Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2023:8271
2023-05-12
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL23.11157
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin, Slovenië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2022:2644 Raad van State 08-09-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15506 Rechtbank Den Haag 16-12-2022
- ECLI:NL:RVS:2023:468 Raad van State 06-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5724 Rechtbank Den Haag 15-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.695 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.11157
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Na verkregen toestemming van partijen, heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de beoordeling daarvan. Nederland heeft bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser voert aan dat “de behandeling van zijn asielaanvraag en van hemzelf wanneer hij zou moeten terugkeren naar Slovenië niet menswaardig is”. Eiser heeft verder verwezen naar wat hij in zijn gehoor en in de zienswijze heeft aangevoerd.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat Slovenië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Slovenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk dat dat in zijn geval anders is. Eiser is daar niet in geslaagd.
4. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 september 2022 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Slovenië (nog steeds) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan.1 Dit is ook geoordeeld in de uitspraak van 16 december 20222 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. In die uitspraak heeft de rechtbank het AIDA “Country Report: Slovenia 2021 Update” van 25 mei 2022 in de beoordeling betrokken. Dit oordeel van de rechtbank is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 6 februari 2023.3 Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie sindsdien is gewijzigd en dat de Sloveense autoriteiten zich niet langer aan hun internationale verplichtingen tegenover Dublinterugkeerders zullen houden. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant bij terugkeer risico loopt om slachtoffer te worden van pushbacks. In dat verband is van belang dat eiser in Slovenië een asielaanvraag heeft ingediend en opvang heeft gehad en dat hij geen informatie heeft overgelegd dat hij als Dublinterugkeerder door Slovenië over de grens zal worden gezet.
5. Eiser heeft naar voren gebracht dat de rechtbank deze beroepszaak aan zou moeten houden in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch in de uitspraak van 15 juni 20224. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 september 2022 geen aanleiding gezien om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen. De rechtbank ziet daar evenmin aanleiding voor. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
1. ECLI:NL:RVS:2022:2644.
2 ECLI:NL:RBDHA:2022:15506.
3 ECLI:NL:RVS:2023:468.
4 ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 mei 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.11157
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Na verkregen toestemming van partijen, heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de beoordeling daarvan. Nederland heeft bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser voert aan dat “de behandeling van zijn asielaanvraag en van hemzelf wanneer hij zou moeten terugkeren naar Slovenië niet menswaardig is”. Eiser heeft verder verwezen naar wat hij in zijn gehoor en in de zienswijze heeft aangevoerd.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat Slovenië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Slovenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk dat dat in zijn geval anders is. Eiser is daar niet in geslaagd.
4. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 september 2022 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Slovenië (nog steeds) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan.1 Dit is ook geoordeeld in de uitspraak van 16 december 20222 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. In die uitspraak heeft de rechtbank het AIDA “Country Report: Slovenia 2021 Update” van 25 mei 2022 in de beoordeling betrokken. Dit oordeel van de rechtbank is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 6 februari 2023.3 Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie sindsdien is gewijzigd en dat de Sloveense autoriteiten zich niet langer aan hun internationale verplichtingen tegenover Dublinterugkeerders zullen houden. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant bij terugkeer risico loopt om slachtoffer te worden van pushbacks. In dat verband is van belang dat eiser in Slovenië een asielaanvraag heeft ingediend en opvang heeft gehad en dat hij geen informatie heeft overgelegd dat hij als Dublinterugkeerder door Slovenië over de grens zal worden gezet.
5. Eiser heeft naar voren gebracht dat de rechtbank deze beroepszaak aan zou moeten houden in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch in de uitspraak van 15 juni 20224. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 september 2022 geen aanleiding gezien om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen. De rechtbank ziet daar evenmin aanleiding voor. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
1. ECLI:NL:RVS:2022:2644.
2 ECLI:NL:RBDHA:2022:15506.
3 ECLI:NL:RVS:2023:468.
4 ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 mei 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.