Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28038
2025-11-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.44597 en NL25.44598
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
asiel. opvolgende aanvraag. algerijnse nationaliteit. identiteit nationaliteit en herkomst geloofwaardig. seksuele gerichtheid en de problemen die hieruit volgen ongeloofwaardig. verklaringen vaag en wisselend. grote lijnen niet geloofwaardig. terecht inreisverbod opgelegd
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14853 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3440 Rechtbank Den Haag 06-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:139 Rechtbank Den Haag 07-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.164 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44597 (beroep) en NL25.44598 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 27 augustus 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Hamidi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Vorige procedures
2. Eiser heeft op 19 februari 2024 zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Vervolgens heeft eiser op 24 februari 2025 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Eiser is 4 maart 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Eiser heeft deze aanvraag dus niet afgewacht in Nederland
2.1.
Eiser heeft aan zijn vorige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn jeugdvriend [naam 1] op 4 mei 2019 is overleden tijdens zijn oversteek naar Europa en dat eiser sindsdien problemen heeft ervaren met de familie van [naam 1] .
Het asielrelaas
3. Eiser heeft verklaard dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum] 1999. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor problemen heeft ervaren. Eiser verbleef in Duitsland toen hij [naam 2] ontmoette op een festival en hij heeft hierna een relatie met hem gekregen. Eiser is op 21 december 2022 teruggestuurd naar Algerije omdat zijn verblijfsvergunning afliep. Bij terugkeer in Algerije is hij in oktober 2023 door zijn vader betrapt toen hij met jeugdvriend [naam 1] op zijn kamer was. Eiser heeft hierdoor problemen gekregen met zijn familie. De vader van eiser heeft zelfs aangifte tegen hem gedaan wegens zijn homoseksualiteit. Eiser vreest vanwege deze aangifte voor de autoriteiten, maar ook voor zijn familie. Eiser heeft gedurende zijn verblijf in Nederland een relatie gekregen met een homoseksuele man, genaamd [naam 3] .
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; en
eisers seksuele gerichtheid en de problemen die hieruit zijn ontstaan.
4.1.
Verweerder vindt het eerste asielmotief van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt eisers seksuele gerichtheid en de problemen die hieruit zijn ontstaan niet geloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd om dit asielmotief te onderbouwen. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt, maar dit is niet het geval. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor heeft hij geen goede verklaring. Ook heeft eiser niet samenhangend en aannemelijk verklaard en kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd omdat hij in de vorige procedure met onbekende bestemming is vertrokken. Het geloofwaardig geachte asielmotief is volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen. Ook gaat het om een opvolgende aanvraag, dat niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt nu hij niet in samenhang alle voorwaarden onder artikel 31, zesde lid Vw heeft beoordeeld maar enkel heeft beoordeeld dat eiser niet voldoet aan drie van de vijf voorwaarden. Hiervoor verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Groningen. Ook wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over onder andere zijn biseksualiteit, zijn relatie met [naam 2] , over het overlijden van zijn vader en over die van zijn vriend [naam 1] . De verklaringen van de eerste dag van het nader gehoor kunnen eiser niet worden tegengeworpen nu het gehoor eerder is gestopt vanwege het feit dat eiser ziek was. Ook heeft verweerder ten onrechte niet de verklaringen van eiser over de problemen in Algerije betrokken bij zijn beoordeling. Eiser is inderdaad tijdens zijn eerste procedure niet eerlijk geweest maar niet kan hem worden verweten dat hij tijdens eerdere procedures met onbekende bestemming is vertrokken nu hij de instructies opvolgde van de bewakers bij de opheffing van zijn bewaring. Ten slotte is aan eiser ten onrechte een inreisverbod uitgevaardigd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de geloofwaardigheid van de asielaanvraag van eiser op juiste wijze heeft beoordeeld. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft op 6 maart 2025 uitspraak gedaan over onder meer de vraag of de nieuwe werkwijze van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat de nieuwe werkwijze niet in zijn algemeenheid in strijd is met het Unierecht. Wel moet verweerder alle omstandigheden in een specifiek geval altijd in samenhang beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw kunnen dus niet als strikte checklist worden getoetst door verweerder. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat verweerder de nieuwe werkwijze met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in zijn algemeenheid al in strijd is met het Unierecht, slaagt dat betoog dus niet. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in de gestelde prejudiciële vragen geen aanleiding voor een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling juist toegepast. Verweerder heeft weldegelijk – en kenbaar – de verklaringen van eiser in samenhang beoordeeld. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de meervoudige kamer in Groningen verandert het oordeel gelet op het voorgaande dus ook niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling seksuele gerichtheid
7.1.
Verweerder moet op grond van werkinstructie 2019/17 de gestelde seksuele gerichtheid in ieder geval aan de hand van de volgende vier thema’s beoordelen:
privéleven;
huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen;
contact met lhbti’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; en
discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst.
7.2.
Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen. Als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar lhbti-gerichtheid niet wordt geaccepteerd en misschien zelfs strafbaar is, mag van een vreemdeling worden verwacht dat hij inzicht kan geven in een denkproces over wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij of wet verlangt en hoe hij daar invulling aan geeft.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
8.1.
Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid vaag zijn. Zo heeft eiser wisselend en vaag verklaard over naar welk geslacht zijn seksuele voorkeur uitgaat. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij biseksueel is en zijn voorkeur naar beide geslachten uit gaat maar anderzijds heeft hij verklaard dat hij sinds de ontmoeting met de groep mensen op het festival alleen nog seksuele aantrekkingskracht heeft voor mannen en dat zijn aandacht voor vrouwen is verdwenen.
8.2.
Eiser heeft het in zijn verklaringen over verschillende momenten waarop hij zich realiseerde dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen. Eerst verklaart eiser dat dit moment was nadat hij naar het gayfestival in Duitsland was geweest in 2022. Vervolgens verklaart eiser dat hij hierachter kwam toen hij een relatie kreeg met een homoseksuele man in Nederland, genaamd [naam 3] . Daarna verklaart eiser ook nog dat het moment dat hij dit realiseerde was toen hij in september 2022 een relatie kreeg met [naam 2] in Duitsland. Verweerder mocht vinden dat verklaringen van eiser in de correcties & aanvullingen over hoe zijn relatie is ontstaan met [naam 2] en waarom eiser het lastig vond om zijn geaardheid te accepteren, niet opwegen tegen deze wisselende verklaringen over eisers bewustwording van zijn seksuele gerichtheid. De stelling van eiser dat deze tegenstrijdige verklaringen voortvloeien uit het proces van bewustwording waar eiser in zit en dat hij in tweestrijd leeft over zijn seksuele gerichtheid, slaagt niet nu dit niet verklaart waarom eiser tegenstrijdig, wisselend en vaag heeft verklaard. De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eiser de eerste dag van het gehoor ziek was geworden, wordt niet gevolgd nu de medische situatie van eiser op dat moment niet onderbouwd waarom hij daardoor tegenstrijdig zou verklaren.
8.3.
Ook mocht verweerder betrekken dat de verklaringen van eiser over zijn relatie met [naam 2] vaag zijn. Van belang is dat eiser concreet inzicht geeft in wat de relatie voor hem betekende en waaruit bleek dat er sprake was van liefde en romantiek en er niet enkel sprake was van een vriendschap. De stelling van eiser dat hij weldegelijk zijn gevoelens heeft weergegeven met betrekking tot de inhoud van de relatie nu hij onder andere heeft verklaard dat het voor hem mogelijk was om in deze relatie te groeien in zijn homoseksuele oriëntatie en dat hij door de relatie voelde dat dit echt iets voor hem was, slaagt niet. Hoewel eiser hiermee inzicht geeft in zijn persoonlijke beleving, maakt hij hiermee niet aannemelijk dat er sprake was van een liefdesrelatie tussen eiser en [naam 2] .
8.4.
Ook mocht verweerder betrekken dat eiser zijn verklaringen over de problemen met zijn vader tegenstrijdig zijn. Eiser heeft in deze procedure verklaard dat er een incident heeft plaatsgevonden in 2024 waarbij zijn vader hem heeft betrapt met zijn vriend [naam 1] en dat zijn vader hierna aangifte heeft gedaan tegen eiser. Echter heeft eiser in zijn eerdere aanvraag in 2024 verklaard dat zijn vader in 2021 is overleden. Nu eiser iets wezenlijk anders verklaard en zijn vader ook onderdeel uitmaakt van de reden waarom hij Algerije is ontvlucht, mag verweerder van eiser verwachten dat hij aannemelijk maakt dat de vader daadwerkelijk in leven is. Verweerder mag de overgelegde foto’s van gestelde familiebijeenkomsten waarop zijn vader zou staan, onvoldoende vinden om dit aannemelijk te maken. Dat eiser al langere tijd geen contact meer stelt te hebben met zijn vader en dat hij door zijn vader zou zijn verstoten, verandert het voorgaande niet.
8.5.
Ook mocht verweerder betrekken dat eiser wisselend heeft verklaard over [naam 1] . Eiser heeft in zijn nader gehoor in 2024 verklaard dat [naam 1] in mei 2019 is overleden tijdens de oversteek naar Europa. Echter heeft eiser in zijn aanvullende gehoor verklaard dat [naam 1] in januari 2024 is overleden. Daarnaast wordt niet gevolgd hoe de vader van eiser, die eveneens al zou zijn overleden, eiser in 2024 kan betrappen als [naam 1] toen ook al zou zijn overleden. Het standpunt van eiser dat hij zich tijdens de eerste procedure schaamde voor zijn geaardheid en dat hij daarom heeft verklaard dat zijn vriend [naam 1] zou zijn overleden wordt niet gevolgd door de rechtbank nu hij met deze stelling geen objectieve bevestiging van de feiten biedt. Eiser heeft verschillend verklaard, waardoor het aan hem is om te onderbouwen dat hetgeen hij in de huidige procedure verklaart juist is.
8.6.
Hoewel eiser bekend is met LHBTI-organisaties in Nederland en dat eiser op de hoogte is van het feit dat homoseksualiteit strafbaar is in Algerije, is dit onvoldoende om op te wegen tegen de bovengenoemde tegenstrijdige verklaringen van eiser.
9. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder ook vinden dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd nu hij zijn afgelopen aanvraag niet heeft afgewacht in Nederland. Verweerder mocht vinden dat hieruit niet blijkt dat eiser internationale bescherming nodig heeft en dat dit afbreuk doet aan de aannemelijkheid van zijn problemen. De stelling van eiser dat hij niet met onbekende bestemming is vertrokken maar enkel de instructie van de bewakers opvolgden dat hij binnen 48 uur Nederland moest verlaten verandert het oordeel niet nu eiser deze stelling verder niet heeft onderbouwd. Daarnaast mocht verweerder ook twijfelen aan de oprechtheid van eisers huidige asielaanvraag nu eiser over zijn vorige asielprocedure heeft gezegd dat hij deze niet serieus nam.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder een voldoende dragende motivering gegeven en de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en de problemen die hieruit zijn ontstaan ongeloofwaardig mogen vinden. De stelling van eiser dat ten onrechte zijn problemen in Algerije niet zijn beoordeeld slaagt niet nu eiser deze stelling niet verder heeft onderbouwd.
Zwaarwegendheid
11. Niet is aannemelijk gemaakt dat eiser als vluchteling kan worden aangemerkt en dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije. Het betoog van eiser dat homoseksualiteit strafbaar is in Algerije, dat hij zich nergens toe kan wenden om bescherming te vragen en dat hij vreest voor vervolging tot een gevangenisstraf wegens de aangifte van zijn vader is niet relevant. Nu de homoseksualiteit en de problemen die hieruit zijn ontstaan niet geloofwaardig zijn geacht.
Inreisverbod
12. Met betrekking tot het uitgevaardigde inreisverbod mocht verweerder vinden dat niet is gebleken dat het inreisverbod onevenredig is. Eiser heeft op [geboortedatum] 2025 een inreisverbod opgelegd gekregen voor de duur van twee jaar. Niet is gebleken dat eiser heeft voldaan aan de terugkeerverplichting. Het inreisverbod is daarom nog steeds van kracht. De stelling van eiser dat zijn individuele omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen slaagt niet nu eiser niet heeft onderbouwd dat er sprake is van daadwerkelijke familiebanden of een afhankelijkheidsrelatie is met zijn broer en zus in Duitsland.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw
Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw
Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw.
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Artikel 30b, eerste lid, onder f, van de Vw.
Artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.
Uitspraak van de meervoudige kamer rechtbank Groningen op 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14853
ECLI:NL:RBDHA:2025:3440
ECLI:NL:RBDHA:2025:139.
WI 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 7.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 9.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 7.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 8.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 14.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 7 en 12
Nader gehoor 27 augustus 2024, pagina 6
Nader gehoor 27 augustus 2024, pagina 8
Aanvullend gehoor, 7 september, pagina 3
Aanvullend gehoor, 7 september 2025, pagina 13.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44597 (beroep) en NL25.44598 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 27 augustus 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Hamidi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Vorige procedures
2. Eiser heeft op 19 februari 2024 zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Vervolgens heeft eiser op 24 februari 2025 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Eiser is 4 maart 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Eiser heeft deze aanvraag dus niet afgewacht in Nederland
2.1.
Eiser heeft aan zijn vorige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn jeugdvriend [naam 1] op 4 mei 2019 is overleden tijdens zijn oversteek naar Europa en dat eiser sindsdien problemen heeft ervaren met de familie van [naam 1] .
Het asielrelaas
3. Eiser heeft verklaard dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum] 1999. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor problemen heeft ervaren. Eiser verbleef in Duitsland toen hij [naam 2] ontmoette op een festival en hij heeft hierna een relatie met hem gekregen. Eiser is op 21 december 2022 teruggestuurd naar Algerije omdat zijn verblijfsvergunning afliep. Bij terugkeer in Algerije is hij in oktober 2023 door zijn vader betrapt toen hij met jeugdvriend [naam 1] op zijn kamer was. Eiser heeft hierdoor problemen gekregen met zijn familie. De vader van eiser heeft zelfs aangifte tegen hem gedaan wegens zijn homoseksualiteit. Eiser vreest vanwege deze aangifte voor de autoriteiten, maar ook voor zijn familie. Eiser heeft gedurende zijn verblijf in Nederland een relatie gekregen met een homoseksuele man, genaamd [naam 3] .
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; en
eisers seksuele gerichtheid en de problemen die hieruit zijn ontstaan.
4.1.
Verweerder vindt het eerste asielmotief van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt eisers seksuele gerichtheid en de problemen die hieruit zijn ontstaan niet geloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd om dit asielmotief te onderbouwen. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt, maar dit is niet het geval. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor heeft hij geen goede verklaring. Ook heeft eiser niet samenhangend en aannemelijk verklaard en kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd omdat hij in de vorige procedure met onbekende bestemming is vertrokken. Het geloofwaardig geachte asielmotief is volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen. Ook gaat het om een opvolgende aanvraag, dat niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt nu hij niet in samenhang alle voorwaarden onder artikel 31, zesde lid Vw heeft beoordeeld maar enkel heeft beoordeeld dat eiser niet voldoet aan drie van de vijf voorwaarden. Hiervoor verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Groningen. Ook wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over onder andere zijn biseksualiteit, zijn relatie met [naam 2] , over het overlijden van zijn vader en over die van zijn vriend [naam 1] . De verklaringen van de eerste dag van het nader gehoor kunnen eiser niet worden tegengeworpen nu het gehoor eerder is gestopt vanwege het feit dat eiser ziek was. Ook heeft verweerder ten onrechte niet de verklaringen van eiser over de problemen in Algerije betrokken bij zijn beoordeling. Eiser is inderdaad tijdens zijn eerste procedure niet eerlijk geweest maar niet kan hem worden verweten dat hij tijdens eerdere procedures met onbekende bestemming is vertrokken nu hij de instructies opvolgde van de bewakers bij de opheffing van zijn bewaring. Ten slotte is aan eiser ten onrechte een inreisverbod uitgevaardigd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de geloofwaardigheid van de asielaanvraag van eiser op juiste wijze heeft beoordeeld. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft op 6 maart 2025 uitspraak gedaan over onder meer de vraag of de nieuwe werkwijze van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat de nieuwe werkwijze niet in zijn algemeenheid in strijd is met het Unierecht. Wel moet verweerder alle omstandigheden in een specifiek geval altijd in samenhang beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw kunnen dus niet als strikte checklist worden getoetst door verweerder. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat verweerder de nieuwe werkwijze met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in zijn algemeenheid al in strijd is met het Unierecht, slaagt dat betoog dus niet. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in de gestelde prejudiciële vragen geen aanleiding voor een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling juist toegepast. Verweerder heeft weldegelijk – en kenbaar – de verklaringen van eiser in samenhang beoordeeld. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de meervoudige kamer in Groningen verandert het oordeel gelet op het voorgaande dus ook niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling seksuele gerichtheid
7.1.
Verweerder moet op grond van werkinstructie 2019/17 de gestelde seksuele gerichtheid in ieder geval aan de hand van de volgende vier thema’s beoordelen:
privéleven;
huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen;
contact met lhbti’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; en
discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst.
7.2.
Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen. Als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar lhbti-gerichtheid niet wordt geaccepteerd en misschien zelfs strafbaar is, mag van een vreemdeling worden verwacht dat hij inzicht kan geven in een denkproces over wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij of wet verlangt en hoe hij daar invulling aan geeft.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
8.1.
Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid vaag zijn. Zo heeft eiser wisselend en vaag verklaard over naar welk geslacht zijn seksuele voorkeur uitgaat. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij biseksueel is en zijn voorkeur naar beide geslachten uit gaat maar anderzijds heeft hij verklaard dat hij sinds de ontmoeting met de groep mensen op het festival alleen nog seksuele aantrekkingskracht heeft voor mannen en dat zijn aandacht voor vrouwen is verdwenen.
8.2.
Eiser heeft het in zijn verklaringen over verschillende momenten waarop hij zich realiseerde dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen. Eerst verklaart eiser dat dit moment was nadat hij naar het gayfestival in Duitsland was geweest in 2022. Vervolgens verklaart eiser dat hij hierachter kwam toen hij een relatie kreeg met een homoseksuele man in Nederland, genaamd [naam 3] . Daarna verklaart eiser ook nog dat het moment dat hij dit realiseerde was toen hij in september 2022 een relatie kreeg met [naam 2] in Duitsland. Verweerder mocht vinden dat verklaringen van eiser in de correcties & aanvullingen over hoe zijn relatie is ontstaan met [naam 2] en waarom eiser het lastig vond om zijn geaardheid te accepteren, niet opwegen tegen deze wisselende verklaringen over eisers bewustwording van zijn seksuele gerichtheid. De stelling van eiser dat deze tegenstrijdige verklaringen voortvloeien uit het proces van bewustwording waar eiser in zit en dat hij in tweestrijd leeft over zijn seksuele gerichtheid, slaagt niet nu dit niet verklaart waarom eiser tegenstrijdig, wisselend en vaag heeft verklaard. De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eiser de eerste dag van het gehoor ziek was geworden, wordt niet gevolgd nu de medische situatie van eiser op dat moment niet onderbouwd waarom hij daardoor tegenstrijdig zou verklaren.
8.3.
Ook mocht verweerder betrekken dat de verklaringen van eiser over zijn relatie met [naam 2] vaag zijn. Van belang is dat eiser concreet inzicht geeft in wat de relatie voor hem betekende en waaruit bleek dat er sprake was van liefde en romantiek en er niet enkel sprake was van een vriendschap. De stelling van eiser dat hij weldegelijk zijn gevoelens heeft weergegeven met betrekking tot de inhoud van de relatie nu hij onder andere heeft verklaard dat het voor hem mogelijk was om in deze relatie te groeien in zijn homoseksuele oriëntatie en dat hij door de relatie voelde dat dit echt iets voor hem was, slaagt niet. Hoewel eiser hiermee inzicht geeft in zijn persoonlijke beleving, maakt hij hiermee niet aannemelijk dat er sprake was van een liefdesrelatie tussen eiser en [naam 2] .
8.4.
Ook mocht verweerder betrekken dat eiser zijn verklaringen over de problemen met zijn vader tegenstrijdig zijn. Eiser heeft in deze procedure verklaard dat er een incident heeft plaatsgevonden in 2024 waarbij zijn vader hem heeft betrapt met zijn vriend [naam 1] en dat zijn vader hierna aangifte heeft gedaan tegen eiser. Echter heeft eiser in zijn eerdere aanvraag in 2024 verklaard dat zijn vader in 2021 is overleden. Nu eiser iets wezenlijk anders verklaard en zijn vader ook onderdeel uitmaakt van de reden waarom hij Algerije is ontvlucht, mag verweerder van eiser verwachten dat hij aannemelijk maakt dat de vader daadwerkelijk in leven is. Verweerder mag de overgelegde foto’s van gestelde familiebijeenkomsten waarop zijn vader zou staan, onvoldoende vinden om dit aannemelijk te maken. Dat eiser al langere tijd geen contact meer stelt te hebben met zijn vader en dat hij door zijn vader zou zijn verstoten, verandert het voorgaande niet.
8.5.
Ook mocht verweerder betrekken dat eiser wisselend heeft verklaard over [naam 1] . Eiser heeft in zijn nader gehoor in 2024 verklaard dat [naam 1] in mei 2019 is overleden tijdens de oversteek naar Europa. Echter heeft eiser in zijn aanvullende gehoor verklaard dat [naam 1] in januari 2024 is overleden. Daarnaast wordt niet gevolgd hoe de vader van eiser, die eveneens al zou zijn overleden, eiser in 2024 kan betrappen als [naam 1] toen ook al zou zijn overleden. Het standpunt van eiser dat hij zich tijdens de eerste procedure schaamde voor zijn geaardheid en dat hij daarom heeft verklaard dat zijn vriend [naam 1] zou zijn overleden wordt niet gevolgd door de rechtbank nu hij met deze stelling geen objectieve bevestiging van de feiten biedt. Eiser heeft verschillend verklaard, waardoor het aan hem is om te onderbouwen dat hetgeen hij in de huidige procedure verklaart juist is.
8.6.
Hoewel eiser bekend is met LHBTI-organisaties in Nederland en dat eiser op de hoogte is van het feit dat homoseksualiteit strafbaar is in Algerije, is dit onvoldoende om op te wegen tegen de bovengenoemde tegenstrijdige verklaringen van eiser.
9. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder ook vinden dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd nu hij zijn afgelopen aanvraag niet heeft afgewacht in Nederland. Verweerder mocht vinden dat hieruit niet blijkt dat eiser internationale bescherming nodig heeft en dat dit afbreuk doet aan de aannemelijkheid van zijn problemen. De stelling van eiser dat hij niet met onbekende bestemming is vertrokken maar enkel de instructie van de bewakers opvolgden dat hij binnen 48 uur Nederland moest verlaten verandert het oordeel niet nu eiser deze stelling verder niet heeft onderbouwd. Daarnaast mocht verweerder ook twijfelen aan de oprechtheid van eisers huidige asielaanvraag nu eiser over zijn vorige asielprocedure heeft gezegd dat hij deze niet serieus nam.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder een voldoende dragende motivering gegeven en de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en de problemen die hieruit zijn ontstaan ongeloofwaardig mogen vinden. De stelling van eiser dat ten onrechte zijn problemen in Algerije niet zijn beoordeeld slaagt niet nu eiser deze stelling niet verder heeft onderbouwd.
Zwaarwegendheid
11. Niet is aannemelijk gemaakt dat eiser als vluchteling kan worden aangemerkt en dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije. Het betoog van eiser dat homoseksualiteit strafbaar is in Algerije, dat hij zich nergens toe kan wenden om bescherming te vragen en dat hij vreest voor vervolging tot een gevangenisstraf wegens de aangifte van zijn vader is niet relevant. Nu de homoseksualiteit en de problemen die hieruit zijn ontstaan niet geloofwaardig zijn geacht.
Inreisverbod
12. Met betrekking tot het uitgevaardigde inreisverbod mocht verweerder vinden dat niet is gebleken dat het inreisverbod onevenredig is. Eiser heeft op [geboortedatum] 2025 een inreisverbod opgelegd gekregen voor de duur van twee jaar. Niet is gebleken dat eiser heeft voldaan aan de terugkeerverplichting. Het inreisverbod is daarom nog steeds van kracht. De stelling van eiser dat zijn individuele omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen slaagt niet nu eiser niet heeft onderbouwd dat er sprake is van daadwerkelijke familiebanden of een afhankelijkheidsrelatie is met zijn broer en zus in Duitsland.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw
Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw
Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw.
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Artikel 30b, eerste lid, onder f, van de Vw.
Artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.
Uitspraak van de meervoudige kamer rechtbank Groningen op 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14853
ECLI:NL:RBDHA:2025:3440
ECLI:NL:RBDHA:2025:139.
WI 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 7.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 9.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 7.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 8.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 14.
Gehoor opvolgende aanvraag, 3 september 2025, pagina 7 en 12
Nader gehoor 27 augustus 2024, pagina 6
Nader gehoor 27 augustus 2024, pagina 8
Aanvullend gehoor, 7 september, pagina 3
Aanvullend gehoor, 7 september 2025, pagina 13.