneens moet bijdragen, omdat de man, zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld, in die maand ook (en zelfs alleen) het gebruik van de woning had. Omdat vaststaat dat de vrouw de huurschuld voor de maanden juni en juli 2024 ná de peildatum geheel voor haar rekening heeft genomen, staat ook vast dat de vrouw méér heeft betaald dan haar aanging en voor dat deel regres heeft op de man. Anders dan de man betoogt, is niet van belang dat de vrouw geld van haar werkgever heeft geleend om deze huurschuld te kunnen voldoen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [dag] 2009 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] .
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man zullen zijn:
iedere woensdagmiddag uit school tot woensdagavond na het eten;
om het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond na het avondeten, en;
tijdens de helft van de feest- en vakantiedagen,
waarbij de man zorgt voor het halen en brengen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van school en naar de vrouw;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] op basis van een co-ouderschapsregeling bij beide ouders zal verblijven en de ouders in samenspraak met [minderjarige 1] (en de hulpverlening) nader invulling kunnen geven aan deze zorgregeling, waarbij als uitgangspunt een week-op-week-af regeling geldt en [minderjarige 1] in het weekend dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man verblijven ook bij de man verblijft;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 228,- per maand per kind en ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] van € 175,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte te [adres] ;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
ten aanzien van de bankrekeningen:
bepaalt dat de gezamenlijke bankrekening bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer 1] , met de daaraan gekoppelde Oranje spaarrekening met nummer [rekeningnummer 2] zal worden opgeheven per peildatum, onder verdeling van de saldi op de peildatum;
bepaalt dat de bankrekening op naam van de vrouw bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 3] wordt toebedeeld aan de vrouw, onder verrekening van het saldo op de peildatum met de man;
ten aanzien van de eenmanszaak “ [bedrijf] ”:
bepaalt dat aan de man wordt toegedeeld alle activa van de eenmanszaak, onder de verplichting van de man om de schulden van de eenmanszaak als eigen schuld voor zijn rekening te nemen en de verplichting van de man om een bedrag van € 3.476,- aan de vrouw te betalen;
*
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schulden uit hoofde van inkomstenbelasting over de periode tot 4 juli 2024 en de schuld ter zake van de kinderopvangtoeslag voor zijn/haar rekening dient te nemen;
*
bepaalt dat de man in verband met de huur over de maanden juni en juli 2024 een bedrag van € 767,80 aan de vrouw moet voldoen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 september 2025.