Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2023:2344
2023-02-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL23.4634
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ervolgberoep. Marokkaanse. Al opgeheven. Geen procesbelang omdat de Afdeling een vovo heeft getroffen en in hoger beroep zal beslissen over de rechtmatigheid en de schadevergoeding. Niet-ontvankelijk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13413 Rechtbank Den Haag 07-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.188 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4634
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: C.F. Fokkenrood).
Procesverloop
Verweerder heeft op 20 oktober 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 17 februari 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 21 februari 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Bij uitspraak van 17 februari 2023 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de maatregel van bewaring met ingang van 17 februari 2023 wordt opgeheven. Eisers eerste grief in hoger beroep roept volgens deze uitspraak een rechtsvraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
3. Nu de Afdeling in de bodemprocedure zal beslissen over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de voortzetting van de bewaring.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb Den Haag, zp. Middelburg, 7 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13413.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4634
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: C.F. Fokkenrood).
Procesverloop
Verweerder heeft op 20 oktober 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 17 februari 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 21 februari 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Bij uitspraak van 17 februari 2023 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de maatregel van bewaring met ingang van 17 februari 2023 wordt opgeheven. Eisers eerste grief in hoger beroep roept volgens deze uitspraak een rechtsvraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
3. Nu de Afdeling in de bodemprocedure zal beslissen over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de voortzetting van de bewaring.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb Den Haag, zp. Middelburg, 7 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13413.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.