Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:28010

2025-11-06 Bestuursrecht 24/6289
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-11-06
Publicatiedatum
2026-06-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
24/6289
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. De burgemeester heeft het pand aan de [adres] in Gouda voor onbepaalde tijd gesloten, omdat het pand in gebruik was als openbare inrichting/clubhuis door leden van een verboden en ontbonden verklaarde organisatie. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Citeert (11)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.319 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 24/6289


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen


Stichting [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),


en




de burgemeester van Gouda, verweerder
(gemachtigden: mr. F.A. Pommer en mr. J. Keur).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de sluiting van het pand aan de [adres] in Gouda (het pand) voor onbepaalde duur.

1.1.
Met het primaire besluit van 14 juni 2023 heeft verweerder het pand voor onbepaalde tijd gesloten. Met het bestreden besluit van 17 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven, onder aanvulling van de motivering daarvan.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 31 juli 2025 gelijktijdig behandeld met het beroep van eiseres met zaaknummer SGR 24/7739. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Namens eiseres was aanwezig: [naam] . De rechtbank doet in beide zaken afzonderlijk uitspraak.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




2. Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het hof) van 15 december 2020 heeft het Hof de verbodenverklaring van de [clubnaam 1] en [clubnaam 2] bekrachtigd, omdat zij door hun gedragingen en cultuur een bedreiging voor de openbare orde vormen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 15 juli 2022. De [clubnaam 1] -charter in Nederland bestaat uit achttien charters, met in totaal ongeveer 240 leden. Er zijn twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en zestien stichtingen verbonden aan de [clubnaam 1] -charters in Nederland.


2.1.
Het hof heeft verder overwogen dat de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen zijn aan te merken. Zij vallen dus niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van [clubnaam 1] . Dat neemt niet weg dat de verklaring voor recht ten aanzien van [clubnaam 2] en de verbodenverklaring van [clubnaam 1] indirect wel gevolgen hebben voor de Nederlandse charters en hun leden. Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn, staat het hen ook niet meer vrij om de werkzaamheid van [clubnaam 2] en [clubnaam 1] voort te zetten. Onder meer betekent dit dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de [clubnaam 1] mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden.


2.2.

Het charter van de [clubnaam 1] in Gouda is een stichting, die dus niet direct onder
de verbodenverklaring van [clubnaam 1] valt. Het staat de stichting echter niet meer vrij
om de werkzaamheden van het [clubnaam 2] voort te zetten. Naar aanleiding van het arrest van de
Hoge Raad heeft verweerder de politie verzocht om relevante informatie over het charter
van de [clubnaam 1] in Gouda.




2.3.

In de periode augustus 2020 tot februari 2023 heeft verweerder diverse bestuurlijke
rapportages ontvangen van de politie waarin bevindingen over het charter van de [clubnaam 1]
in Gouda zijn opgenomen die tot januari 2017 teruggaan. De belangrijkste
bevindingen uit deze rapportages zijn:

- uit een financieel overzicht, gedateerd 7 oktober 2022, blijkt dat [clubnaam 3] uit 23 actieve leden bestaat die contributie betalen en dat [clubnaam 2] charters in Nederland
contact houden met [clubnaam 2] -buitenland;
- leden van [clubnaam 3] hebben contact met leden van andere charters en andere
'outlaw' motorclubs;


het lokaal wordt gehuurd door eiseres, waarvan twee van de drie bestuursleden bekend zijn als lid van [clubnaam 2] ;


in een gesprek met de politie op 23 november 2020 hebben twee leden van [clubnaam 2]


Gouda aangegeven dat [clubnaam 2] van eiseres gebruik mag maken van het lokaal, waaronder als vergaderlocatie;


van de circa 20 waargenomen personen die het pand regelmatig als groep bezoeken, zijn er ten minste acht ambtshalve herkend als lid van de [clubnaam 2] of dat is uit onderzoek in de politieregistratiesystemen gebleken;


het bezoek aan het lokaal vindt meestal plaats op vrijdagavond en steeds van laat


op de avond tot middernacht. Hierbij wordt muziek gedraaid en gedronken;
- op 1 september 2022 droeg minimaal één van de aanwezigen kleding met het
nummer 81, een verwijzing naar de letters [letters] ( [clubnaam 1] ) van het alfabet;
- de hiervoor vermelde heren zijn meerdere malen bij of in het lokaal
aangetroffen en gesproken;
- in het lokaal vinden geen andere activiteiten plaats die in overeenstemming zijn
met de bestemming volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan.





2.4.
Op 14 april 2023 hebben gemeentelijke toezichthouders, de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) en de politie een integrale controle uitgevoerd naar het gebruik van het pand. Van de bevindingen tijdens deze controle hebben zij rapportages opgesteld.



2.5.
De politie acht op basis van deze constateringen aannemelijk dat [clubnaam 2] nog actief is en dat het pand nog steeds als clubhuis gebruikt wordt voor (de voortzetting van) [clubnaam 2] -bijeenkomsten. Het bij de controles geconstateerde gebruik van het pand komt grotendeels overeen met het in 2015 geconstateerde met het bestemmingsplan strijdige gebruik van dit pand. Ook toen is vastgesteld dat er voldoende aanwijzingen waren om het pand te kwalificeren als een clubhuis van de [clubnaam 2] .



Schikkingsafspraken 2016



3. Naar aanleiding van de constateringen in september 2015 heeft verweerder een handhavingstraject gestart. Dit traject is beëindigd bij brief van 14 oktober 2016 waarin de schikkingsafspraken zijn opgenomen.



Relatie tussen de twee beroepszaken



4. Op de zitting zijn twee beroepszaken tegelijk behandeld vanwege de samenhang. De

beroepsprocedure met zaaknummer SGR 24/7729 gaat over het besluit van het college
van burgemeester en wethouders waarbij eiseres een last onder dwangsom is opgelegd
vanwege het geconstateerde met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand. Het
beroep gericht tegen de oplegging van de last onder dwangsom heeft deze rechtbank bij
uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.

Wat heeft verweerder besloten?



5. In de zaak waar het in deze uitspraak over gaat, heeft de burgemeester (hierna:

verweerder) hetzelfde pand voor onbepaalde tijd gesloten, omdat het pand als openbare
inrichting/clubhuis in gebruik was. Dit is in strijd is met de Algemene plaatselijke
verordening Gouda 2020 (hierna APV). Dit clubhuis was volgens verweerder in gebruik
door leden van een verboden en ontbonden verklaarde organisatie.




5.1.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn besluit gebleven, met aanvulling van de motivering daarvan en onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie van 18 april 2024. Verweerder vindt het, op grond van de bevindingen uit de bestuurlijke rapportages, aannemelijk dat [clubnaam 3] , althans eiseres, de werkzaamheden van de verboden verklaarde organisatie [clubnaam 1] in enige vorm voortzet en daarom ook zelf onder het betreffende verbod valt, en dat de activiteiten dan wel bijeenkomsten die in en vanuit het pand worden georganiseerd, strekken tot voortzetting van de activiteiten van [clubnaam 3] en dat die activiteiten een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde.



5.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bevoegd is om het pand voor onbepaalde tijd te sluiten, dat de sluiting het geschikte middel is om de openbare orde te beschermen en de geconstateerde overtredingen definitief te beëindigen en een herhaling van de geconstateerde overtredingen te voorkomen. Ook stelt hij zich op het standpunt dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang dat de overtredingen ernstig zijn, gelet op de geweldscultuur van de verboden organisatie [clubnaam 2] , waaraan eiseres kan worden gelieerd en dat er sprake is van recidive. Tot slot staat in het besluit dat volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat van de sluiting moet worden afgezien.



Wat vindt eiseres in beroep?


6. Eiseres is het niet eens met de sluiting van het pand voor onbepaalde tijd. Eiseres is een stichting, opgericht in 2007, heeft een bestuur en een aantal vrijwilligers die gebruik maken van het pand dat eiseres huurt sinds 2011. Het pand was tot de sluiting in gebruik voor de stalling en onderhoud van motoren van vrijwilligers en voor de opslag van materialen voor Harley Davidson-evenementen die eiseres organiseert, zoals ritten. Ook kwamen het bestuur en de vrijwilligers van eiseres wekelijks samen in het pand om te vergaderen. Er is geen sprake van een overtreding van de APV en het gebruik was bovendien toegestaan op grond van schikkingsafspraken die in 2016 met verweerder zijn gemaakt. Op wat zij verder in beroep aanvoert gaat de rechtbank hierna in.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen de sluiting van het pand ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Toetsingskader



8. De sluiting is gebaseerd op drie overtredingen van de APV, namelijk op overtreding van artikel 2:9, eerste lid, van de APV, artikel 2:12, onder d, van de APV en artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV. De bevoegdheid van verweerder om last onder bestuursdwang op te leggen, in dit geval sluiting van het pand, volgt uit artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet.


8.1.
Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025 geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden.



8.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er sprake van een bijzonder geval waarin van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Voor het antwoord op de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, moet worden gekeken naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming.



Mocht verweerder uitgaan van de bestuurlijke rapportages?




9. Eiseres voert allereerst aan dat de bestuurlijke rapportages niet objectief zijn en bovendien met een bepaald doel zijn opgesteld, omdat de politie daarin heeft aangegeven dat verweerder deze informatie kan gebruiken in de afwegingen met betrekking tot een eventuele sluiting van het pand. Dat maakt dat verweerder vooringenomen is en deze rapportages daarom niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mag leggen.




9.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij in beginsel mag uitgaan van de inhoud van een bestuurlijke rapportage. De stellingen van eiseres geven geen aanleiding om aan de inhoud van de bestuurlijke rapportages te twijfelen. Ook weerlegt verweerder het betoog van eiseres dat sprake is van vooringenomenheid.


9.2.
Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. Dit geldt ook voor een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.



9.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht uitgaan van de rapportages. De rapportages van de politie bevatten concrete waarnemingen en bevindingen van de politie ten aanzien van het gebruik van het pand door (leden van) [clubnaam 3] . Eiseres heeft de bevindingen in de verschillende rapportages bovendien niet inhoudelijk betwist. Verder onderkent de politie slechts de bevoegdheid van verweerder, maar laat het besluit en de afweging om van die bevoegdheid gebruik te maken bij verweerder. Van vooringenomenheid is dan ook geen sprake volgens de rechtbank.



Is er sprake van overtreding van artikel 2:9, eerste lid, van de APV?




10. Eiseres voert aan dat geen sprake is van overtreding van artikel 2:9, eerste lid, van de APV, omdat het pand geen openbare inrichting is en niet wordt gebruikt als clubhuis of clublokaal. Een exploitatievergunning is daarom niet vereist. Het pand is geen clubhuis, zoals bedoeld in artikel 2:8 van de APV, omdat geen sprake is van het tegen vergoeding bereiden of verstrekken van enigerlei eet- en/of drinkwaren of rookwaren voor directe consumptie. Verder heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat in het pand op gezette tijden amusement of ontspanning wordt aangeboden. Het pand was hoofdzakelijk in gebruik voor de stalling en onderhoud van motoren van vrijwilligers en voor de opslag van materialen voor evenementen. Daarnaast kwamen het bestuur en de vrijwilligers van eiseres wekelijks samen in het pand om te vergaderen, waarbij alcoholhoudende drank is geconsumeerd. Dit gebruik van het pand was toegestaan op grond van schikkingsafspraken die in 2016 met verweerder zijn gemaakt.



10.1.
Op grond van artikel 2:9, eerste lid, van de APV is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Voor de beoordeling of in het pand al dan niet sprake is van een openbare inrichting moet worden aangesloten bij de in artikel 2:9, eerste lid, en 2:8 van de APV opgenomen begripsbepaling.



10.2.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat sprake is van een overtreding van artikel 2:9, eerste lid, van de APV. Het pand kwalificeert als een openbare inrichting, omdat er volgens verweerder op gezette tijden sprake is van het aanbieden van amusement of ontspanning. Dit is reeds voldoende om tot de kwalificatie van het pand als openbare inrichting in de zin de APV te concluderen. Dat er geen eet en/of drinkwaren of rookwaren voor directe consumptie worden bereid of verstrekt tegen vergoeding, leidt niet tot een ander oordeel, nu de definitie van ‘openbare inrichting’ in artikel 2:8 van de APV een facultatieve formulering betreft.



10.3.
Uit de bestuurlijke rapportages, waarvan eiseres de bevindingen niet heeft betwist, blijkt dat op verschillende momenten is geconstateerd dat in het pand amusement of ontspanning is geboden. In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat bij de laatste controle op het pand is geconstateerd (i) dat er een feestje gaande was, waarbij (ii) diverse aanwezigen door de politie ambtshalve of middels politieregistratiesystemen zijn herkend als leden van de [clubnaam 2] , er (iii) geen aanwijzingen zijn gebleken dat er andere activiteiten in het pand plaatsvinden dan samenkomsten van voornamelijk [clubnaam 2] -leden, (iv) de inrichting van de benedenruimte niet strookt met bedrijfsactiviteiten als hoofdactiviteit conform het bestemmingsplan, (v) de ovenverdieping is ingericht als bijeenkomstruimte met banken, tafels, stoelen e.d., dartboard, barornamenten aan de muur, geluidsinstallatie en er (v) een grote glazen koelkast aanwezig is waarin (alcoholische) drank is aangetroffen en op de controle avond benuttigd werd, vindt verweerder het aannemelijk dat er sprake is van een openbare inrichting - meer specifiek een clublokaal. De enkele niet onderbouwde stelling dat het pand alleen toegankelijk is voor het bestuur van eiseres doet hier niet aan af.



10.4.
De toelichting bij de APV bevestigt de ruime uitleg die verweerder heeft gegeven over een openbare inrichting, evenals de toelichting bij de (actuele) Algemene plaatselijke verordening Gouda 2025 die eenzelfde begripsbepaling en uitleg van artikel 2:8 van de APV kent.



Schikkingsafspraken 2016




10.5.
Dat het gebruik van het pand in overeenstemming was met de schikkingsafspraken uit 2016 en dat zij erop mocht vertrouwen dat zij aan de regelgeving voldeed, wordt door de rechtbank niet gevolgd.



10.6.

De kern van de schikkingsafspraken was dat er in het pand geen clubhuis of andere inrichting van vermakelijkheid meer zou worden geëxploiteerd. Het pand mocht, in overeenstemming met het bestemmingsplan, worden gebruikt voor opslag en stalling.
Vergaderen was als nevenactiviteit toegestaan. Hierbij was het nuttigen van alcohol toegestaan, mits vergaderen het hoofddoel was. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat eiseres zich niet aan de schikkingsafspraken heeft gehouden, omdat ten tijde van belang gebleken is dat het pand wel in gebruik was als clubhuis en dat het gebruik van de benedenverdieping van het pand voor opslag en stalling van motoren niet de hoofdactiviteit van het pand is. Het pand is niet ingericht of geschikt gemaakt voor opslag en stalling en ook is niet gebleken dat die activiteiten plaatsvinden. Ook is uit de bestuurlijke rapportages niet gebleken van vergaderingen als kernactiviteit ten behoeve waarvan alcoholhoudende drank mocht worden geschonken. Gebleken is dat de bijeenkomsten geen duidelijk doel hadden. Bovendien is het pand niet ingericht op het houden van vergaderingen.




10.7.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Allereerst omdat in het schikkingsbesluit van 13 oktober 2016 is opgenomen dat er ook in de toekomst controles uitgevoerd kunnen worden in het pand. Voorts is in de schikkingsafspraken opgenomen dat de burgemeester wederom handhavend zal optreden indien daarbij opnieuw een situatie wordt geconstateerd die strijdig is met de geldende regelgeving. Reeds hieruit blijkt dat geen sprake is van een toezegging van verweerder om niet meer handhavend op te treden. Van een andere toezegging is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft voorts in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat hij zich niet aan deze schikkingsafspraken gebonden acht, gelet op de gewijzigde regelgeving.


10.8.
Ook volgt de rechtbank verweerder dat er niet ‘rauwelijks’ tot sluiting van het pand is overgegaan, nu verweerder eerst een voornemen heeft uitgedaan aan eiseres. Dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om het pand met de geldende (APV-) regelgeving en de schikkingsafspraken in overeenstemming te (laten) brengen, komt dan ook voor haar eigen rekening.



10.9.
Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat eiseres artikel 2:9, eerste lid, van de APV heeft overtreden. Er wordt immers in het pand een clubhuis geëxploiteerd zonder de daarvoor vereiste exploitatievergunning van verweerder. Omdat voor het gebruik van het pand als clubhuis geen exploitatievergunning is verleend, is sprake van een overtreding van de APV. Verweerder was daarom bevoegd het pand te sluiten.

11. De rechtbank stelt vast dat deze geconstateerde overtreding reeds voldoende grondslag vormde voor de bevoegdheid van de burgemeester om het pand te sluiten. Desondanks zal de rechtbank, in het kader van de rechtsvorming, de overige overtredingen ook bespreken.



Is er sprake van overtreding van artikel 2:12 van de APV?



12. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2:12 van de APV. Onder verwijzing naar wat zij in bezwaar heeft aangevoerd stelt eiseres dat zij en [clubnaam 3] geen verboden organisaties zijn, en dat verweerder de [clubnaam 2] en [clubnaam 3] ten onrechte door elkaar gebruikt en/of samentrekt tot één geheel. Verder heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een voortzetting van de werkzaamheden van de verboden verklaarde [clubnaam 1] .



12.1.
Op grond van artikel 2:12, aanhef en onder d, van de APV is het voor leden van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde verboden in een openbare inrichting een bijeenkomst te houden.



12.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Verweerder heeft in zijn besluitvorming voldoende gemotiveerd dat het, onder verwijzing naar de diverse constateringen in de bestuurlijke rapportages, aannemelijk is dat het pand in strijd met de schikkingsafspraken als clubhuis in gebruik was en dat het aannemelijk is dat [clubnaam 3] , althans eiseres, de werkzaamheden van de verboden verklaarde organisatie [clubnaam 1] in enige vorm voortzette en daarom ook zelf onder de civielrechtelijke verbodenverklaring valt. Ook acht verweerder het aannemelijk dat de activiteiten of bijeenkomsten die in en vanuit het pand zijn georganiseerd, strekken tot voortzetting van de activiteiten van [clubnaam 3] en dat die activiteiten een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde.



12.3.

Zoals onder 2.2 uiteengezet, is het charter van de [clubnaam 1] in Gouda een
stichting, die niet direct onder de verbodenverklaring van [clubnaam 1] valt. Het staat
de stichting echter niet meer vrij om de werkzaamheden van het [clubnaam 2] voort te zetten.
Vaststaat dat tot het primaire besluit regelmatig en op structurele basis, namelijk wekelijks, leden van [clubnaam 1] bleven samenkomen op clubavonden, in een daartoe speciaal ingerichte setting. In ieder geval betrof het gezelschap een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, dat sinds de ingebruikname van het pand vóór de verbodenverklaring, ongewijzigd is gebleven. Eveneens staat vast dat ook leden van andere charters van [clubnaam 2] regelmatig bijeenkomen/aanwezig zijn in het pand.




12.4.
Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende uiteengezet dat deze gedragingen ten dienste staan van het laten voortbestaan van de verboden organisatie [clubnaam 1] en de daarin bestaande cultuur van geweld, terwijl met de verbodenverklaring en de ontbinding van [clubnaam 1] is beoogd de cultuur van geweld die onder de [clublid/-leden] heerst, waarin geweld wordt aangemoedigd en verheerlijkt, uit de samenleving te bannen. Het enkele feit dat eiseres en [clubnaam 3] als zodanig niet onder de verbodenverklaring vallen, laat onverlet dat het de leden van eiseres en de leden van [clubnaam 3] waren die de werkzaamheden van [clubnaam 1] effectueerden. Dat zich intussen ook andere personen bij eiseres hebben aangesloten, die geen verleden als [clublid/-leden] hebben, doet aan het vorenstaande niet af, omdat de oorspronkelijke kern niet is gewijzigd en het bestuur van eiseres nog steeds door dezelfde leden wordt gevormd. Met de voortzetting van de van het [clubnaam 2] valt eiseres ook onder de verbodenverklaring.



12.5.
Verder heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende toegelicht dat de wijziging van artikel 2:20 van het Burgerlijk wetboek en het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 15 juli 2022, dat tot de toevoeging van artikel 2:12, aanhef en onder d, van de APV heeft geleid, relevante veranderingen van de geldende regelgeving zijn als bedoeld in de schikkingsafspraken.



12.6.
Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat eiseres artikel 2:12, onder d, van de APV heeft overtreden. Ook hierom was verweerder bevoegd om het pand te sluiten.



Is er sprake van overtreding van artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV?




13. Op grond van artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2:11 en 2:15, ter bescherming van de openbare orde dan wel van het woon- en leefklimaat, de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde dan wel het woon- en
leefklimaat.




13.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn besluitvorming deugdelijk heeft gemotiveerd dat verweerder op grond van artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV bevoegd was om het pand te sluiten.


13.2.
Anders dan eiseres betoogt, mocht verweerder daarbij verwijzen naar het eerdere gebruik van pand als clubhuis door [clubnaam 3] in 2016. Tegen dat illegale gebruik heeft verweerder destijds handhavend opgetreden, door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. Dit handhavingstraject is beëindigd bij brief van 14 oktober 2016, waarin schikkingsafspraken zijn opgenomen. Kern van die afspraken was dat er in het pand niet meer een clubhuis of andere inrichting van vermakelijkheid mocht worden geëxploiteerd. Naar aanleiding van die schikkingsafspraken heeft verweerder destijds afgezien van het toepassen van zijn bevoegdheid tot sluiting van het pand.



13.3.
Verweerder heeft voldoende gemotiveerd – zoals hiervoor al is overwogen – dat het pand nog steeds als clubhuis in gebruik was en dat het aannemelijk is dat [clubnaam 3] , althans eiseres, de werkzaamheden van de verboden verklaarde organisatie [clubnaam 1] in enige vorm voortzette en daarom ook zelf onder de civielrechtelijke verbodenverklaring valt. Ook acht verweerder het aannemelijk dat de activiteiten of bijeenkomsten die in en vanuit het pand zijn georganiseerd, strekken tot voortzetting van de activiteiten van [clubnaam 3] en dat die activiteiten een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde.


13.4.
Daarbij heeft verweerder de feitelijke samenhang tussen eiseres en [clubnaam 3] relevant mogen vinden en in aanmerking mogen nemen dat niet is gebleken dat eiseres afstand heeft genomen van de verboden [clubnaam 1] .



13.5.

In dat verband is van belang dat het hof in het eerder genoemde arrest heeft geoordeeld dat onder de [clublid/-leden] een cultuur van geweld bestaat, waarin geweld op verschillende manieren wordt aangemoedigd en verheerlijkt. Dat geweld en de aanmoediging en verheerlijking van geweld vonden niet zozeer plaats door [clubnaam 1] als zodanig, maar door de leden van [clubnaam 1] die zich hadden georganiseerd in charters. Het hof heeft daarom vastgesteld dat alle [clubnaam 1] in Nederland tezamen [clubnaam 1] vormen. De burgemeester mocht hieruit afleiden dat het uiteindelijk de [clublid/-leden]
zelf zijn die de dragers van de cultuur van geweld zijn binnen [clubnaam 1]
.




13.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het vorenstaande op goede gronden geoordeeld dat de vrees is gewettigd dat het geopend houden van het pand een ernstig gevaar opleverde voor de openbare orde dan wel het woon- en leefklimaat als bedoeld in artikel 2:16, eerste lid, aanhef en onder e, van de APV. Dat, zoals eiseres betoogt, de charters op zich niet onder de verbodenverklaring vallen, maakt dit (dus) niet anders.


13.7.
Hiervoor vindt de rechtbank steun in de Afdelingsuitspraak van 20 april 2022. In die uitspraak heeft de Afdeling namelijk (ook) geoordeeld dat de verbodenverklaring van [clubnaam 1] indirecte gevolgen heeft voor de charters - waaronder dus ook [clubnaam 3] - omdat deze de werkzaamheden van [clubnaam 1] niet mogen voorzetten.



13.8.
Dat er voorafgaand aan de sluiting over het gebruik van het pand geen meldingen van overlast waren of openbare orde-incidenten, doet aan het voorgaande niet af en laat bovendien de geconstateerde overtreding van artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV net als de twee andere overtredingen onverlet. Zoals ook blijkt uit de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland is voor de gewettigde vrees niet vereist dat de gedraging(en) waarmee de werkzaamheid wordt voortgezet op zichzelf bezien strafbaar of in strijd met de openbare orde is.



13.9.
Gelet op het gebruik van het pand door eiseres heeft verweerder zich daarom naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de vrees was gewettigd dat het geopend blijven van het pand een ernstig gevaar zou opleveren voor de openbare orde.



13.10.
Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 2.19, eerste lid, van de APV bevoegd om het pand te sluiten.



Is de sluiting onevenredig?




14. Eiseres voert aan dat sluiting van het gehele pand onevenredig is, vanwege het gebruik van het pand voor het stallen van motoren, wat volgens eiseres wel is toegestaan.




14.1.
Gelet op de tekst van de artikelen van de APV, die eiseres heeft overtreden, kan verweerder een pand sluiten. Verweerder heeft de ruimte om een belangenafweging te maken. Het gaat daarbij om een afweging tussen enerzijds het belang van de bescherming van de openbare orde, tegenover anderzijds het belang van eiseres om gebruik te kunnen maken van het clubhuis.



14.2.
Volgens verweerder is de sluiting van het pand een geschikte maatregel om de bescherming van de openbare orde te bereiken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval een sluiting voor onbepaalde tijd ook noodzakelijk en evenredig is.



14.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht overgaan tot een sluiting voor onbepaalde tijd. Sluiting voor onbepaalde tijd is in dit geval gerechtvaardigd omdat het gevaar voor de openbare orde pas is geweken als vast staat dat eiseres niet meer aanwezig is en/of er geen banden meer zijn met de [clubnaam 1] . Op voorhand is niet duidelijk wanneer aan deze voorwaarden zal worden voldaan. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat zij geen onderbouwing heeft gegeven voor haar gestelde zwaarwegende belangen. Daarbij is van belang dat het haar eigen, vrije keuze was om het illegale (hoofd)gebruik van het pand als clubhuis voort te zetten, terwijl zij sinds de schikkingsafspraken in 2016 ermee bekend was dat de hoofdactiviteit van het pand gelegen moest zijn in bedrijfsactiviteiten en dat een gebruik als clubhuis niet was toegestaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder in zijn besluitvorming heeft aangegeven dat de sluiting geen permanent karakter heeft en dat hij na het verstrijken van één jaar na de effectuering van de sluiting, ambtshalve, of op verzoek, zal bezien of het doel waarvoor de sluiting nodig was, voldoende is bereikt en of er nog aanleiding bestaat om de sluiting voort te zetten.




Conclusie en gevolgen


15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit om het pand te sluiten in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiseres het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.






ECLI:NL:GHARL:2020:10406.


ECLI:NL:HR:2022:1114.


Zie rechtsoverweging 5.67 van de hiervoor genoemde beschikking van 15 december 2020.


Politie-eenheid Den Haag, team Gouda.


De resultaten zijn weergegeven in de bestuurlijke rapportages van 4 januari 2022, 2 augustus 2022, 11 november 2022 en 21 februari 2023.


Bestemmingsplan “Oostpolder”.


Zie de rapportages van de gemeentelijk toezichthouders van 15 april 2023, van de ODMH van 17 april 2023, van de politie van 18 april 2023 en een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 mei 2023. In deze rapportages zijn waarnemingen en bevindingen opgenomen die teruggaan tot januari 2017.


Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de APV en artikel 2:16 eerste lid, aanhef en onder e, van de APV.


Met ingang van 19 juni 2023 om 10:00 uur.


Op grond van de artikelen 2:9, eerste lid, van de APV, artikel 2:12, onder d, van de APV en artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV.


Als bedoeld in artikel 2:12, aanhef en onder d, van de APV.


Zie de rapportages van de gemeentelijk toezichthouders van 15 april 2023, van de ODMH van 17 april 2023, van de politie van 18 april 2023 en een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 mei 2023. In deze rapportages zijn waarnemingen en bevindingen opgenomen die teruggaan tot januari 2017.


Op grond van artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 oktober 2024, ECLI:NL:2024:4375.


Uitspraken van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 en van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.


Uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3137.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916.


Artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet.


https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR738422#nota-toelichting.


Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678


Vergelijk: ECLI:NL:RBMNE:2024:915.


ECLI:NL:RVS:2022:1136.


Uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1136.