Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2024:24036

2024-02-22 Civiel recht 10132934 EL 22-58
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2024-02-22
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
10132934 EL 22-58
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dexia

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.627 tekens)
vonnis



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag



Zaaknummer: 10132934 EL 22-58




vonnis van de kantonrechter van 22 februari 2024




in de zaak van




de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen





[gedaagde partij] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.



Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde partij] genoemd.




1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 23 augustus 2022;


de conclusie van antwoord;


de conclusie van repliek, met een wijziging van eis;


de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.






2De feiten

2.1.

[gedaagde partij] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:










Nr.


Contractnr.


Datum


Naam overeenkomst




I.



[contractnummer 1]



17-07-1997


WinstVerdubbelaar




II.



[contractnummer 2]



24-07-1997


WinstVerdubbelaar








2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten, die in 2002 zijn verlengd door partijen, eindafrekeningen opgesteld met het volgende resultaat:










Nr.


Datum eindafrekening


Resultaat


Betaald




I.


18-07-2005


- € 368,81


Ja




II.


25-07-2005


- € 344,31


Ja








2.3.

Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde partij] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 9.013,46 aan maandtermijnen en het bedrag van € 713,12 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde partij] € 758,45 aan dividenden ontvangen en € 3.021,33 aan fiscaal voordeel genoten.
Op 16 april 2012 heeft Dexia een bedrag van € 633,03 aan [gedaagde partij] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.




2.4.
Bij brief van 24 februari 2022 heeft Dexia [gedaagde partij] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen.






3De vordering en het verweer


3.1.
Dexia vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten, na betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde partij] verschuldigd is,



[gedaagde partij] zal veroordelen in de proceskosten.





3.2.

[gedaagde partij] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.


3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.






4De beoordeling



Algemeen
4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een optoutverklaring ingediend, onder wie [gedaagde partij] .



4.2.
De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.


4.3.
Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:


er is sprake van huurkoop;


er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;


Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;


afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;


er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.





4.4.
Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op:


de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;


het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;


de eigen schuld (art. 6:101 BW);


een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;


de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;


wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;


wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.




4.5.
Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu [gedaagde partij] de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan.



De vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld





4.6.

De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door [gedaagde partij] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.

Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel





4.7.
Op de door [gedaagde partij] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel.



4.8.

[gedaagde partij] heeft bij conclusie van dupliek een bewijsstuk overgelegd waaruit volgens hem volgt dat Dexia het verkeerde belastingtarief (50%) heeft gebruikt. Dexia is niet in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De kantonrechter ziet geen aanleiding daar alsnog toe over te gaan, omdat partijen aan de hand van de aanwezige stukken zelf het behaalde fiscaal voordeel kunnen berekenen.


4.9.
Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.


4.10.
Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht.


4.11.

Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [gedaagde partij] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.

De eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last





4.12.
Op grond van artikel 6:101 BW dient [gedaagde partij] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld.


4.13.
Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomst(en) had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde partij] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomst(en) voor [gedaagde partij] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [gedaagde partij] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de afnemer de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [gedaagde partij] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.


4.14.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van [gedaagde partij] . De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.



Factor X (besteedbare netto-maandinkomen)




4.15.
Tussen partijen is onder meer in geschil wat het besteedbare netto-inkomen van [gedaagde partij] destijds was. [gedaagde partij] stelt zijn netto-maandinkomen op € 849,82, hetgeen hij kennelijk heeft berekend aan de hand van een rekeningafschrift waarop een salarisbetaling van de maand juli 1997 (ter hoogte van € 1.872,75) staat vermeld. Volgens Dexia heeft [gedaagde partij] nagelaten een biljet van proces over te leggen en kan niet van de juistheid van het door [gedaagde partij] opgevoerde bedrag worden uitgegaan.



4.16.
Vooropgesteld wordt dat het aan [gedaagde partij] is om aan te tonen wat zijn besteedbare netto-maandinkomen was in het jaar 1997, het jaar waarin hij de overeenkomsten aanging. De bewijslast ligt dan ook bij [gedaagde partij] , evenals het bewijsrisico. Uit de door [gedaagde partij] overgelegde brief van de belastingdienst blijkt dat er over 1997 geen inkomens- of vermogensgegevens bekend zijn bij de belastingdienst en dat daarom geen gegevens over kunnen worden toegezonden. [gedaagde partij] is derhalve niet in staat om via fiscale informatie de benodigde gegevens over zijn netto-maandinkomen in het jaar 1997 te verstrekken. Deze bewijsnood dient voor risico van [gedaagde partij] te komen. Aan het overgelegde rekeningafschrift kan niet het gewicht worden toegekend dat [gedaagde partij] voorstaat. Daarover heeft Dexia terecht opgemerkt dat dit slechts een weergave van het loon van één enkele maand in 1997 betreft, zodat dit niet als onderbouwing kan dienen voor het besteedbare netto-inkomen dat [gedaagde partij] in dat jaar genoot. Niet uitgesloten kan immers worden dat deze maandbetaling niet representatief was voor het inkomen in de andere maanden.



4.17.

Ook ten aanzien van de andere factoren die in geschil zijn (V en Y) heeft [gedaagde partij] onvoldoende aangedragen ter onderbouwing van zijn stellingen hieromtrent. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde partij] niet (voldoende) onderbouwd dat bij het aangaan van de overeenkomsten sprake was van het ontstaan van een onaanvaardbaar zware financiële last, zodat de daaruit volgende schade wegens termijnen geheel voor zijn rekening blijft. Evenmin is gesteld of gebleken dat ten tijde van de verlenging van de overeenkomst in 2002 het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last bestond.

De consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade.





4.18.

Uit het voorgaande volgt dat de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel voor rekening van [gedaagde partij] blijft, evenals 1/3 deel van de resterende schade wegens restschuld.

Wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is





4.19.
Nu de overeenkomst(en) niet rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden zal [gedaagde partij] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt.


4.20.

Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomst(en) zullen partijen in staat zijn te berekenen:
a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld;
b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert;
c. of en zo ja tot welk bedrag [gedaagde partij] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen;
d. wat [gedaagde partij] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomst(en) in totaal aan Dexia verschuldigd is.




4.21.

[gedaagde partij] heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [gedaagde partij] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente).


4.22.
Dexia heeft in verband met de onderhavige overeenkomst(en) jegens [gedaagde partij] aanspraak op nakoming van betalingsverplichtingen indien en voor zover [gedaagde partij] ter zake van een bepaalde overeenkomst minder aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen.



De wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.





4.23.
Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).


4.24.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten vormen de stellingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is. Dit brengt mee, dat de vordering van Dexia toegewezen kan worden, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.


4.25.

[gedaagde partij] is als de in overwegende mate als de in het ongelijk te stellen partij aan te merken. [gedaagde partij] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van Dexia worden begroot op:
- dagvaarding € 127,42
- griffierecht € 86,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)
Totaal € 890,42.







5De beslissing

5.1.
verklaart voor recht dat Dexia jegens [gedaagde partij] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] heeft voldaan na betaling van de eventuele schadevergoeding die volgt uit de berekeningen als onder r.o. 4.19. en volgende weergegeven;



5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 890,42,



5.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;


5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
fh