Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2023:6889

2023-05-02 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL23.11365
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2023-05-02
Publicatiedatum
2023-05-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL23.11365
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vw, asielvergunning; niet-ontvankelijk; de rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat in eisers geval ten aanzien van Polen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.318 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.11365

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),


en




de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).





Procesverloop


Bij besluit van 10 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.11366, op 2 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.



Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Overwegingen

1. Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Hij heeft op 28 februari 2023 in Nederland asiel aangevraagd, omdat het in Polen niet veilig is voor hem. Deze aanvraag heeft verweerder bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.



2. Eiser heeft verschillende argumenten gegeven waarom het besluit van verweerder volgens hem niet klopt. De rechtbank geeft een oordeel op basis van de door eiser aangevoerde gronden.

3. Eiser vindt dat verweerder er voor had moeten kiezen om zijn asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen, omdat ten aanzien van Polen niet kan worden uitgegaan van het zogenoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de Europese Commissie op grond van artikel 7 van het VWEU1 een onderzoek is gestart naar Polen. Ook heeft eiser verwezen naar de uitspraken van de voorzieningenrechter van 6 februari 20232, 28 februari 20233 en 16 maart 20234, de prejudiciële vragen die zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie5 en naar de uitspraak van de hoogste rechter in asielzaken van 13 maart 2023.6 Omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is, wordt eiser geraakt door de grondslag van de artikel 7-procedure. Hij heeft weliswaar geen openstaande strafzaak in Polen, maar hij kan in de toekomst met een strafrechtelijke of een civiele procedure te maken krijgen en daarmee met het gebrek aan onafhankelijkheid bij de Poolse rechtspraak.

4. De rechtbank stelt voorop dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel een uitgangspunt is van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel. Eiser is echter geen asielzoeker in Polen, maar is onderdaan van dat land. De verwijzing naar de prejudiciële vragen gaat niet op, omdat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de schending van de grondrechten van derdelanders door Polen en eiser is geen derdelander. De uitspraken van de voorzieningenrechter van 28 februari 2023 en 16 maart 2023 hebben ook betrekking op derdelanders, specifiek Dublinclaimanten. Dat is eiser ook niet, dus de verwijzing naar die uitspraken gaat ook niet op.

5. De rechtbank overweegt verder dat het onderzoek van de Europese Commissie betrekking heeft op – onder andere – de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen. Aangezien eiser geen lopende procedures heeft in Polen, of dat nou een straf- of een civiele zaak is, wordt hij in die zin niet geraakt door de grondslag van de artikel 7- procedure. In zoverre is er daarom geen reden om te oordelen dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in ieder geval niet in eisers geval. De rechtbank volgt ook de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem van 1 juli 20227, dat ten aanzien van Polen in zijn algemeenheid nog steeds van
het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Dat eiser ooit misschien verwikkeld kan raken in een (straf)procedure in Polen is een onzekere, toekomstige gebeurtenis en leidt alleen daarom al niet tot een ander oordeel.

6. De verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2023 gaat niet op, omdat het in die zaak ging om een Poolse asielzoeker die in Polen nog een gevangenisstraf moest uitzitten. In die zaak werd de vreemdeling dus wel geraakt door de





1. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2 ECLI:NL:RBDHA:2023:1131.
3 ECLI:NL:RBOBR:2023:813.
4 ECLI:NL:RBOBR:2023:1151 en ECLI:NL:RBOBR:2023:1145.
5 De prejudiciële vragen zijn gesteld in de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
6 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:1006.
7 ECLI:NL:RBGEL:2022:3346.




grondslag van de artikel 7-procedure. Dat rechtsoverweging 12 van die uitspraak algemeen is geformuleerd, betekent, anders dan eiser op zitting heeft gesteld, niet dat daarom ook in het geval van eiser aannemelijk is dat Polen het interstatelijk vertrouwensbeginsel zal schenden. Uit rechtsoverweging 13 van die uitspraak blijkt duidelijk dat de voorlopige voorziening is toegewezen om te voorkomen dat de vreemdeling kon worden overgedragen aan Polen om het restant van zijn in Nederland opgelegde gevangenisstraf te ondergaan en (daarmee) na terugkeer naar Polen in een met artikel 4 Handvest-strijdige situatie zou komen te verkeren.


7. Eiser heeft verder aangevoerd dat ook niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel als sprake is van omstandigheden die niet direct in verband staan met de artikel 7-procedure. De rechtbank begrijpt eisers standpunt zo, dat hij bedoelt dat in Polen niet alleen geen onafhankelijke rechtspraak bestaat maar dat Polen zich ook schuldig maakt aan het schenden van andere grondrechten. Omdat eiser verder niet duidelijk heeft gemaakt welke van zijn grondrechten zullen worden geschonden als hij terug zou moeten gaan naar Polen, ziet de rechtbank ook in dit opzicht geen aanleiding om te oordelen dat (in eisers geval) niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

8. De conclusie is dat verweerder eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk mocht verklaren. Het beroep is dus ongegrond.

9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2023 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.






Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:



09 mei 2023





















Documentcode: [documentcode]

















Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.