Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2017:16265
2017-12-22
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL17.14134
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Duitsland, verweerder terecht uitgegaan van meerderjarigheid, mondelinge uitspraak
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2017:2219 Raad van State 15-08-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.445 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.14134
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 december 2017 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.14135, plaatsgevonden op 22 december 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A.M. Fikken, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser is van Ghanese nationaliteit en heeft op 12 september 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in Eurodac blijkt dat een eerder verzoek om internationale bescherming in Duitsland is afgewezen. Duitsland heeft ingestemd met het terugnameverzoek van de Nederlands autoriteiten.
2. Eiser is het echter niet eens met overdracht aan Duitsland. Daarbij stelt hij dat hij minderjarig is. Uit de informatie uit Eurodac blijkt dat eiser in Duitsland als meerderjarig is geregistreerd.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2219) blijkt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat de registratie van de geboortedatum in de andere lidstaten zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Alleen als er identificerende documenten worden overgelegd, kan er aanleiding zijn om van dat uitgangspunt af te wijken.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daarbij in bewijsnood verkeert. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat eiser kennelijk in staat is gebleken om door tussenkomst van zijn moeder documenten over te leggen ter onderbouwing van zijn identiteit. Het door eiser overgelegde document ‘certified copy of entry in register of births’ is evenwel geen identificerende document waarop de foto van eiser staat. Dit document kan de gestelde minderjarigheid dan ook niet onderbouwen.
5. Verder heeft eiser zelf verklaard dat hij zowel in Duitsland als daarvóór in Bulgarije een geboortejaar heeft opgegeven waaruit blijkt dat hij meerderjarig is. Dat eiser eerst daarna naar huis zou hebben gebeld en er toen achter zou zijn gekomen dat hij minderjarig is, acht de rechtbank niet geloofwaardig.
6. De conclusie is dan ook dat verweerder terecht is uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser. Verder heeft verweerder terecht vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.14134
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 december 2017 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.14135, plaatsgevonden op 22 december 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A.M. Fikken, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser is van Ghanese nationaliteit en heeft op 12 september 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in Eurodac blijkt dat een eerder verzoek om internationale bescherming in Duitsland is afgewezen. Duitsland heeft ingestemd met het terugnameverzoek van de Nederlands autoriteiten.
2. Eiser is het echter niet eens met overdracht aan Duitsland. Daarbij stelt hij dat hij minderjarig is. Uit de informatie uit Eurodac blijkt dat eiser in Duitsland als meerderjarig is geregistreerd.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2219) blijkt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat de registratie van de geboortedatum in de andere lidstaten zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Alleen als er identificerende documenten worden overgelegd, kan er aanleiding zijn om van dat uitgangspunt af te wijken.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daarbij in bewijsnood verkeert. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat eiser kennelijk in staat is gebleken om door tussenkomst van zijn moeder documenten over te leggen ter onderbouwing van zijn identiteit. Het door eiser overgelegde document ‘certified copy of entry in register of births’ is evenwel geen identificerende document waarop de foto van eiser staat. Dit document kan de gestelde minderjarigheid dan ook niet onderbouwen.
5. Verder heeft eiser zelf verklaard dat hij zowel in Duitsland als daarvóór in Bulgarije een geboortejaar heeft opgegeven waaruit blijkt dat hij meerderjarig is. Dat eiser eerst daarna naar huis zou hebben gebeld en er toen achter zou zijn gekomen dat hij minderjarig is, acht de rechtbank niet geloofwaardig.
6. De conclusie is dan ook dat verweerder terecht is uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser. Verder heeft verweerder terecht vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.