Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2020:9094
2020-09-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
AWB 20/2762
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
dwangsombesluit, samenhang, kennelijk ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:3933 Raad van State 03-12-2018
- ECLI:NL:RVS:2020:1624 Raad van State 15-07-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.351 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/2762
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 september 2020 in de zaak tussen
[eiseres 1] , eiseres 1
geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [#1] ,
[eiseres 2]
, eiseres 2
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [#2] ,
[eiseres 3]
, eiseres 3,
geboren op [geboortedatum 3] ,
V-nummer: [#3] ,
allen van Syrische nationaliteit,
gezamenlijk te noemen eiseressen,
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen, advocaat)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder.
Procesverloop
Op 4 juli 2018 hebben eiseressen afzonderlijk aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij afzonderlijke brieven van 14 januari 2020 hebben eiseressen verweerder meegedeeld dat hij in gebreke is door niet binnen de beslistermijn op de aanvragen te beslissen.
Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2020 heeft verweerder de aanvragen van eiseressen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseressen een dwangsom toegekend.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Overwegingen
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat aan eiseressen een dwangsom moet worden betaald omdat niet binnen de wettelijke beslistermijn op de aanvragen is beslist. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat slechts één dwangsom hoeft te worden betaald, omdat sprake is van samenhang tussen de aanvragen van eiseressen. Immers, de aanvragen zijn gelijktijdig ingediend en de aanvragen zijn gebaseerd op grotendeels gelijkluidende asielrelazen. Verweerder verwijst hiervoor naar artikel 4:17, zevende lid, van de Awb en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 2018. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de hoogte van de dwangsom € 812,- bedraagt.
3. Eiseressen zijn het daar niet mee eens en voeren het volgende aan. Het gezamenlijk moeten delen van een dwangsom ziet op de situatie waarin één besluit wordt genomen dat voor alle betrokkenen geldt. In de situatie van eiseressen kon echter niet worden volstaan met een gezamenlijk besluit. Eiseressen hebben ieder afzonderlijk een individueel besluit ontvangen. Omdat zij ieder afzonderlijk een aanvraag hebben ingediend, hebben zij ook ieder afzonderlijk recht op vergoeding van de dwangsom.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de aanvragen van eiseressen, die zussen van elkaar zijn, bij de toekenning van de dwangsom terecht als uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van samenhang. Met de stelling, dat sprake is van drie afzonderlijke aanvragen en drie afzonderlijke besluiten hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Nu de aanvragen gelijktijdig zijn ingediend en het familieleden betreft, neemt de rechtbank aan dat de aanvragen zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. Eiseressen hebben geen onderbouwd aanknopingspunt geboden voor een ander oordeel.
5. De rechtbank stelt vast dat eiseressen de hoogte van de toegekende dwangsom niet hebben betwist.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier, op 8 september 2020.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
ECLI:NL:RVS:2018:3933
ECLI:NL:RVS:2020:1624
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/2762
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 september 2020 in de zaak tussen
[eiseres 1] , eiseres 1
geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [#1] ,
[eiseres 2]
, eiseres 2
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [#2] ,
[eiseres 3]
, eiseres 3,
geboren op [geboortedatum 3] ,
V-nummer: [#3] ,
allen van Syrische nationaliteit,
gezamenlijk te noemen eiseressen,
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen, advocaat)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder.
Procesverloop
Op 4 juli 2018 hebben eiseressen afzonderlijk aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij afzonderlijke brieven van 14 januari 2020 hebben eiseressen verweerder meegedeeld dat hij in gebreke is door niet binnen de beslistermijn op de aanvragen te beslissen.
Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2020 heeft verweerder de aanvragen van eiseressen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseressen een dwangsom toegekend.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Overwegingen
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat aan eiseressen een dwangsom moet worden betaald omdat niet binnen de wettelijke beslistermijn op de aanvragen is beslist. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat slechts één dwangsom hoeft te worden betaald, omdat sprake is van samenhang tussen de aanvragen van eiseressen. Immers, de aanvragen zijn gelijktijdig ingediend en de aanvragen zijn gebaseerd op grotendeels gelijkluidende asielrelazen. Verweerder verwijst hiervoor naar artikel 4:17, zevende lid, van de Awb en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 2018. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de hoogte van de dwangsom € 812,- bedraagt.
3. Eiseressen zijn het daar niet mee eens en voeren het volgende aan. Het gezamenlijk moeten delen van een dwangsom ziet op de situatie waarin één besluit wordt genomen dat voor alle betrokkenen geldt. In de situatie van eiseressen kon echter niet worden volstaan met een gezamenlijk besluit. Eiseressen hebben ieder afzonderlijk een individueel besluit ontvangen. Omdat zij ieder afzonderlijk een aanvraag hebben ingediend, hebben zij ook ieder afzonderlijk recht op vergoeding van de dwangsom.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de aanvragen van eiseressen, die zussen van elkaar zijn, bij de toekenning van de dwangsom terecht als uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van samenhang. Met de stelling, dat sprake is van drie afzonderlijke aanvragen en drie afzonderlijke besluiten hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Nu de aanvragen gelijktijdig zijn ingediend en het familieleden betreft, neemt de rechtbank aan dat de aanvragen zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. Eiseressen hebben geen onderbouwd aanknopingspunt geboden voor een ander oordeel.
5. De rechtbank stelt vast dat eiseressen de hoogte van de toegekende dwangsom niet hebben betwist.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier, op 8 september 2020.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
ECLI:NL:RVS:2018:3933
ECLI:NL:RVS:2020:1624