Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2023:22341
2023-03-01
Bestuursrecht
23/598
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
boetebesluit KSA. Nu geen sprake is van een spoedeisend belang en er ook geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5111 Rechtbank Midden-Nederland 23-11-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.313 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/598
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 maart 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] Limited, uit [plaats] (Malta), verzoekster
(gemachtigden: mrs. P.M. Waszink, R. van Neck, M.M.B. Cox),
en
De Raad van Bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder
(gemachtigden: mrs. R.G.J. Wildemors, E. Bouman, I. Rietbergen, K. Hollemans).
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2022 (het boetebesluit) heeft verweerder aan verzoekster een bestuurlijke boete van € 1.128.000,- opgelegd wegens overtreding van de Wet op de kansspelen (Wok).
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft naar aanleiding van een verzoek van de griffier meegedeeld dat het besluit wordt opgeschort tot en met 2 maart 2023.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 februari 2023 op zitting behandeld, gezamenlijk met het verzoek met zaaknummer SGR 23/599, inzake het besluit van verweerder tot openbaarmaking van het boetebesluit. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
Verzoekster en verweerder hebben zich op zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Aan verzoekster is een boete opgelegd van € 1.128.000,- omdat verzoekster gelegenheid heeft gegeven tot deelname aan online kansspelen zonder dat zij de daarvoor benodigde vergunning heeft. Conform de boetebeleidsregels 2021 bestaat de boete uit een basisboete van € 600.000,- plus een verhoging vanwege boeteverhogende omstandigheden. Verzoekster is het niet eens met dit besluit en heeft in haar verzoek om een voorlopige voorziening primair gevraagd om het boetebesluit te schorsen, en subsidiair om de opgelegde betalingsverplichting te schorsen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
3. Verzoekster heeft ter onderbouwing van het spoedeisend belang financiële stukken ingediend. Zij stelt dat het boetebesluit aanzienlijke financiële gevolgen zal hebben. Verzoekster is een relatief kleine onderneming waarvan, tot op heden, de bedrijfsresultaten negatief zijn. Zij bezat behalve een vergunning voor Malta, ook een vergunning voor het gelegenheid bieden voor online kansspelen in het Verenigd Koninkrijk. Zij heeft deze markt eind 2022 echter moeten verlaten in verband met een gebrek aan winstgevendheid. Betaling van de boete in één keer zal dan ook leiden tot acute financiële problemen. In het gunstigste geval zal verzoekster gedwongen zijn om drastisch te reorganiseren en het grootste gedeelte van haar personeel te ontslaan. Waarschijnlijker is echter, dat de betaling van de boete haar faillissement zal betekenen. Hiervoor verwijst verzoekster naar de zaak VoetbalTV, waarin door de Autoriteit Persoonsgegevens ook een boete was opgelegd aan een relatief kleine en jonge onderneming. VoetbalTV is volgens verzoekster failliet gegaan doordat zij gehouden was die boete op korte termijn te betalen.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij deze procedure?
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De door verzoekster aangedragen belangen zijn financieel van aard. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening.
4. Allereerst vindt de voorzieningenrechter van belang, dat er door verzoekster met verweerder een betalingsregeling kan worden getroffen. De gemachtigde van verweerder heeft hierover op zitting toegelicht, dat het totale boetebedrag vooralsnog binnen een periode van één jaar (in gedeeltes) betaald zou mogen worden. Op dit moment staat, uitgaande van een betalingsregeling, de uiterste betaaldatum daarmee dus op 20 december 2023.
5. Verder blijkt uit de door verzoekster ingediende stukken niet, dat betaling van de boete zal leiden tot een acute financiële noodsituatie, of dat de continuïteit van de onderneming van verzoekster hierdoor zal worden bedreigd. De door verzoekster ingebrachte financiële stukken zijn namelijk niet opgesteld door een onafhankelijke derde en een financiële audit ontbreekt. Bovendien is er geen duidelijkheid over de positie van verzoekster binnen het concern waarvan zij deel uitmaakt(e).
Is het besluit evident onrechtmatig?
5. De door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening kan ondanks het ontbreken van een spoedeisend belang, toch worden getroffen, als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht ernstig moet worden betwijfeld, of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter geeft hierover een voorlopig oordeel. In een eventuele bodemprocedure hoeft de rechtbank dit oordeel niet te volgen.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van evidente onrechtmatigheid geen sprake is. Uit de Wok blijkt namelijk dat het verboden is om zonder vergunning gelegenheid te geven aan consumenten in Nederland om deel te nemen aan kansspelen. Uit het boeterapport volgt dat verweerder op de website van verzoekster een account met Nederlandse adresgegevens kon aanmaken, daarop kon inloggen, een storting kon doen en vanuit een Nederlands IP-adres kon deelnemen aan de kansspelen. Er kan dan ook niet worden gezegd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Wok is overtreden. Dat verzoekster, naar zij stelt, diverse maatregelen heeft genomen om deelname aan haar kansspelen vanuit Nederland te voorkomen, doet hier niet aan af.
6. Verder ziet de voorzieningenrechter in de bezwaren tegen de hoogte van de opgelegde boete geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De discussie hierover kan door partijen in de bezwaarfase worden gevoerd.
Conclusie
7. Nu geen sprake is van een spoedeisend belang en er ook geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 35a van de Wok
Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5111
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wok
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/598
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 maart 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] Limited, uit [plaats] (Malta), verzoekster
(gemachtigden: mrs. P.M. Waszink, R. van Neck, M.M.B. Cox),
en
De Raad van Bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder
(gemachtigden: mrs. R.G.J. Wildemors, E. Bouman, I. Rietbergen, K. Hollemans).
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2022 (het boetebesluit) heeft verweerder aan verzoekster een bestuurlijke boete van € 1.128.000,- opgelegd wegens overtreding van de Wet op de kansspelen (Wok).
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft naar aanleiding van een verzoek van de griffier meegedeeld dat het besluit wordt opgeschort tot en met 2 maart 2023.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 februari 2023 op zitting behandeld, gezamenlijk met het verzoek met zaaknummer SGR 23/599, inzake het besluit van verweerder tot openbaarmaking van het boetebesluit. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
Verzoekster en verweerder hebben zich op zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Aan verzoekster is een boete opgelegd van € 1.128.000,- omdat verzoekster gelegenheid heeft gegeven tot deelname aan online kansspelen zonder dat zij de daarvoor benodigde vergunning heeft. Conform de boetebeleidsregels 2021 bestaat de boete uit een basisboete van € 600.000,- plus een verhoging vanwege boeteverhogende omstandigheden. Verzoekster is het niet eens met dit besluit en heeft in haar verzoek om een voorlopige voorziening primair gevraagd om het boetebesluit te schorsen, en subsidiair om de opgelegde betalingsverplichting te schorsen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
3. Verzoekster heeft ter onderbouwing van het spoedeisend belang financiële stukken ingediend. Zij stelt dat het boetebesluit aanzienlijke financiële gevolgen zal hebben. Verzoekster is een relatief kleine onderneming waarvan, tot op heden, de bedrijfsresultaten negatief zijn. Zij bezat behalve een vergunning voor Malta, ook een vergunning voor het gelegenheid bieden voor online kansspelen in het Verenigd Koninkrijk. Zij heeft deze markt eind 2022 echter moeten verlaten in verband met een gebrek aan winstgevendheid. Betaling van de boete in één keer zal dan ook leiden tot acute financiële problemen. In het gunstigste geval zal verzoekster gedwongen zijn om drastisch te reorganiseren en het grootste gedeelte van haar personeel te ontslaan. Waarschijnlijker is echter, dat de betaling van de boete haar faillissement zal betekenen. Hiervoor verwijst verzoekster naar de zaak VoetbalTV, waarin door de Autoriteit Persoonsgegevens ook een boete was opgelegd aan een relatief kleine en jonge onderneming. VoetbalTV is volgens verzoekster failliet gegaan doordat zij gehouden was die boete op korte termijn te betalen.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij deze procedure?
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De door verzoekster aangedragen belangen zijn financieel van aard. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening.
4. Allereerst vindt de voorzieningenrechter van belang, dat er door verzoekster met verweerder een betalingsregeling kan worden getroffen. De gemachtigde van verweerder heeft hierover op zitting toegelicht, dat het totale boetebedrag vooralsnog binnen een periode van één jaar (in gedeeltes) betaald zou mogen worden. Op dit moment staat, uitgaande van een betalingsregeling, de uiterste betaaldatum daarmee dus op 20 december 2023.
5. Verder blijkt uit de door verzoekster ingediende stukken niet, dat betaling van de boete zal leiden tot een acute financiële noodsituatie, of dat de continuïteit van de onderneming van verzoekster hierdoor zal worden bedreigd. De door verzoekster ingebrachte financiële stukken zijn namelijk niet opgesteld door een onafhankelijke derde en een financiële audit ontbreekt. Bovendien is er geen duidelijkheid over de positie van verzoekster binnen het concern waarvan zij deel uitmaakt(e).
Is het besluit evident onrechtmatig?
5. De door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening kan ondanks het ontbreken van een spoedeisend belang, toch worden getroffen, als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht ernstig moet worden betwijfeld, of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter geeft hierover een voorlopig oordeel. In een eventuele bodemprocedure hoeft de rechtbank dit oordeel niet te volgen.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van evidente onrechtmatigheid geen sprake is. Uit de Wok blijkt namelijk dat het verboden is om zonder vergunning gelegenheid te geven aan consumenten in Nederland om deel te nemen aan kansspelen. Uit het boeterapport volgt dat verweerder op de website van verzoekster een account met Nederlandse adresgegevens kon aanmaken, daarop kon inloggen, een storting kon doen en vanuit een Nederlands IP-adres kon deelnemen aan de kansspelen. Er kan dan ook niet worden gezegd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Wok is overtreden. Dat verzoekster, naar zij stelt, diverse maatregelen heeft genomen om deelname aan haar kansspelen vanuit Nederland te voorkomen, doet hier niet aan af.
6. Verder ziet de voorzieningenrechter in de bezwaren tegen de hoogte van de opgelegde boete geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De discussie hierover kan door partijen in de bezwaarfase worden gevoerd.
Conclusie
7. Nu geen sprake is van een spoedeisend belang en er ook geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 35a van de Wok
Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5111
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wok