Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28054
2025-09-04
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/688916 / FA RK 25-5559
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen. Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning vanaf drie maanden na datum beschikking aan de man. Toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw. Voorlopige zorgregeling eerst in de vorm van birdnesting en daarna week-op-week-af. Voorlopige kinderalimentatie door de vrouw aan de man te betalen. Afwijzing verzoek man tot voorlopige partneralimentatie, omdat de vrouw de woonlasten draagt en de man zijn behoefte en aanvullende behoefte niet heeft onderbouwd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:1924 Hoge Raad 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.225 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5559
Zaaknummer: C/09/688916
Datum beschikking: 4 september 2025
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 22 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.C. Burger te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. van Bendegem te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het F9-formulier van 18 augustus 2025 van de zijde van de man met bijlage;
- het F9-formulier van 18 augustus 2025 van de zijde van de man met bijlagen;
- het F9-formulier van 19 augustus 2025 van de zijde van de vrouw met bijlagen;
- het F9-formluier van 20 augustus 2025 van de zijde van de man met bijlagen.
Op 21 augustus 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Arabisch. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is [naam] verschenen.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1], [land].
- Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats].
- De kinderen verblijven momenteel bij de vrouw.
- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
- De vrouw en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en de man is Palestijn.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig thans nog:
- primair te bepalen dat de behandeling van het verzoekschrift van de vrouw wordt aangehouden op grond van naar de rechtbank begrijpt artikel 12 Rv;
subsidiair:
- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden met afgifte van alle sleutels van de woning;
- de minderjarige kinderen van partijen aan de man worden toevertrouwd;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij de kinderen drie dagen bij de vrouw en vier dagen per week bij de man verblijven;
- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van € 429,- per maand wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zulks uiterlijk op de eerste van iedere maand, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 645,- per maand wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zulks uiterlijk op de eerste van iedere maand, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Op de zitting heeft de man zijn verzoek tot aanhouding van de verzoeken ingetrokken.
Beoordeling
Overeenstemming op zitting
Paspoorten
Op de zitting zijn partijen een voorlopige zorgregeling overeengekomen. Belangrijk voor de uitvoering hiervan is dat zij een afspraak hebben gemaakt over de Nederlandse en Palestijnse paspoorten van de kinderen. Tot aan de zitting had de man deze onder zich. De vrouw wilde niet dat de man contact had met de kinderen, zolang hij hun paspoorten in bezit had. Beide partijen wantrouwen elkaar over en weer met de paspoorten in beheer, omdat zij beiden bang zijn dat de ander met de kinderen naar het buitenland vertrekt. Zij hebben daarom afgesproken dat de advocaat van de man de paspoorten van de kinderen op haar kantoor voorlopig in beheer zal houden. Partijen hebben afgesproken dat zij dit de dag na de zitting regelen en dat de vrouw naar het kantoor van de advocaat van de man kan komen om te kunnen zien dat de paspoorten daar zijn.
Voorlopige zorgregeling en uitsluitend gebruik van de woning
Partijen zijn overeengekomen dat de kinderen vanaf 22 augustus 2025 vanaf het huis van de ouders van de vrouw weer terug zullen keren naar de echtelijke woning. Vanaf de start van het schooljaar zullen partijen een week-op-week-af regeling hanteren in de echtelijke woning (birdnesting), waarbij de kinderen in de eerste schoolweek (de eerste week van september) met de man in de echtelijke woning zullen verblijven en de week erna met de vrouw, enzovoorts. Deze birdnestingsregeling zullen partijen drie maanden uitvoeren. In de komende periode gaat de vrouw op zoek naar een nieuwe woning en gaat de man op zoek naar een baan met een hoger inkomen dan zijn uitzendwerk nu opdat hij de huur van de echtelijke woning kan bekostigen.
De vrouw heeft op de zitting ermee ingestemd dat na drie maanden een zorgregeling in de vorm van birdnesting te hebben uitgevoerd, de man in de woning kan blijven. Voor de voorlopige voorzieningenprocedure zal de rechtbank de man daarom na deze drie maanden het uitsluitend gebruik van de woning toekennen. Na drie maanden, of zoveel eerder als de vrouw een andere woning heeft betrokken, zal de zorgregeling vanuit de eigen woningen van partijen plaatsvinden.
Hoe de zorgregeling er dan uit zou moeten zien houdt partijen verdeeld. De vrouw vindt dat een regeling op basis van 5-5-2-2 in het belang van de kinderen is, omdat de kinderen met een week-op-week-af regeling te gescheiden zijn van de andere ouder. De man vindt een regeling waarbij de kinderen drie dagen per week bij de vrouw zijn en vier dagen per week bij de man het meest in hun belang. De rechtbank zal bepalen dat de week-op-week-af regeling na drie maanden door blijft lopen, vanuit de dan eigen woningen van partijen. De kinderen hebben belang bij duidelijkheid, continuïteit en zo min mogelijk spanningen tussen de ouders. Met een week-op-week-af regeling is het aantal wisselmomenten tussen de ouders minimaal, waarmee de kans op spanningen en escalatie tussen de ouders is beperkt. Pas als de onderlinge communicatie is verbeterd, is er naar het oordeel van de rechtbank ruimte voor een eventuele andere invulling van de co-ouderschapsregeling.
Toevertrouwing kinderen
Beide partijen hebben de toevertrouwing van de kinderen verzocht. Hoewel de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastlegt gebaseerd op een co-ouderschapsregeling, acht zij het toch van belang te bepalen dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd. Dit is gelegen in het feit dat de man een verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend bij de Latin Ecclesiatical Court Jerusalem in Israël en hij daarin heeft verzocht om het eenhoofdig gezag over de kinderen te verkrijgen. De rechtbank acht het daarom van belang dat voor de duur van de echtscheidingsprocedure de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd.
Voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie
De man verzoekt een voorlopige kinder- en partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Kinderalimentatie
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van € 1.086,- per maand bedraagt, te weten € 543,- per kind per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van haar inkomen van € 6.269,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een dertiende maand, volgend uit de door haar overgelegde loonstroken. De rechtbank zal de berekening van de vrouw hierin volgen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van afgerond € 336,- per maand;
de premie AP van afgerond € 5,- per maand;
de premie PAWW van afgerond € 6,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting;
de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 5.203,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of uitgegaan moet worden van het woonbudget of van de werkelijke woonlasten van de vrouw voor de berekening van haar draagkracht. De vrouw heeft op de zitting verteld dat de totale huur van de echtelijke woning € 1.745,- per maand bedraagt, inclusief servicekosten waaronder kosten voor gas, water en licht. Deze laatste kostenzijn volgens het rapport Alimentatienormen verdisconteerd in de noodzakelijke kosten van € 1.310,- per maand. De kale huur en servicekosten exclusief de kosten voor gas, water en licht komen naar het oordeel van de rechtbank niet substantieel boven het woonbudget uit, dat op basis van het NBI van de vrouw € 1.561,- per maand bedraagt. De rechtbank zal daarom uitgaan van het woonbudget.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.632,- per maand.
Draagkracht man
Tussen partijen is het te hanteren inkomen voor zijn draagkracht in geschil. De man stelt dat van een gemiddeld maandinkomen van € 1.250,- bruto uitgegaan moet worden, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. In de zomermaanden heeft de man meer kunnen verdienen door (onregelmatigheids)diensten van collega’s over te nemen. Dit zal straks niet meer mogelijk zijn. De vrouw vindt dat van een inkomen van € 700,- bruto per week uitgegaan moet worden te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank zal uitgaan van een inkomen van € 700,- (inclusief vakantiegeld) bruto per week. Op basis van de loonstroken die de man heeft overgelegd verdiende hij gemiddeld € 608,- bruto per week. De man zal over drie maanden met zijn eigen inkomen de huur van de echtelijke woning moeten dragen waarbij een dergelijk inkomen ook noodzakelijk zal zijn. De man is hard opzoek naar een baan met een hoger inkomen, zodat de rechtbank van oordeel is dat hiervan ten minste uitgegaan kan worden.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van € 96,65 per vier weken;
de premie PAWW van € 2,43 per vier weken;
de premie AZV van € 14,76 per vier weken.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 2.687 per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 400,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.032,- per maand (€ 1.632 + € 400). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Volgens het Rapport Alimentatienormen 2025 geldt als uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) betaalt. Bij een co-ouderschapsregeling draagt iedere ouder 35% aan zorgkosten en draagt de ouder bij wie het kind hoofdverblijf heeft de overige 30% verblijfsoverstijgende kosten. Overwogen wordt dat ook bij co-ouderschap het uitgangspunt is dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van de kinderen bijdragen, ongeacht bij welke ouder hoofdverblijfplaats van een kind is bepaald (ECLI:NL:HR:2022:1924). In deze voorlopige voorzieningenprocedure zijn de kinderen aan de vrouw toevertrouwd, zodat de rechtbank aanneemt dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten zal betalen.
Van de totale behoefte van komt een gedeelte van € 872,- per maand voor rekening van de vrouw. Een gedeelte van € 214,- per maand komt voor rekening van de man.
Daarbij heeft de rechtbank een zorgkorting van 35% van de behoefte tot uitgangspunt genomen, gelet op de co-ouderschapsregeling. De zorgkorting bedraagt dan € 380,- (35% x € 1.086).
Dit betekent dat de man na aftrek van de zorgkorting voor een bedrag van € 166,- niet zelf in de kosten van de kinderen kan voorzien (€ 214 -/- € 380) (€ 83,- per kind per maand). De vrouw dient dit aan de man te betalen. De rechtbank zal dit bedrag aan kinderalimentatie vaststellen per datum beschikking.
Voorlopige partneralimentatie
De rechtbank zal geen bijdrage aan voorlopige partneralimentatie vaststellen. De vrouw draagt alle woonlasten voor de echtelijke woning en zal dit de komende drie maanden, totdat zij een nieuwe woning tot haar beschikking heeft, blijven doen. De man heeft daarnaast zijn behoefte en zijn aanvullende behoefte niet onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man vanaf drie maanden na heden, te weten vanaf 1 december 2025, bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], en beveelt mitsdien dat de vrouw vanaf dat moment die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats],
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat de kinderen voorlopig, voor de eerste drie maanden na heden, volgens een birdnest-regeling, de ene week met de vrouw in de echtelijke woning verblijven en de andere week met de man, en na drie maanden voorlopig volgens een week-op-week-af regeling de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder zullen verblijven;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 166,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2025.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5559
Zaaknummer: C/09/688916
Datum beschikking: 4 september 2025
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 22 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.C. Burger te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. van Bendegem te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het F9-formulier van 18 augustus 2025 van de zijde van de man met bijlage;
- het F9-formulier van 18 augustus 2025 van de zijde van de man met bijlagen;
- het F9-formulier van 19 augustus 2025 van de zijde van de vrouw met bijlagen;
- het F9-formluier van 20 augustus 2025 van de zijde van de man met bijlagen.
Op 21 augustus 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Arabisch. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is [naam] verschenen.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1], [land].
- Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats].
- De kinderen verblijven momenteel bij de vrouw.
- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
- De vrouw en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en de man is Palestijn.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig thans nog:
- primair te bepalen dat de behandeling van het verzoekschrift van de vrouw wordt aangehouden op grond van naar de rechtbank begrijpt artikel 12 Rv;
subsidiair:
- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden met afgifte van alle sleutels van de woning;
- de minderjarige kinderen van partijen aan de man worden toevertrouwd;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij de kinderen drie dagen bij de vrouw en vier dagen per week bij de man verblijven;
- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van € 429,- per maand wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zulks uiterlijk op de eerste van iedere maand, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 645,- per maand wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zulks uiterlijk op de eerste van iedere maand, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Op de zitting heeft de man zijn verzoek tot aanhouding van de verzoeken ingetrokken.
Beoordeling
Overeenstemming op zitting
Paspoorten
Op de zitting zijn partijen een voorlopige zorgregeling overeengekomen. Belangrijk voor de uitvoering hiervan is dat zij een afspraak hebben gemaakt over de Nederlandse en Palestijnse paspoorten van de kinderen. Tot aan de zitting had de man deze onder zich. De vrouw wilde niet dat de man contact had met de kinderen, zolang hij hun paspoorten in bezit had. Beide partijen wantrouwen elkaar over en weer met de paspoorten in beheer, omdat zij beiden bang zijn dat de ander met de kinderen naar het buitenland vertrekt. Zij hebben daarom afgesproken dat de advocaat van de man de paspoorten van de kinderen op haar kantoor voorlopig in beheer zal houden. Partijen hebben afgesproken dat zij dit de dag na de zitting regelen en dat de vrouw naar het kantoor van de advocaat van de man kan komen om te kunnen zien dat de paspoorten daar zijn.
Voorlopige zorgregeling en uitsluitend gebruik van de woning
Partijen zijn overeengekomen dat de kinderen vanaf 22 augustus 2025 vanaf het huis van de ouders van de vrouw weer terug zullen keren naar de echtelijke woning. Vanaf de start van het schooljaar zullen partijen een week-op-week-af regeling hanteren in de echtelijke woning (birdnesting), waarbij de kinderen in de eerste schoolweek (de eerste week van september) met de man in de echtelijke woning zullen verblijven en de week erna met de vrouw, enzovoorts. Deze birdnestingsregeling zullen partijen drie maanden uitvoeren. In de komende periode gaat de vrouw op zoek naar een nieuwe woning en gaat de man op zoek naar een baan met een hoger inkomen dan zijn uitzendwerk nu opdat hij de huur van de echtelijke woning kan bekostigen.
De vrouw heeft op de zitting ermee ingestemd dat na drie maanden een zorgregeling in de vorm van birdnesting te hebben uitgevoerd, de man in de woning kan blijven. Voor de voorlopige voorzieningenprocedure zal de rechtbank de man daarom na deze drie maanden het uitsluitend gebruik van de woning toekennen. Na drie maanden, of zoveel eerder als de vrouw een andere woning heeft betrokken, zal de zorgregeling vanuit de eigen woningen van partijen plaatsvinden.
Hoe de zorgregeling er dan uit zou moeten zien houdt partijen verdeeld. De vrouw vindt dat een regeling op basis van 5-5-2-2 in het belang van de kinderen is, omdat de kinderen met een week-op-week-af regeling te gescheiden zijn van de andere ouder. De man vindt een regeling waarbij de kinderen drie dagen per week bij de vrouw zijn en vier dagen per week bij de man het meest in hun belang. De rechtbank zal bepalen dat de week-op-week-af regeling na drie maanden door blijft lopen, vanuit de dan eigen woningen van partijen. De kinderen hebben belang bij duidelijkheid, continuïteit en zo min mogelijk spanningen tussen de ouders. Met een week-op-week-af regeling is het aantal wisselmomenten tussen de ouders minimaal, waarmee de kans op spanningen en escalatie tussen de ouders is beperkt. Pas als de onderlinge communicatie is verbeterd, is er naar het oordeel van de rechtbank ruimte voor een eventuele andere invulling van de co-ouderschapsregeling.
Toevertrouwing kinderen
Beide partijen hebben de toevertrouwing van de kinderen verzocht. Hoewel de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastlegt gebaseerd op een co-ouderschapsregeling, acht zij het toch van belang te bepalen dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd. Dit is gelegen in het feit dat de man een verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend bij de Latin Ecclesiatical Court Jerusalem in Israël en hij daarin heeft verzocht om het eenhoofdig gezag over de kinderen te verkrijgen. De rechtbank acht het daarom van belang dat voor de duur van de echtscheidingsprocedure de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd.
Voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie
De man verzoekt een voorlopige kinder- en partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Kinderalimentatie
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van € 1.086,- per maand bedraagt, te weten € 543,- per kind per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van haar inkomen van € 6.269,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een dertiende maand, volgend uit de door haar overgelegde loonstroken. De rechtbank zal de berekening van de vrouw hierin volgen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van afgerond € 336,- per maand;
de premie AP van afgerond € 5,- per maand;
de premie PAWW van afgerond € 6,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting;
de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 5.203,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of uitgegaan moet worden van het woonbudget of van de werkelijke woonlasten van de vrouw voor de berekening van haar draagkracht. De vrouw heeft op de zitting verteld dat de totale huur van de echtelijke woning € 1.745,- per maand bedraagt, inclusief servicekosten waaronder kosten voor gas, water en licht. Deze laatste kostenzijn volgens het rapport Alimentatienormen verdisconteerd in de noodzakelijke kosten van € 1.310,- per maand. De kale huur en servicekosten exclusief de kosten voor gas, water en licht komen naar het oordeel van de rechtbank niet substantieel boven het woonbudget uit, dat op basis van het NBI van de vrouw € 1.561,- per maand bedraagt. De rechtbank zal daarom uitgaan van het woonbudget.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.632,- per maand.
Draagkracht man
Tussen partijen is het te hanteren inkomen voor zijn draagkracht in geschil. De man stelt dat van een gemiddeld maandinkomen van € 1.250,- bruto uitgegaan moet worden, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. In de zomermaanden heeft de man meer kunnen verdienen door (onregelmatigheids)diensten van collega’s over te nemen. Dit zal straks niet meer mogelijk zijn. De vrouw vindt dat van een inkomen van € 700,- bruto per week uitgegaan moet worden te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank zal uitgaan van een inkomen van € 700,- (inclusief vakantiegeld) bruto per week. Op basis van de loonstroken die de man heeft overgelegd verdiende hij gemiddeld € 608,- bruto per week. De man zal over drie maanden met zijn eigen inkomen de huur van de echtelijke woning moeten dragen waarbij een dergelijk inkomen ook noodzakelijk zal zijn. De man is hard opzoek naar een baan met een hoger inkomen, zodat de rechtbank van oordeel is dat hiervan ten minste uitgegaan kan worden.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de pensioenpremie van € 96,65 per vier weken;
de premie PAWW van € 2,43 per vier weken;
de premie AZV van € 14,76 per vier weken.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 2.687 per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 400,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.032,- per maand (€ 1.632 + € 400). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Volgens het Rapport Alimentatienormen 2025 geldt als uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) betaalt. Bij een co-ouderschapsregeling draagt iedere ouder 35% aan zorgkosten en draagt de ouder bij wie het kind hoofdverblijf heeft de overige 30% verblijfsoverstijgende kosten. Overwogen wordt dat ook bij co-ouderschap het uitgangspunt is dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van de kinderen bijdragen, ongeacht bij welke ouder hoofdverblijfplaats van een kind is bepaald (ECLI:NL:HR:2022:1924). In deze voorlopige voorzieningenprocedure zijn de kinderen aan de vrouw toevertrouwd, zodat de rechtbank aanneemt dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten zal betalen.
Van de totale behoefte van komt een gedeelte van € 872,- per maand voor rekening van de vrouw. Een gedeelte van € 214,- per maand komt voor rekening van de man.
Daarbij heeft de rechtbank een zorgkorting van 35% van de behoefte tot uitgangspunt genomen, gelet op de co-ouderschapsregeling. De zorgkorting bedraagt dan € 380,- (35% x € 1.086).
Dit betekent dat de man na aftrek van de zorgkorting voor een bedrag van € 166,- niet zelf in de kosten van de kinderen kan voorzien (€ 214 -/- € 380) (€ 83,- per kind per maand). De vrouw dient dit aan de man te betalen. De rechtbank zal dit bedrag aan kinderalimentatie vaststellen per datum beschikking.
Voorlopige partneralimentatie
De rechtbank zal geen bijdrage aan voorlopige partneralimentatie vaststellen. De vrouw draagt alle woonlasten voor de echtelijke woning en zal dit de komende drie maanden, totdat zij een nieuwe woning tot haar beschikking heeft, blijven doen. De man heeft daarnaast zijn behoefte en zijn aanvullende behoefte niet onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man vanaf drie maanden na heden, te weten vanaf 1 december 2025, bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], en beveelt mitsdien dat de vrouw vanaf dat moment die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats],
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat de kinderen voorlopig, voor de eerste drie maanden na heden, volgens een birdnest-regeling, de ene week met de vrouw in de echtelijke woning verblijven en de andere week met de man, en na drie maanden voorlopig volgens een week-op-week-af regeling de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder zullen verblijven;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 166,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2025.