Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:13701

2025-07-25 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.29822
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-07-25
Publicatiedatum
2025-07-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.29822
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

art 6

Citeert (2)

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (8.449 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.29822


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).




Procesverloop


Bij besluit van 7 juni 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 14 juli 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 15 juli 2025 op gereageerd. De rechtbank heeft op 18 juli 2025 het onderzoek gesloten.




Overwegingen


Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.



Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 5.3 van het Vb, omdat aan eiser niet de informatiefolder in de Twi-taal is uitgereikt. In de maatregel wordt vermeld dat eiser de informatiebrief over de maatregel is uitgereikt in de Engelse taal omdat de informatiebrief niet in de Twi-taal voorhanden is. Eiser spreekt echter nagenoeg geen Engels. Daarnaast bevindt de in het Engels opgestelde informatiebrief zich niet in het dossier. Eiser is dus bij het uitreiken van de maatregel niet schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, ingelicht over de redenen van de bewaring, de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. De hoogste bestuursrechter heeft verweerder in de uitspraak van 24 juli 2024 een termijn van zes maanden gegeven om te zorgen dat de informatiefolder voldoet aan de gestelde eisen uit artikel 5.3 van het Vb. Als verweerder zijn werkwijze niet aanpast wordt volgens deze uitspraak niet uitgesloten dat daaraan op termijn in concrete zaken consequenties zullen worden verbonden, omdat het niet aanvaardbaar is dat structureel niet voldoen aan de informatieplicht steeds kan worden gepasseerd langs de weg van een belangenafweging. Gezien het tijdsverloop sinds deze uitspraak kan het feit dat de informatiebrief niet in de Twi-taal beschikbaar is niet langer verschoonbaar worden geacht en dient de belangenafweging in zijn voordeel uit te vallen, aldus eiser.



De rechtbank overweegt als volgt.



In de maatregel van bewaring staat dat een informatiefolder is uitgereikt in de Engelse taal. Verweerder heeft in zijn reactie van 15 juli 2025 verklaard dat telefonische navraag bij de KMar heeft uitgewezen dat de betreffende ambtenaar is vergeten de informatiebrief in te scannen en aan het dossier toe te voegen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring in de maatregel van bewaring dat de informatiebrief daadwerkelijk is uitgereikt.



In artikel 5.3, eerste lid, van het Vb is voor verweerder een informatieplicht opgenomen. In het artikel staat dat eiser bij uitreiking van de maatregel “schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte (wordt) gebracht van de redenen van bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel van bewaring aan te vechten, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen.” Uit artikel 5.3, tweede lid, van het Vb volgt dat het eerste lid overeenkomstig van toepassing is bij oplegging van een maatregel op grond van artikel 6, derde lid of zesde lid, van de Vw en in situaties waarin de bewaring van de vreemdeling op een andere wettelijke grondslag wordt voortgezet.



Partijen zijn het erover eens dat verweerder in dit geval niet heeft voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Er was immers geen informatiefolder beschikbaar in een taal die eiser voldoende machtig is. Nu eiser niet schriftelijk is geïnformeerd in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat is sprake van een gebrek.



Dit gebrek maakt de vrijheidsontneming niet zonder meer onrechtmatig, daarvoor is een belangenafweging noodzakelijk.



Bij die belangenafweging is van belang dat de Afdeling verweerder in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 juli 2024 zes maanden de tijd heeft gegeven om zijn werkwijze zo aan te passen dat voortaan voldaan wordt aan de informatieverplichting, omdat “[niet] aanvaardbaar is […] dat het structureel niet voldoen aan de informatieplicht steeds kan worden gepasseerd langs de weg van een belangenafweging”.



Die zes maanden zijn intussen ruimschoots verstreken. Van verweerder mag daarom worden verwacht dat hij zijn werkwijze intussen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid, van het Vb heeft gebracht. Toch komt de rechtbank, gezien de individuele omstandigheden in deze specifieke zaak, tot de conclusie dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Daartoe is allereerst van belang dat de informatiebrief mondeling in de Twi taal met eiser is besproken. Eiser heeft dus kennis kunnen nemen van de voor hem relevante informatie. Daarnaast is van belang dat het in deze zaak om een taal gaat die in zaken als deze niet vaak wordt gesproken. Verweerder heeft in dit verband aangegeven dat hij intussen informatiefolders in 49 talen beschikbaar heeft. Van een situatie waarin structureel niet wordt voldaan aan de informatieverplichting is hier bij de huidige stand van zaken dan ook geen sprake. Verweerder wijst er bovendien terecht op dat vanuit praktisch oogpunt niet van hem kan worden gevergd dat hij op elk moment in iedere mogelijke denkbare taal een informatiefolder voorhanden heeft. In het licht van dit samenstel van omstandigheden leidt het geconstateerde gebrek in dit geval en bij de huidige stand van zaken niet tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring en dient aan het grensbewakingsbelang een groter gewicht te worden toegekend.



Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.



Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
J.J. Brands, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:2979.


Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858.