Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2023:2493
Inhoudsindicatie
Afwijzing machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Cliënt vertoont geen actief verzet meer tegen de voortzetting van het verblijf. De rechtbank komt daarom tot afwijzing van het verzoek. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de medische verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet De lijn van de Hoge Raad dat de psychiater de betrokkene met het oog op de door hem af te geven geneeskundige verklaring, behoudens in noodsituaties, in persoon dient te onderzoeken kan ook worden doorgetrokken in het kader van de Wzd. Cliënt is beoordeeld door de psychiater middels videobellen en uit de medische verklaring blijkt niet dat er sprake was van een noodsituatie of dat anderszins het redelijkerwijs niet mogelijk was voor de psychiater om cliënt in diens fysieke aanwezigheid te spreken en observeren. Dit had dan bovendien door de psychiater expliciet in de medische verklaring toegelicht moeten worden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2020:1509 Hoge Raad 25-09-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.348 tekens)
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/642597 / FA RK 23-1013
Datum beschikking: 16 februari 2023
Afwijzing machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling
Beschikking
naar aanleiding van het op 13 februari 2023 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[betrokkene01] ,
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum01] 1931 te [geboorteplaats01] ,
wonende te [woonplaats01] ,
thans verblijvende in de accommodatie [verblijfplaats01] ,
advocaat: mr. E.G. Al te Nieuw-Vennep.
Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 februari 2023.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de beschikking van de burgemeester van de gemeente [plaats01] van 10 februari 2023 tot inbewaringstelling;
- de op 10 februari 2023 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam01] , die cliënt met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 16 februari 2023. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de arts, [naam02] .
Standpunten ter zitting
Door en namens cliënt is ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met cliënt en ze zich niet lijkt te verzetten tegen de opname. De advocaat merkt verder op dat cliënt niet in persoon is gehoord door de psychiater, maar via videobellen. Als de lijn van de Hoge Raad dat de psychiater onder de Wvggz de betrokkene met het oog op de door hem af te geven geneeskundige verklaring, behoudens in noodsituaties, persoonlijk dient te onderzoeken wordt doorgetrokken naar de Wzd, dan betekent dit dat er een dringende noodzaak moet zijn waardoor de psychiater cliënt redelijkerwijs niet in persoon kon onderzoeken, maar dat was hier niet het geval.
De arts heeft onder meer meegedeeld dat cliënt was opgenomen omdat cliënt 24-uurs zorg nodig heeft en de thuissituatie ondanks de inzet van thuiszorg niet meer haalbaar was. Cliënt was erg angstig en kon het overzicht niet bewaren waardoor er sprake was van verwaarlozing en valgevaar. Cliënt lijkt zich inmiddels goed te settelen in de accommodatie en vertoont geen verzet meer tegen de opname waardoor een artikel 21 procedure passender is.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de gronden voor een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Uit hetgeen ter zitting is behandeld is gebleken dat cliënt geen actief verzet meer vertoont tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. De rechtbank komt daarom tot afwijzing van het verzoek.
Verder overweegt de rechtbank ten overvloede dat de Hoge Raad, in het kader van de Wet Bopz, die tot 1 januari 2020 van kracht was, in een reeks uitspraken heeft geoordeeld dat de psychiater de betrokkene met het oog op de door hem af te geven geneeskundige verklaring, behoudens in noodsituaties, persoonlijk dient te onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Voorts houdt deze rechtspraak in dat, indien een persoonlijk onderzoek niet mogelijk is, de psychiater in zijn verklaring dient te verantwoorden waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van verkregen informatie van derden, niettemin tot de conclusie komt dat ten aanzien van de betrokkene is voldaan aan de wettelijke vereisten voor gedwongen opneming. Deze rechtspraak heeft onder de Wvggz zijn betekenis behouden. Deze rechtspraak berust immers op het EVRM. Dat betekent dat de psychiater het in die wet voor de diverse vormen van verplichte zorg voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus dient te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is (zie onder meer HR 25 september 2020 ECLI:NL:HR:2020:1509 rov. 3.1.3 en 3.1.4).
De rechtbank overweegt dat deze lijn van de Hoge Raad ook doorgetrokken kan worden in het kader van de Wzd. Cliënt is op 10 februari 2023 beoordeeld door de psychiater middels videobellen. Uit de medische verklaring blijkt niet dat er sprake was van een noodsituatie of anderzins het redelijkerwijs niet mogelijk was voor de psychiater om cliënt in diens fysieke aanwezigheid te spreken en observeren. Dit had dan bovendien door de psychiater expliciet in de medische verklaring toegelicht moeten worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de medische verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 februari 2023.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 februari 2023.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.