Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28044
2025-11-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.20075
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De minister heeft het bestreden besluit ingetrokken en daarna geen nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser heeft genomen, waardoor er niet tijdig is beslist op die aanvraag. Dat betekent dat sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag wordt daarom vernietigd.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2013:BY8849 Raad van State 11-01-2013
- ECLI:NL:RVS:2018:3934 Raad van State 03-12-2018
- ECLI:NL:RVS:2020:1560 Raad van State 08-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2018:380 Raad van State 07-02-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.018 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.20075
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Volker).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 22 april 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2. Bij besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
4. Bij brief van 26 juni 2025 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken en eiser bericht dat opnieuw op de aanvraag zal worden beslist.
5. In reactie hierop heeft eiser bij brief van 30 juni 2025 de rechtbank verzocht om het beroep aan te merken als een beroep gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Daarbij heeft eiser de rechtbank verzocht om de minister een termijn en daarbij een dwangsom op te leggen om een besluit op de aanvraag te nemen. Ook heeft eiser de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de kosten van de procedure.
6. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen over de kosten van het door hem overgelegde deskundigenrapport. Dit heeft eiser gedaan. De minister en eiser hebben tijdens de zitting al
toestemming gegeven om daarna het onderzoek te sluiten. De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak.
Overwegingen
Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit
8. In artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - voor zover hier van belang – is bepaald dat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
9. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een dergelijk belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, aangezien het bestreden besluit inmiddels is ingetrokken en eiser niet heeft gesteld dat en welk belang hij heeft bij een rechtmatigheidsoordeel over dat besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang.
Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
10. In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
11. De rechtbank leidt uit de reactie van 30 juni 2025 af dat eiser zich op het standpunt stelt dat sprake is van het niet tijdig nemen van dat besluit, omdat de minister het intrekkingsbesluit niet heeft laten volgen door een nieuw besluit op de aanvraag van 22 april 2024.
12. In artikel 6:2, onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven.
13. De rechtbank stelt vast dat de minister na het intrekkingsbesluit geen nieuw besluit op de aanvraag van eiser heeft genomen, waardoor er niet tijdig is beslist op die aanvraag. De minister had kunnen weten dat deze situatie zou ontstaan. Dat betekent dat sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld. Een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb kan onder deze omstandigheden redelijkerwijs niet van eiser worden verlangd (zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8849, en 3 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3934). Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag wordt daarom vernietigd.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
14. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, moet hij dit alsnog doen. De rechtbank zal een termijn stellen waarbinnen de minister het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Ter zitting heeft de minister verzocht om een termijn van zestien weken. De minister heeft toegelicht welke stappen nog ondernomen moeten worden. Daarbij gaf de minister aan acht weken nodig te hebben voor het plannen en het houden van het gehoor met eiser. Vervolgens zou de minister nog acht weken nodig hebben voor het uitbrengen van het voornemen en het nieuwe besluit.
15. Ingevolge artikel 8:55d van de Awb is de nadere beslistermijn in beginsel twee weken, maar kan in bijzondere omstandigheden een andere nadere beslistermijn worden vastgesteld. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560). De rechtbank stelt vast dat op het moment dat de rechtbank uitspraak doet in deze zaak, de door de minister gevraagde nadere beslistermijn van zestien weken al is verstreken. De rechtbank bepaalt dan ook dat de minister binnen de standaardtermijn van twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
16. De rechtbank verbindt op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 7.500,-.
Komen de kosten van het deskundigenrapport voor vergoeding in aanmerking?
17. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt voor het inschakelen van een deskundige. Hiertoe voert eiser het volgende aan. Eiser heeft naar aanleiding van de verklaring van onderzoek van 21 augustus 2024 van Bureau Documenten een deskundige ingeschakeld voor het opstellen van contra-expertise. Omdat eiser niet kon weten dat de minister het bestreden besluit zou intrekken, meent eiser dat het niet onredelijk is om de kosten voor dit rapport door de minister te laten vergoeden.
18. De minister stelt zich op het standpunt dat hij de kosten voor het deskundigenrapport niet hoeft te vergoeden omdat het deskundigenrapport pas in de beroepsfase is ingebracht in de procedure. De minister wijst in dit kader op de datum die vermeld is op het deskundigenrapport, namelijk 27 juni 2025. Aangezien het bestreden besluit werd ingetrokken op 26 juni 2025, kan het deskundigenrapport volgens de minister niet de aanleiding zijn geweest voor de intrekking van het bestreden besluit.
19. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van een deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn (uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380).
20. De rechtbank is van oordeel dat het inroepen van de deskundige door eiser redelijk was. Als maatstaf wordt namelijk gehanteerd of de vreemdeling die de deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren. De rechtbank overweegt dat het redelijk is dat eiser het resultaat van Bureau Documenten wilde bestrijden en daarvoor een deskundige inschakelde. Uit het rapport blijkt ook voldoende dat de deskundige inhoudelijk de resultaten van Bureau Documenten betwist.
21. Het standpunt van de minister, dat het deskundigenrapport te laat in de procedure is gebracht, volgt de rechtbank niet. Immers, van belang is niet de datum van het deskundigenrapport of wanneer deze is ingebracht, maar het moment van inroeping van de deskundige. De rechtbank acht hierbij van belang dat de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 21 augustus 2024 pas op 26 februari 2025 naar eiser is gestuurd. Vervolgens heeft eiser bij brief van 10 april 2025 aan de minister om uitstel verzocht in verband met het laten uitvoeren van de contra-expertise. Uit dit verzoek om uitstel en de datum van 8 mei 2025op de factuur van de deskundige volgt dat eiser ruim voor intrekking van het bestreden besluit al bezig was met het laten opstellen van contra-expertise.
22. Dat het deskundigenrapport niet heeft geleid tot intrekking van het bestreden besluit is niet van belang. De maatstaf is immers of het inroepen van de deskundige redelijk was. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is dat in dit geval zo.
23. Ten aanzien van de kosten voor het deskundigenrapport stelt de rechtbank voorop dat ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:15, vierde lid, van de Awb en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het uurtarief voor deskundigenonderzoek forfaitair wordt bepaald overeenkomstig de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor het verrichten van onderzoek waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, een tarief van ten hoogste € 162,63 per uur naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn.
24. Uit de factuur van 8 mei 2025 volgt dat de deskundigenkosten 600 Britse Pond bedragen. Ter zitting is vastgesteld dat dit gelijkstaat aan € 692,38. Daarnaast heeft eiser op 19 augustus 2025 een kostenspecificatie van de deskundige aan het dossier toegevoegd waarin staat dat het uurtarief van de deskundige € 162,- bedraagt en dat de deskundige 5 uur heeft besteed aan het onderzoek en het opstellen van het rapport. De rechtbank acht het aannemelijk dat de deskundige vijf uur heeft besteed aan het opstellen van het rapport. Daarnaast overschrijdt het uurtarief van de deskundige de hierboven beschreven norm niet.
25. Omdat het inroepen van de deskundige in dit geval redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn, komen de kosten van het deskundigenrapport die eiser gemaakt heeft voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang. Omdat de minister dit besluit heeft ingetrokken, veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de door eiser in verband met dit beroep gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,- per punt. Ook moet de minister de kosten vergoeden die eiser heeft gemaakt voor het deskundigenrapport dat hij heeft laten opmaken in verband met het bestreden besluit. Die kosten bedragen € 692,38.
27. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
28. Omdat het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 punt voor het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig beslissen en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,-. Voor het beroepschrift hanteert de rechtbank een wegingsfactor van 1, ondanks dat het gaat om een beroep niet tijdig beslissen waarvoor in de regel een wegingsfactor van 0,5 geldt. De reden daarvoor is dat de minister dat heeft aangeboden. De rechtbank zal voor de zitting echter een wegingsfactor van o,5 hanteren. Toegekend wordt € 1.360,50.
29. Dat betekent dat de rechtbank de minister veroordeelt tot vergoeding van proceskosten aan eiser van in totaal € 2.959,88 (namelijk € 907,- en € 692,38 in het beroep tegen het bestreden besluit en € 1.360,50 in het beroep niet tijdig beslissen).
30. Tot slot merkt de rechtbank op dat eiser ter zitting heeft bevestigd dat hij zijn verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep heeft ingetrokken. Eiser en de minister zijn het ter zitting eens geworden over een proceskostenvergoeding in die zaak (te weten 1 punt voor het indienen van het verzoek). De rechtbank gaat ervan uit dat partijen dit onderling afhandelen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 24 april 2025 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag van eiser bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.959,88.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.20075
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Volker).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 22 april 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2. Bij besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
4. Bij brief van 26 juni 2025 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken en eiser bericht dat opnieuw op de aanvraag zal worden beslist.
5. In reactie hierop heeft eiser bij brief van 30 juni 2025 de rechtbank verzocht om het beroep aan te merken als een beroep gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Daarbij heeft eiser de rechtbank verzocht om de minister een termijn en daarbij een dwangsom op te leggen om een besluit op de aanvraag te nemen. Ook heeft eiser de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de kosten van de procedure.
6. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen over de kosten van het door hem overgelegde deskundigenrapport. Dit heeft eiser gedaan. De minister en eiser hebben tijdens de zitting al
toestemming gegeven om daarna het onderzoek te sluiten. De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak.
Overwegingen
Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit
8. In artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - voor zover hier van belang – is bepaald dat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
9. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een dergelijk belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, aangezien het bestreden besluit inmiddels is ingetrokken en eiser niet heeft gesteld dat en welk belang hij heeft bij een rechtmatigheidsoordeel over dat besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang.
Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
10. In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
11. De rechtbank leidt uit de reactie van 30 juni 2025 af dat eiser zich op het standpunt stelt dat sprake is van het niet tijdig nemen van dat besluit, omdat de minister het intrekkingsbesluit niet heeft laten volgen door een nieuw besluit op de aanvraag van 22 april 2024.
12. In artikel 6:2, onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven.
13. De rechtbank stelt vast dat de minister na het intrekkingsbesluit geen nieuw besluit op de aanvraag van eiser heeft genomen, waardoor er niet tijdig is beslist op die aanvraag. De minister had kunnen weten dat deze situatie zou ontstaan. Dat betekent dat sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld. Een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb kan onder deze omstandigheden redelijkerwijs niet van eiser worden verlangd (zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8849, en 3 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3934). Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag wordt daarom vernietigd.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
14. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, moet hij dit alsnog doen. De rechtbank zal een termijn stellen waarbinnen de minister het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Ter zitting heeft de minister verzocht om een termijn van zestien weken. De minister heeft toegelicht welke stappen nog ondernomen moeten worden. Daarbij gaf de minister aan acht weken nodig te hebben voor het plannen en het houden van het gehoor met eiser. Vervolgens zou de minister nog acht weken nodig hebben voor het uitbrengen van het voornemen en het nieuwe besluit.
15. Ingevolge artikel 8:55d van de Awb is de nadere beslistermijn in beginsel twee weken, maar kan in bijzondere omstandigheden een andere nadere beslistermijn worden vastgesteld. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560). De rechtbank stelt vast dat op het moment dat de rechtbank uitspraak doet in deze zaak, de door de minister gevraagde nadere beslistermijn van zestien weken al is verstreken. De rechtbank bepaalt dan ook dat de minister binnen de standaardtermijn van twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
16. De rechtbank verbindt op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 7.500,-.
Komen de kosten van het deskundigenrapport voor vergoeding in aanmerking?
17. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt voor het inschakelen van een deskundige. Hiertoe voert eiser het volgende aan. Eiser heeft naar aanleiding van de verklaring van onderzoek van 21 augustus 2024 van Bureau Documenten een deskundige ingeschakeld voor het opstellen van contra-expertise. Omdat eiser niet kon weten dat de minister het bestreden besluit zou intrekken, meent eiser dat het niet onredelijk is om de kosten voor dit rapport door de minister te laten vergoeden.
18. De minister stelt zich op het standpunt dat hij de kosten voor het deskundigenrapport niet hoeft te vergoeden omdat het deskundigenrapport pas in de beroepsfase is ingebracht in de procedure. De minister wijst in dit kader op de datum die vermeld is op het deskundigenrapport, namelijk 27 juni 2025. Aangezien het bestreden besluit werd ingetrokken op 26 juni 2025, kan het deskundigenrapport volgens de minister niet de aanleiding zijn geweest voor de intrekking van het bestreden besluit.
19. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van een deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn (uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380).
20. De rechtbank is van oordeel dat het inroepen van de deskundige door eiser redelijk was. Als maatstaf wordt namelijk gehanteerd of de vreemdeling die de deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren. De rechtbank overweegt dat het redelijk is dat eiser het resultaat van Bureau Documenten wilde bestrijden en daarvoor een deskundige inschakelde. Uit het rapport blijkt ook voldoende dat de deskundige inhoudelijk de resultaten van Bureau Documenten betwist.
21. Het standpunt van de minister, dat het deskundigenrapport te laat in de procedure is gebracht, volgt de rechtbank niet. Immers, van belang is niet de datum van het deskundigenrapport of wanneer deze is ingebracht, maar het moment van inroeping van de deskundige. De rechtbank acht hierbij van belang dat de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 21 augustus 2024 pas op 26 februari 2025 naar eiser is gestuurd. Vervolgens heeft eiser bij brief van 10 april 2025 aan de minister om uitstel verzocht in verband met het laten uitvoeren van de contra-expertise. Uit dit verzoek om uitstel en de datum van 8 mei 2025op de factuur van de deskundige volgt dat eiser ruim voor intrekking van het bestreden besluit al bezig was met het laten opstellen van contra-expertise.
22. Dat het deskundigenrapport niet heeft geleid tot intrekking van het bestreden besluit is niet van belang. De maatstaf is immers of het inroepen van de deskundige redelijk was. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is dat in dit geval zo.
23. Ten aanzien van de kosten voor het deskundigenrapport stelt de rechtbank voorop dat ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:15, vierde lid, van de Awb en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het uurtarief voor deskundigenonderzoek forfaitair wordt bepaald overeenkomstig de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor het verrichten van onderzoek waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, een tarief van ten hoogste € 162,63 per uur naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn.
24. Uit de factuur van 8 mei 2025 volgt dat de deskundigenkosten 600 Britse Pond bedragen. Ter zitting is vastgesteld dat dit gelijkstaat aan € 692,38. Daarnaast heeft eiser op 19 augustus 2025 een kostenspecificatie van de deskundige aan het dossier toegevoegd waarin staat dat het uurtarief van de deskundige € 162,- bedraagt en dat de deskundige 5 uur heeft besteed aan het onderzoek en het opstellen van het rapport. De rechtbank acht het aannemelijk dat de deskundige vijf uur heeft besteed aan het opstellen van het rapport. Daarnaast overschrijdt het uurtarief van de deskundige de hierboven beschreven norm niet.
25. Omdat het inroepen van de deskundige in dit geval redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn, komen de kosten van het deskundigenrapport die eiser gemaakt heeft voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang. Omdat de minister dit besluit heeft ingetrokken, veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de door eiser in verband met dit beroep gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,- per punt. Ook moet de minister de kosten vergoeden die eiser heeft gemaakt voor het deskundigenrapport dat hij heeft laten opmaken in verband met het bestreden besluit. Die kosten bedragen € 692,38.
27. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
28. Omdat het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 punt voor het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig beslissen en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,-. Voor het beroepschrift hanteert de rechtbank een wegingsfactor van 1, ondanks dat het gaat om een beroep niet tijdig beslissen waarvoor in de regel een wegingsfactor van 0,5 geldt. De reden daarvoor is dat de minister dat heeft aangeboden. De rechtbank zal voor de zitting echter een wegingsfactor van o,5 hanteren. Toegekend wordt € 1.360,50.
29. Dat betekent dat de rechtbank de minister veroordeelt tot vergoeding van proceskosten aan eiser van in totaal € 2.959,88 (namelijk € 907,- en € 692,38 in het beroep tegen het bestreden besluit en € 1.360,50 in het beroep niet tijdig beslissen).
30. Tot slot merkt de rechtbank op dat eiser ter zitting heeft bevestigd dat hij zijn verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep heeft ingetrokken. Eiser en de minister zijn het ter zitting eens geworden over een proceskostenvergoeding in die zaak (te weten 1 punt voor het indienen van het verzoek). De rechtbank gaat ervan uit dat partijen dit onderling afhandelen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 24 april 2025 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag van eiser bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.959,88.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.