Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2023:15048

2023-10-06 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL23.23599
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2023-10-06
Publicatiedatum
2023-10-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL23.23599
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin, 8:54 Awb, Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, rechtsbijstand, ongegrond

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.945 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummer: NL23.23599


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[naam]

geboren op [geboortedatum]
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer], hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),



en




de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.




Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 augustus 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.



1.2.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank acht het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Totstandkoming van het besluit


4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe, onder herhaling en inlassing van de zienswijze, het volgende aan. Eiser is naar zijn mening slachtoffer is geworden van diverse mensenrechtenschendingen waartegen de Duitse autoriteiten hem niet hebben willen of kunnen beschermen. Hierbij is onder meer sprake geweest van een negatieve bejegening van eiser op grond van zijn homoseksuele geaardheid. Daarnaast is er sprake van een verblijf in een detentiecentrum in Duitsland zonder dat eiser contact kon hebben met anderen, waar eiser ook geen bijstand heeft kunnen krijgen van een advocaat. Eiser heeft geen mogelijkheid gehad bescherming in te roepen of te kunnen klagen. De bereidheid van Duitsland om eiser terug te nemen neemt niet weg dat eiser de ervaring heeft gehad dat hij zijn mensenrechten niet kan effectueren in Duitsland en dat het systeem structurele tekortkomingen kent waardoor hij genoodzaakt was in Nederland (opnieuw) asiel te vragen.6. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat de staatssecretaris ten aanzien van Duitsland in het algemeen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest zal eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218)). Het is aan eiser om in de eerste plaats algemene informatie te overleggen waaruit voldoende concrete aanknopingspunten volgen dat het beschermingsbeleid in Duitsland evident en fundamenteel verschilt van het beleid dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gevoerd. Dat evidente en fundamentele verschil moet er in gelegen zijn dat op voorhand duidelijk is - dus zonder een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag - dat eiser in Duitsland op grond van het algemene beschermingsbeleid geen internationale bescherming krijgt, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt. Alleen dan kan wegens het verschil in beschermingsbeleid volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sprake zijn van een fundamentele systeemfout, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt in de zin van het arrest Jawo.

6.1.
Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland te vrezen heeft dat de Duitse asielprocedure en de opvangvoorzieningen systeemfouten bevatten. Eiser heeft zijn gestelde ervaringen in Duitsland niet nader onderbouwd. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Daarbij komt dat als eiser meent dat Duitsland handelt in strijd met Europese richtlijnen, hij hierover een klacht kan indienen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiser niet willen helpen of dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Voorts is niet onderbouwd dat de wijze waarop rechtsbijstand in Duitsland is geregeld in strijd is met de bepalingen over (kosteloze) rechtsbijstand uit Richtlijn 2013/32/EU (vgl. de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1644).





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is bekendgemaakt op:





Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.




Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie