Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2022:14052
2022-12-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL22.25478
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep, toetsing voortduren maatregel, ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10441 Rechtbank Den Haag 06-10-2022
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1188 Rechtbank Den Haag 01-02-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (3.916 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.25478
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 18 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 20 december 2022 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 oktober 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10441) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage volgt dat bij de toetsingen, die met redelijke tussenpozen plaats moeten vinden, niet zelfstandig is beoordeeld of nog steeds aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van bewaring is voldaan. Deze gebrekkige toetsing maakt de bewaring onrechtmatig.
4. Niet in geschil is dat verweerder op meerdere momenten heeft getoetst of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Uit de vertrekgesprekken en het voorgangsrapport volgt dat verweerder bij deze toetsing aan eiser uitvoerig heeft gevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden en vervolgens heeft beoordeeld of deze omstandigheden aanleiding geven de maatregel op te heffen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze toetsing daarmee voldoende volledig, nu de gronden voor de bewaring eerder rechtmatig zijn bevonden en sindsdien niet zijn gewijzigd. Eiser heeft in beroep voor het overige geen gronden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de bewaring niet langer zou mogen voortduren of onredelijk bezwarend is. De enkele stelling dat er geen zelfstandige toets heeft plaatsgevonden is dan ook onvoldoende om te concluderen dat de maatregel onrechtmatig is. Ook ambtshalve is de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C., B. en X. tegen Nederland).
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.25478
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 18 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 20 december 2022 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 oktober 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10441) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage volgt dat bij de toetsingen, die met redelijke tussenpozen plaats moeten vinden, niet zelfstandig is beoordeeld of nog steeds aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van bewaring is voldaan. Deze gebrekkige toetsing maakt de bewaring onrechtmatig.
4. Niet in geschil is dat verweerder op meerdere momenten heeft getoetst of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Uit de vertrekgesprekken en het voorgangsrapport volgt dat verweerder bij deze toetsing aan eiser uitvoerig heeft gevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden en vervolgens heeft beoordeeld of deze omstandigheden aanleiding geven de maatregel op te heffen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze toetsing daarmee voldoende volledig, nu de gronden voor de bewaring eerder rechtmatig zijn bevonden en sindsdien niet zijn gewijzigd. Eiser heeft in beroep voor het overige geen gronden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de bewaring niet langer zou mogen voortduren of onredelijk bezwarend is. De enkele stelling dat er geen zelfstandige toets heeft plaatsgevonden is dan ook onvoldoende om te concluderen dat de maatregel onrechtmatig is. Ook ambtshalve is de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C., B. en X. tegen Nederland).