Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2022:16313
2022-11-17
Civiel recht
8992378 EL 21-5
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dexia
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.745 tekens)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Locatie Den Haag
Civiele kantonzaken
zaak- en rolnummer: 8992378 EL 21-5
vonnis van de kantonrechter van 17 november 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,gevestigd te Amsterdam,eisende partij,
gemachtigde: USG legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk,
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde partij] genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 december 2021;
- de akte uitlating bewijs van 6 januari 2022 van [gedaagde partij] ;
- de schriftelijke verklaringen van 9 augustus 2022 van [gedaagde partij] en [naam] (hierna: [naam] );- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 augustus 2022;
- de conclusie na enquête van Dexia;
- de conclusie na enquête van [gedaagde partij] .
Daarna is vonnis bepaald op heden.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in voornoemd tussenvonnis.
2.2.
In dit tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de aangevoerde bewijsmiddelen het bewijsvermoeden rechtvaardigen dat [naam] , echtgenote van [gedaagde partij] , door kennisname van een of meer bankafschriften eerder dan drie jaar voor 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van de overeenkomsten en dat Dexia voorshands is geslaagd in haar bewijslevering dat het vernietigingsrecht is verjaard. [gedaagde partij] is in de gelegenheid gesteld hiertegen tegenbewijs te leveren.
2.3.
In dat kader zijn als getuige gehoord [gedaagde partij] en [naam] .
2.4.
Met deze getuigenverklaringen en de schriftelijke verklaringen van 25 augustus 2022 is [gedaagde partij] niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs. [gedaagde partij] en [naam] hebben niet consistent en coherent verklaard. Dat geldt met name voor het moment van bekendraken van [naam] met de overeenkomsten en de taakverdeling tussen [gedaagde partij] en [naam] . Zo verklaart [gedaagde partij] dat hij zijn echtgenote heeft verteld over een opbrengst (uit een effectenlease-overeenkomst) en dat hij benaderd was door iemand van Legio Lease om een nieuw contract aan te gaan. Hij geeft aan dat hij toentertijd het mooie verhaal dat hij kreeg voorgeschoteld ook aan zijn echtgenote verteld heeft. Verder verklaart hij dat het allereerst contract een spaar/lease contract was en dat mede met de uit die overeenkomst voortkomende opbrengst een nieuwe auto is aangeschaft. Over het ‘Korting Kado’ contract, dat daarna is aangegaan, verklaart hij dat het om een aantrekkelijk contract ging en dat hij zijn vrouw daar vast enthousiast over verteld heeft. Dit contract is eind 1999 aangegaan. Hij weet niet meer precies op welk moment de publiciteit opkwam naar aanleiding waarvan hij zijn echtgenote heeft ingelicht dat het er niet goed uitzag. Omtrent de taakverdeling tussen hemzelf en zijn echtgenote geeft [gedaagde partij] aan dat hij de belastingaangifte deed voor zijn echtgenote en hemzelf tezamen. Zij gaf haar jaaropgave aan [gedaagde partij] en de andere benodigde gegevens waren bij hem al bekend. Over post die op beider namen stond, dus ook bankafschriften van de gezamenlijke rekening, verklaart hij tot slot dat deze geopend werd door degene die de post als eerste zag.
2.5.
[naam] heeft verklaard dat zij wist dat er in het begin iets goed is gegaan en dat zij en haar echtgenoot om die reden een nieuwe auto hebben gekocht. Dat moment was het moment dat zij hoorde dat haar echtgenote iets met aandelen had gedaan. Zij meent dat de nieuwe auto ongeveer in 2000 is aangeschaft. Zij geeft aan dat haar man haar niet (ook) op een ander moment heeft ingelicht over een opbrengst. Op een gegeven moment kreeg haar echtgenoot last van slapeloze nachten. Hij heeft haar toen verteld dat er iets niet goed was en zij begreep dat het te maken had met die overeenkomsten met aandelen. Later kwamen de nieuwsberichten over de kwestie. Wanneer dat was, kan zij zich niet herinneren. Het moet volgens [naam] ná (aanschaf van) de auto zijn geweest. Tot slot heeft zij over het moment van bekendraken verklaard dat zij zich kan voorstellen dat haar echtgenoot het enthousiaste verhaal van de verkoper ook aan haar heeft verteld. Wanneer dat precies geweest is, kan zij zich niet herinneren. Zij bemoeide zich daar niet mee. Voor wat betreft de taakverdeling tussen haar en haar echtgenoot verklaart [naam] dat zij post van [gedaagde partij] nooit open maakte. Dat gold ook voor de bankafschriften van de en/of-rekeningen. Zij had een pasje van de Postbankrekening. Als het nodig was haalde zij daar geld vanaf en deed ze boodschappen. Zij keek nooit naar het saldo op die rekening. [gedaagde partij] deed volgens haar de financiën en zij liet om die reden de post liggen. Post die aan hen beiden was geadresseerd, liet zij altijd voor haar man liggen. Alleen als het nodig was liet [gedaagde partij] de post aan haar zien. De belastingaangifte werd niet door haar gecontroleerd. [gedaagde partij] vulde die in en tekende hem.
2.6.
De beide verklaringen van [gedaagde partij] en [naam] in onderling verband bezien geven onvoldoende aanknopingspunten om ontzenuwing van het bewijsvermoeden te rechtvaardigen. [gedaagde partij] heeft volgens hem met zijn echtgenote gesproken over de opbrengsten uit de overeenkomsten: eenmaal in het begin (bij aanschaf van de nieuwe auto, hetgeen vóór eind 1999 moet zijn gebeurd) en nogmaals naar aanleiding van de opbrengt die gebruikt werd voor de inleg in het ‘Korting Kado’ contract van eind 1999. Ook heeft [gedaagde partij] aangegeven het enthousiaste verhaal van de verkoper aan zijn echtgenote te hebben verteld, waarbij hij ook heeft verteld dat het iemand van Legiolease betrof. Volgens [naam] zou het goed kunnen dat het zo gegaan is. Daarnaast wordt over de taakverdeling tussen beiden tegenstrijdig verklaard. [naam] heeft immers verklaard dat zij de post met bankafschriften van de gemeenschappelijke rekening niet opende, maar [gedaagde partij] heeft zelf aangegeven dat zij dit wel deed.
2.5.
Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde partij] er niet in geslaagd is om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Hierbij blijft het vermoeden bestaan dat [naam] eerder dan drie jaar voor 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van de overeenkomsten. Het beroep van Dexia op verjaring van het vernietigingsrecht slaagt derhalve en er moet daarom van worden uitgegaan dat de in het geding zijnde overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] niet zijn vernietigd. Het beroep van [gedaagde partij] op artikel 1:88 BW wordt dan ook afgewezen.
buitengerechtelijke kosten
2.6.
[gedaagde partij] heeft verder nog aangevoerd dat een vordering op Dexia resteert vanwege de aan zijn kant gemaakte buitengerechtelijke kosten. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen.
In de procedure van partijen zijn dezelfde buitengerechtelijke werkzaamheden gesteld als die, welke in het arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van [gedaagde partij] en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van [gedaagde partij] te kunnen bepalen, zodat ook in dit geval geen aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
verklaring voor recht van Dexia
2.7.
Het voorgaande betekent dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] niets meer aan [gedaagde partij] verschuldigd is. In het tussenvonnis is verder vast komen te staan dat [gedaagde partij] geen vorderingen op Dexia pretendeert te hebben die betrekking hebben op de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 3] , [contractnummer 4] , [contractnummer 5] en [contractnummer 6] . De door Dexia gevorderde verklaring ligt om die reden voor toewijzing gereed, zoals na te melden.
proceskosten
2.8.
[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Dexia, zoals na te melden.
2.9.
De gevorderde nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen, voor zover nakosten gemaakt zullen worden en Dexia niet vrijwillig binnen veertien dagen na aanschrijving van [gedaagde partij] aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat Dexia, indien deze door de aanschrijving van [gedaagde partij] pas kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het vonnis, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de veroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien. De nakosten zullen worden vastgesteld op € 124,00.
BESLISSING
De kantonrechter:
I. verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde partij] gesloten overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 3] , [contractnummer 2] , [contractnummer 4] , [contractnummer 5] , [contractnummer 1] en [contractnummer 6] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde partij] verschuldigd is,
II. veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia gevallen, tot op heden begroot op:
- voor verschuldigd griffierecht € 81,00
- voor het exploot van dagvaarding € 102,96
- voor salaris van gemachtigde € 996,00
in totaal € 1.179,96
een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;
III. veroordeelt Dexia, onder de voorwaarde dat deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [gedaagde partij] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 124,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,
IV. verklaart deze kostenvergoedingen uitvoerbaar bij voorraad,
V. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart, kantonrechter, en door mr. M. van Walraven, kantonrechter, in het openbaar uitgesproken op 17 november 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.
fm
De griffier De kantonrechter
RECHTBANK DEN HAAG
Locatie Den Haag
Civiele kantonzaken
zaak- en rolnummer: 8992378 EL 21-5
vonnis van de kantonrechter van 17 november 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,gevestigd te Amsterdam,eisende partij,
gemachtigde: USG legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk,
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde partij] genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 december 2021;
- de akte uitlating bewijs van 6 januari 2022 van [gedaagde partij] ;
- de schriftelijke verklaringen van 9 augustus 2022 van [gedaagde partij] en [naam] (hierna: [naam] );- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 augustus 2022;
- de conclusie na enquête van Dexia;
- de conclusie na enquête van [gedaagde partij] .
Daarna is vonnis bepaald op heden.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in voornoemd tussenvonnis.
2.2.
In dit tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de aangevoerde bewijsmiddelen het bewijsvermoeden rechtvaardigen dat [naam] , echtgenote van [gedaagde partij] , door kennisname van een of meer bankafschriften eerder dan drie jaar voor 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van de overeenkomsten en dat Dexia voorshands is geslaagd in haar bewijslevering dat het vernietigingsrecht is verjaard. [gedaagde partij] is in de gelegenheid gesteld hiertegen tegenbewijs te leveren.
2.3.
In dat kader zijn als getuige gehoord [gedaagde partij] en [naam] .
2.4.
Met deze getuigenverklaringen en de schriftelijke verklaringen van 25 augustus 2022 is [gedaagde partij] niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs. [gedaagde partij] en [naam] hebben niet consistent en coherent verklaard. Dat geldt met name voor het moment van bekendraken van [naam] met de overeenkomsten en de taakverdeling tussen [gedaagde partij] en [naam] . Zo verklaart [gedaagde partij] dat hij zijn echtgenote heeft verteld over een opbrengst (uit een effectenlease-overeenkomst) en dat hij benaderd was door iemand van Legio Lease om een nieuw contract aan te gaan. Hij geeft aan dat hij toentertijd het mooie verhaal dat hij kreeg voorgeschoteld ook aan zijn echtgenote verteld heeft. Verder verklaart hij dat het allereerst contract een spaar/lease contract was en dat mede met de uit die overeenkomst voortkomende opbrengst een nieuwe auto is aangeschaft. Over het ‘Korting Kado’ contract, dat daarna is aangegaan, verklaart hij dat het om een aantrekkelijk contract ging en dat hij zijn vrouw daar vast enthousiast over verteld heeft. Dit contract is eind 1999 aangegaan. Hij weet niet meer precies op welk moment de publiciteit opkwam naar aanleiding waarvan hij zijn echtgenote heeft ingelicht dat het er niet goed uitzag. Omtrent de taakverdeling tussen hemzelf en zijn echtgenote geeft [gedaagde partij] aan dat hij de belastingaangifte deed voor zijn echtgenote en hemzelf tezamen. Zij gaf haar jaaropgave aan [gedaagde partij] en de andere benodigde gegevens waren bij hem al bekend. Over post die op beider namen stond, dus ook bankafschriften van de gezamenlijke rekening, verklaart hij tot slot dat deze geopend werd door degene die de post als eerste zag.
2.5.
[naam] heeft verklaard dat zij wist dat er in het begin iets goed is gegaan en dat zij en haar echtgenoot om die reden een nieuwe auto hebben gekocht. Dat moment was het moment dat zij hoorde dat haar echtgenote iets met aandelen had gedaan. Zij meent dat de nieuwe auto ongeveer in 2000 is aangeschaft. Zij geeft aan dat haar man haar niet (ook) op een ander moment heeft ingelicht over een opbrengst. Op een gegeven moment kreeg haar echtgenoot last van slapeloze nachten. Hij heeft haar toen verteld dat er iets niet goed was en zij begreep dat het te maken had met die overeenkomsten met aandelen. Later kwamen de nieuwsberichten over de kwestie. Wanneer dat was, kan zij zich niet herinneren. Het moet volgens [naam] ná (aanschaf van) de auto zijn geweest. Tot slot heeft zij over het moment van bekendraken verklaard dat zij zich kan voorstellen dat haar echtgenoot het enthousiaste verhaal van de verkoper ook aan haar heeft verteld. Wanneer dat precies geweest is, kan zij zich niet herinneren. Zij bemoeide zich daar niet mee. Voor wat betreft de taakverdeling tussen haar en haar echtgenoot verklaart [naam] dat zij post van [gedaagde partij] nooit open maakte. Dat gold ook voor de bankafschriften van de en/of-rekeningen. Zij had een pasje van de Postbankrekening. Als het nodig was haalde zij daar geld vanaf en deed ze boodschappen. Zij keek nooit naar het saldo op die rekening. [gedaagde partij] deed volgens haar de financiën en zij liet om die reden de post liggen. Post die aan hen beiden was geadresseerd, liet zij altijd voor haar man liggen. Alleen als het nodig was liet [gedaagde partij] de post aan haar zien. De belastingaangifte werd niet door haar gecontroleerd. [gedaagde partij] vulde die in en tekende hem.
2.6.
De beide verklaringen van [gedaagde partij] en [naam] in onderling verband bezien geven onvoldoende aanknopingspunten om ontzenuwing van het bewijsvermoeden te rechtvaardigen. [gedaagde partij] heeft volgens hem met zijn echtgenote gesproken over de opbrengsten uit de overeenkomsten: eenmaal in het begin (bij aanschaf van de nieuwe auto, hetgeen vóór eind 1999 moet zijn gebeurd) en nogmaals naar aanleiding van de opbrengt die gebruikt werd voor de inleg in het ‘Korting Kado’ contract van eind 1999. Ook heeft [gedaagde partij] aangegeven het enthousiaste verhaal van de verkoper aan zijn echtgenote te hebben verteld, waarbij hij ook heeft verteld dat het iemand van Legiolease betrof. Volgens [naam] zou het goed kunnen dat het zo gegaan is. Daarnaast wordt over de taakverdeling tussen beiden tegenstrijdig verklaard. [naam] heeft immers verklaard dat zij de post met bankafschriften van de gemeenschappelijke rekening niet opende, maar [gedaagde partij] heeft zelf aangegeven dat zij dit wel deed.
2.5.
Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde partij] er niet in geslaagd is om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Hierbij blijft het vermoeden bestaan dat [naam] eerder dan drie jaar voor 13 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van de overeenkomsten. Het beroep van Dexia op verjaring van het vernietigingsrecht slaagt derhalve en er moet daarom van worden uitgegaan dat de in het geding zijnde overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] niet zijn vernietigd. Het beroep van [gedaagde partij] op artikel 1:88 BW wordt dan ook afgewezen.
buitengerechtelijke kosten
2.6.
[gedaagde partij] heeft verder nog aangevoerd dat een vordering op Dexia resteert vanwege de aan zijn kant gemaakte buitengerechtelijke kosten. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen.
In de procedure van partijen zijn dezelfde buitengerechtelijke werkzaamheden gesteld als die, welke in het arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van [gedaagde partij] en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van [gedaagde partij] te kunnen bepalen, zodat ook in dit geval geen aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
verklaring voor recht van Dexia
2.7.
Het voorgaande betekent dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] niets meer aan [gedaagde partij] verschuldigd is. In het tussenvonnis is verder vast komen te staan dat [gedaagde partij] geen vorderingen op Dexia pretendeert te hebben die betrekking hebben op de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 3] , [contractnummer 4] , [contractnummer 5] en [contractnummer 6] . De door Dexia gevorderde verklaring ligt om die reden voor toewijzing gereed, zoals na te melden.
proceskosten
2.8.
[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Dexia, zoals na te melden.
2.9.
De gevorderde nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen, voor zover nakosten gemaakt zullen worden en Dexia niet vrijwillig binnen veertien dagen na aanschrijving van [gedaagde partij] aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat Dexia, indien deze door de aanschrijving van [gedaagde partij] pas kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het vonnis, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de veroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien. De nakosten zullen worden vastgesteld op € 124,00.
BESLISSING
De kantonrechter:
I. verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde partij] gesloten overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 3] , [contractnummer 2] , [contractnummer 4] , [contractnummer 5] , [contractnummer 1] en [contractnummer 6] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde partij] verschuldigd is,
II. veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia gevallen, tot op heden begroot op:
- voor verschuldigd griffierecht € 81,00
- voor het exploot van dagvaarding € 102,96
- voor salaris van gemachtigde € 996,00
in totaal € 1.179,96
een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;
III. veroordeelt Dexia, onder de voorwaarde dat deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [gedaagde partij] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 124,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,
IV. verklaart deze kostenvergoedingen uitvoerbaar bij voorraad,
V. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart, kantonrechter, en door mr. M. van Walraven, kantonrechter, in het openbaar uitgesproken op 17 november 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.
fm
De griffier De kantonrechter