Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2022:14951
2022-10-13
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL22.1553
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vovo in bezwaar - vbv arbeid als zelfstandige - spoedeisend belang - geen concreet voornemen tot uitzetting - afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2022:1861 Raad van State 30-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1416 Raad van State 18-05-2022
- ECLI:NL:RVS:2021:2109 Raad van State 22-09-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.326 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.1553
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 januari 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 oktober 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaande afmelding, niet verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3. Nu verweerder heeft verklaard dat er geen concrete plannen voor uitzetting van eiser bestaan, is er – gelet op vaste rechtspraak van de hoogste vreemdelingenrechter – geen sprake van een spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 van de Awb.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
5. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:1861), van 18 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1416) en van 22 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2109).
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.1553
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 januari 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 oktober 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaande afmelding, niet verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3. Nu verweerder heeft verklaard dat er geen concrete plannen voor uitzetting van eiser bestaan, is er – gelet op vaste rechtspraak van de hoogste vreemdelingenrechter – geen sprake van een spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 van de Awb.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
5. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:1861), van 18 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1416) en van 22 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2109).