Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2023:15992
2023-09-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL23.25743
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Maatregel van ophouding, aanhouding strafrechtelijk, geen aanwijzing voor (verkapt) vreemdelingrechtelijk aanhouding, ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2012:BY8312 Raad van State 27-12-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.946 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.25743
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 27 augustus 2023 waarin de staatssecretaris eiser de maatregel van ophouding heeft opgelegd op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000(Vw 2000).Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De maatregel van ophouding is op 27 augustus 2023 om 11:00 uur opgelegd en op 27 augustus 2023 om 18:25 uur opgeheven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de maatregel van ophouding rechtmatig was. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. De maatregel van ophouding was niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Was de aanhouding van eiser rechtmatig?
4. Eiser voert aan dat het onduidelijk is op welke grond en welke politiebevoegdheid hij is aangehouden, evenals waarom hij zijn identiteitsbewijs moest laten zien. Eiser stelt daarbij dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf is, waardoor de grond voor de aanhouding hem niet duidelijk is.
4.1.
Eiser is aangehouden op grond van overtreding van de identificatieplicht van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In de Memorie van Toelichting bij de Wet op de uitgebreide identificatieplichtis vermeld dat het van belang is dat in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 447e van het Sr wordt opgenomen, in welk kader de desbetreffende vordering werd gedaan en waarom deze noodzakelijk was voor een redelijke taakuitoefening. Zoals volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het in het kader van de toetsing van de maatregel van ophouding en inbewaringstelling niet nodig dat in het proces-verbaal een en ander expliciet wordt vermeld, maar gaat het erom dat uit de gerelateerde feiten en omstandigheden genoegzaam duidelijk wordt dat geen toepassing is gegeven aan (verkapt) vreemdelingrechtelijk toezicht.
4.2.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2023 blijkt het volgende. Drie verbalisanten, belast met noodhulpdienst, kregen de opdracht van het Operationeel Centrum om naar het [plaats] te Amsterdam te gaan, omdat daar sprake zou zijn van een verdachte situatie. Een melder heeft twee personen gezien die bij iedereen aanbellen en doelloos ronddwalen in de directe omgeving. Op basis van deze melding zijn de drie verbalisanten onverwijld ter plaatse gekomen, waar zij twee personen aantroffen die voldeden aan het signalement die de melder had opgegeven. Een van deze personen bleek eiser te zijn. In verband met deze melding hebben de verbalisanten op grond vanartikel 8, eerste lid, van de Politiewet 2012 aan beide personen, waaronder eiser, de inzage gevorderd van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De verbalisanten hebben vastgesteld dat eiser de Nederlandse en Engelse taal niet machtig was. Hierop heeft één van de verbalisanten telefonisch een tolk aangevraagd om het gesprek te vertalen. Eiser kon desgevraagd geen identiteitsbewijs tonen. De verbalisant vroeg daarop of hij zijn NAW-gegevens (naam, adres en woonadres) kon geven. De door eiser opgegeven gegevens heeft de verbalisant vervolgens nagetrokken, maar dat leverde geen resultaat op. Hierop is eiser aangehouden wegens het niet tonen van een identiteitsbewijs.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet. Gelet op wat er in het proces-verbaal staat, is eiser staande gehouden en gecontroleerd op grond van een strafrechtelijke bevoegdheid. Hij is immers aangesproken omdat hij bij iedereen op het [plaats] te Amsterdam heeft aangebeld en doelloos ronddwaalde. Eiser is vervolgens aangehouden omdat hij desgevraagd geen rechtsgeldig identiteitsbewijs over kon leggen. De rechtbank is van oordeel dat de grond van de aanhouding om die reden strafrechtelijk is. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier voor het oordeel dat sprake is van een (verkapt) vreemdelingrechtelijke aanhouding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid vanmr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Kamerstukken II 2003-2004, 29218, nr. 3, p. 13.
Uitspraak van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY8312
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.25743
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 27 augustus 2023 waarin de staatssecretaris eiser de maatregel van ophouding heeft opgelegd op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000(Vw 2000).Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De maatregel van ophouding is op 27 augustus 2023 om 11:00 uur opgelegd en op 27 augustus 2023 om 18:25 uur opgeheven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de maatregel van ophouding rechtmatig was. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. De maatregel van ophouding was niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Was de aanhouding van eiser rechtmatig?
4. Eiser voert aan dat het onduidelijk is op welke grond en welke politiebevoegdheid hij is aangehouden, evenals waarom hij zijn identiteitsbewijs moest laten zien. Eiser stelt daarbij dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf is, waardoor de grond voor de aanhouding hem niet duidelijk is.
4.1.
Eiser is aangehouden op grond van overtreding van de identificatieplicht van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In de Memorie van Toelichting bij de Wet op de uitgebreide identificatieplichtis vermeld dat het van belang is dat in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 447e van het Sr wordt opgenomen, in welk kader de desbetreffende vordering werd gedaan en waarom deze noodzakelijk was voor een redelijke taakuitoefening. Zoals volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het in het kader van de toetsing van de maatregel van ophouding en inbewaringstelling niet nodig dat in het proces-verbaal een en ander expliciet wordt vermeld, maar gaat het erom dat uit de gerelateerde feiten en omstandigheden genoegzaam duidelijk wordt dat geen toepassing is gegeven aan (verkapt) vreemdelingrechtelijk toezicht.
4.2.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2023 blijkt het volgende. Drie verbalisanten, belast met noodhulpdienst, kregen de opdracht van het Operationeel Centrum om naar het [plaats] te Amsterdam te gaan, omdat daar sprake zou zijn van een verdachte situatie. Een melder heeft twee personen gezien die bij iedereen aanbellen en doelloos ronddwalen in de directe omgeving. Op basis van deze melding zijn de drie verbalisanten onverwijld ter plaatse gekomen, waar zij twee personen aantroffen die voldeden aan het signalement die de melder had opgegeven. Een van deze personen bleek eiser te zijn. In verband met deze melding hebben de verbalisanten op grond vanartikel 8, eerste lid, van de Politiewet 2012 aan beide personen, waaronder eiser, de inzage gevorderd van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De verbalisanten hebben vastgesteld dat eiser de Nederlandse en Engelse taal niet machtig was. Hierop heeft één van de verbalisanten telefonisch een tolk aangevraagd om het gesprek te vertalen. Eiser kon desgevraagd geen identiteitsbewijs tonen. De verbalisant vroeg daarop of hij zijn NAW-gegevens (naam, adres en woonadres) kon geven. De door eiser opgegeven gegevens heeft de verbalisant vervolgens nagetrokken, maar dat leverde geen resultaat op. Hierop is eiser aangehouden wegens het niet tonen van een identiteitsbewijs.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet. Gelet op wat er in het proces-verbaal staat, is eiser staande gehouden en gecontroleerd op grond van een strafrechtelijke bevoegdheid. Hij is immers aangesproken omdat hij bij iedereen op het [plaats] te Amsterdam heeft aangebeld en doelloos ronddwaalde. Eiser is vervolgens aangehouden omdat hij desgevraagd geen rechtsgeldig identiteitsbewijs over kon leggen. De rechtbank is van oordeel dat de grond van de aanhouding om die reden strafrechtelijk is. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier voor het oordeel dat sprake is van een (verkapt) vreemdelingrechtelijke aanhouding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid vanmr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Kamerstukken II 2003-2004, 29218, nr. 3, p. 13.
Uitspraak van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY8312