Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2019:13383

2019-12-19 Bestuursrecht; Belastingrecht AWB - 19 _ 5621
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2019-12-19
Publicatiedatum
2019-12-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5621
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2020/515 | Belastingblad 2020/221 | NLF 2020/0644 | FutD 2020-0742 | Viditax (FutD) 2020030207

Inhoudsindicatie

Aan eiser zijn vier naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of op de genoemde tijdstippen sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen. De rechtbank overweegt dat bij de situatie waarbij sprake is van het in- of uitstappen van personen de bestuurder zichtbaar is en dat deze situatie kortdurend is. Uit de scanfoto’s blijkt dat eiser niet zichtbaar was rondom het voertuig en dat hij van het voertuig is weggelopen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij de woning binnen gaat om zijn moeder te helpen met haar jas en dan samen met haar naar de auto loopt. Deze handelingen vallen niet onder het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, om die reden is er sprake van parkeren. De beroepen zijn ongegrond verklaard.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.599 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Team belastingrecht


zaaknummers: SGR 19/5621, SGR 19/5622, SGR 19/5623 en SGR 19/5624


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
19 december 2019 in de zaken tussen




[EISER], wonende te [PLAATS], eiser



en




de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.




De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 14 augustus 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting.



Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A].




Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.



Overwegingen
1. De auto van eiser (de auto) heeft op diverse parkeerplaatsen gestaan die door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag zijn aangewezen als locatie waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd (de locaties). Het gaat om de volgende constateringen.









Datum constatering


Tijdstip constatering


Straat constatering




6-6-2019


13:39



[W]





13-6-2019


13:33



[C]





13-6-2019


16:20



[B]





17-6-2019


12:46



[C]







2. Tijdens een controle op de voormelde data en tijdstippen is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en dat geen sprake was van parkeren met een geldige parkeervergunning. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder aan eiser vier naheffingsaanslagen opgelegd ten bedrage van € 62,85, bestaande uit € 1,85 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten van de naheffingsaanslag. Het totaalbedrag van de naheffingsaanslagen bedraagt aldus € 251,40.

3. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of op de genoemde tijdstippen sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen.
4. Eiser stelt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, nu sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen. Op de momenten van de controles haalde eiser zijn moeder op om haar vervolgens een arts of naar de fysiotherapeut te brengen, dan wel had eiser voor zijn moeder boodschappen gedaan, daarom is volgens eiser geen sprake van parkeren zoals verweerder dat heeft gesteld. Voorts stelt eiser dat hij op een tweetal momenten namelijk 6 en 13 juni 2019 wel degelijk parkeerbelasting heeft voldaan.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

6. Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel d, van de Verordening parkeerbelastingen 2008 van de gemeente Den Haag wordt, in overeenstemming met artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet, onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Onder het begrip ‘onmiddellijk in- of uitstappen’ kunnen slechts handelingen worden verstaan die een daadwerkelijk in- en uitstappen uit de auto vormen. Het gedurende enkele minuten op de parkeerplaats achterlaten van de auto kan daaronder niet worden begrepen (Hof Arnhem, 16 juli 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AI1627). Van laden en lossen is slechts sprake indien grote of zware goederen in- of uitgeladen worden.

7. De rechtbank overweegt dat bij de situatie waarbij sprake is van het in- of uitstappen van personen de bestuurder zichtbaar is en dat deze situatie kortdurend is. Uit de scanfoto’s blijkt dat eiser niet zichtbaar was rondom het voertuig en dat hij van het voertuig is weggelopen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij de woning binnen gaat om zijn moeder te helpen met haar jas en dan samen met haar naar de auto loopt. Deze handelingen vallen niet onder het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, om die reden is er sprake van parkeren. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat op de momenten waarop de constateringen zijn gedaan sprake was van laden en/of lossen. Eiser stelt dat hij op een tweetal momenten wel degelijk parkeerbelasting heeft voldaan. Echter heeft eiser geen bewijs geleverd die de gemotiveerde betwisting van deze stelling door verweerder weerlegd. Het betoog van eiser kan om die reden dan ook niet slagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de naheffingsaanslagen dan ook terecht aan eiser opgelegd.

8. Voor zover eiser een beroep doet op de hardheidsclausule kan dit beroep in deze procedure niet aan de orde komen nu de toepassing van artikel 63 van de Awr niet aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen. De rechtbank kan hierdoor niet anders dan verweerder hierin volgen.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.








griffier rechter








Afschrift verzonden aan partijen op:








Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.