Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2024:7515
2024-05-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.19456
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting Algerije, voortvarendheid, ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2376 Rechtbank Den Haag 27-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6805 Rechtbank Den Haag 03-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1892 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:2829 Raad van State 26-07-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.551 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19456
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel is opgelegd op 7 februari 2024 en duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft de maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 27 februari 2024. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 3 mei 2024.
1.3.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 10 mei 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 mei 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (30 april 2024) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat afgifte van een laissez-passer na de presentatie op 18 april 2024 alleen een formaliteit zou moeten zijn en er nog geen laissez-passer is afgegeven. De consul heeft aangekondigd onderzoek te willen doen naar aanleiding van een aantal documenten die door de vrouw van eiser zijn overgelegd. Eiser hoeft tijdens dit onderzoek niet gedetineerd te blijven.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft deze beroepsgrond al eerder betrokken en beoordeeld in de uitspraak van 3 mei 2024, onder 5.1. Daar komt bij dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onlangs heeft geoordeeld dat ten aanzien van Algerije (weer) zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat er sinds 18 april 2024 geen contact meer is geweest met de Algerijnse autoriteiten.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het sluiten van het vooronderzoek op 10 mei 2024 nog niet dermate veel tijd verstreken was dat, ook in het geval er geen verdere handelingen zijn verricht, sprake is van onvoldoende voortvarendheid. Hierbij is van belang dat de staatssecretaris de Algerijnse autoriteiten enige tijd mag gunnen om het eerdergenoemde onderzoek te verrichten.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 27 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2376.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 3 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6805.
Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19456
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel is opgelegd op 7 februari 2024 en duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft de maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 27 februari 2024. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 3 mei 2024.
1.3.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 10 mei 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 mei 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (30 april 2024) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat afgifte van een laissez-passer na de presentatie op 18 april 2024 alleen een formaliteit zou moeten zijn en er nog geen laissez-passer is afgegeven. De consul heeft aangekondigd onderzoek te willen doen naar aanleiding van een aantal documenten die door de vrouw van eiser zijn overgelegd. Eiser hoeft tijdens dit onderzoek niet gedetineerd te blijven.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft deze beroepsgrond al eerder betrokken en beoordeeld in de uitspraak van 3 mei 2024, onder 5.1. Daar komt bij dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onlangs heeft geoordeeld dat ten aanzien van Algerije (weer) zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat er sinds 18 april 2024 geen contact meer is geweest met de Algerijnse autoriteiten.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het sluiten van het vooronderzoek op 10 mei 2024 nog niet dermate veel tijd verstreken was dat, ook in het geval er geen verdere handelingen zijn verricht, sprake is van onvoldoende voortvarendheid. Hierbij is van belang dat de staatssecretaris de Algerijnse autoriteiten enige tijd mag gunnen om het eerdergenoemde onderzoek te verrichten.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 27 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2376.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 3 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6805.
Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.