Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:1061
2025-01-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.45164
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BNT, asiel, ingebrekestelling prematuur, niet-ontvankelijk.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5735 Rechtbank Den Haag 19-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5737 Rechtbank Den Haag 19-04-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.135 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.45164
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 15 november 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 26 maart 2023.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Verweerder heeft onderzocht of de asielaanvraag van eiser niet in behandeling moet worden genomen omdat een andere lidstaat van de Europese Unie daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Verordening (EU) Nr. 604/2103 (Dublinverordening). Artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bepaalt dat de beslistermijn in dergelijke gevallen aanvangt op het moment waarop is komen vast te staan dat Nederland verantwoordelijk is of zal worden voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat moment is in ieder geval aangebroken wanneer de in de Dublinverordening neergelegde uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Dat moment kan zich echter ook eerder voordoen, bijvoorbeeld als verweerder zelf eerder besluit om de asielaanvraag aan zich te trekken of als door feiten en omstandigheden blijkt dat de verantwoordelijkheid vanaf een bepaald moment aan Nederland behoort of zal gaan behoren.
3. Op 10 mei 2023 zijn de autoriteiten van Tsjechië verzocht om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Op 21 juni 2023 zijn zij daarmee akkoord gegaan. Op 14 augustus 2023 heeft verweerder aan de autoriteiten van Tsjechië meegedeeld dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort. Bij brief van 11 januari 2024 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de asielaanvraag van eiser (in beginsel) verder behandeld zal worden in de nationale procedure, omdat eiser niet tijdig is overgedragen aan Tsjechië. Nederland is daarom op 11 januari 2024 verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag.
4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou daarom in het geval van eiser op 11 juli 2024 eindigen. Verweerder heeft met inwerkingtreding van de WBV 2023/3 de beslistermijn verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser pas op 11 april 2025 zal eindigen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Deze verlenging is daarom rechtsgeldig.
5. Eiser heeft verweerder op 8 oktober 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de
wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dat maakt dat de ingebrekestelling prematuur is
ingediend en niet geldig is. Nu niet aan de vereisten van artikel 6:12 van de Awb is voldaan,
is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de
Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5735 en ECLI:NL:RBDHA:2024:5737.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.45164
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 15 november 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 26 maart 2023.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Verweerder heeft onderzocht of de asielaanvraag van eiser niet in behandeling moet worden genomen omdat een andere lidstaat van de Europese Unie daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Verordening (EU) Nr. 604/2103 (Dublinverordening). Artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bepaalt dat de beslistermijn in dergelijke gevallen aanvangt op het moment waarop is komen vast te staan dat Nederland verantwoordelijk is of zal worden voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat moment is in ieder geval aangebroken wanneer de in de Dublinverordening neergelegde uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Dat moment kan zich echter ook eerder voordoen, bijvoorbeeld als verweerder zelf eerder besluit om de asielaanvraag aan zich te trekken of als door feiten en omstandigheden blijkt dat de verantwoordelijkheid vanaf een bepaald moment aan Nederland behoort of zal gaan behoren.
3. Op 10 mei 2023 zijn de autoriteiten van Tsjechië verzocht om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Op 21 juni 2023 zijn zij daarmee akkoord gegaan. Op 14 augustus 2023 heeft verweerder aan de autoriteiten van Tsjechië meegedeeld dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort. Bij brief van 11 januari 2024 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de asielaanvraag van eiser (in beginsel) verder behandeld zal worden in de nationale procedure, omdat eiser niet tijdig is overgedragen aan Tsjechië. Nederland is daarom op 11 januari 2024 verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag.
4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou daarom in het geval van eiser op 11 juli 2024 eindigen. Verweerder heeft met inwerkingtreding van de WBV 2023/3 de beslistermijn verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser pas op 11 april 2025 zal eindigen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Deze verlenging is daarom rechtsgeldig.
5. Eiser heeft verweerder op 8 oktober 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de
wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dat maakt dat de ingebrekestelling prematuur is
ingediend en niet geldig is. Nu niet aan de vereisten van artikel 6:12 van de Awb is voldaan,
is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de
Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5735 en ECLI:NL:RBDHA:2024:5737.