Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2020:11039

2020-09-02 Bestuursrecht AWB - 20 _ 651
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2020-09-02
Publicatiedatum
2020-11-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB - 20 _ 651
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De vaststelling van een (her)inrichtingsplan is niet op rechtsgevolg gericht, en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.beroep ongegrond. mondelinge uitspraak

Citeert (1)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.087 tekens)
Rechtbank DEN Haag


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 20/651


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser


en


het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
(gemachtigde: J. Borst).




Procesverloop


Bij besluit van 18 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek heeft met behulp van Skype plaatsgevonden op 2 september 2020. Eiser en de gemachtigde van verweerder hebben aan de Skype-zitting deelgenomen.



Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser van 13 november 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het besluit tot vaststelling van het definitief ontwerp herinrichting openbare ruimte niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt, zodat daartegen geen bezwaar openstaat.

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertoe voert eiser aan dat hij zich wenst te beklagen bij verweerder over de versmalde doorgang tot het plein aan de Gerestraat als gevolg van het herinrichtingsplan van verweerder. Hierdoor kunnen de hulpdiensten er niet door.

4. Verweerder heeft ter zitting zijn standpunt gehandhaafd en toegezegd dat hij eiser in contact zal brengen met de gemeente voor een nadere toelichting over het herinrichtingsplan, omdat hierover bij eiser onduidelijkheid bestaat.

5. De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, inhoudende dat de vaststelling van een (her)inrichtingsplan niet op rechtsgevolg is gericht, en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1037). Het voorgaande betekent dat tegen de vaststelling van het herinrichtingsplan geen bezwaar kon worden gemaakt. Verweerder heeft derhalve het bezwaar van eiser, voor zover gericht tegen de vaststelling van het herinrichtingsplan, terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Nu verweerder het bezwaar van eiser op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier, op 2 september 2020.





griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.