Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9797
2026-09-22
Strafrecht; Internationaal strafrecht
13-105253-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Executie-EAB Ketland. Tussenuitspraak. Detentieomstandigheden in Liepāja.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6675 Rechtbank Amsterdam 17-06-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7940 Rechtbank Amsterdam 06-08-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.670 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/105253-26
Datum uitspraak: 22 september 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2024 door the Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia, Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Letland)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 3 juni 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Letse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 17 juni 2026
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 17 juni 2026 het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder punt 6 vermelde vragen over de detentieomstandigheden (in het kader van artikel 11 OLW) aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW verlengd met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 23 juli 2026
Op de zitting van 23 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van
mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire en door een tolk in de Letse taal.
Tussenuitspraak van 6 augustus 2026
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 6 augustus 2026 het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de beslissing over de overlevering aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
De zitting van 8 september 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 8 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire en door een tolk in de Letse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 17 juni 2026
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak, waarin zij reeds heeft geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4) en de strafbaarheid van het in het in EAB vermelde feit (onder 5). Deze overwegingen dienen als hier ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: Letse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 6 augustus 2026, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Op 17 augustus 2026 heeft de Letse Department of Imprisonment Institutions onder meer de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) The Department informs that the concerned person in case of extradition initially will be placed in Liepāja Prison lnvestigation Prison Unit.
Regarding the specific prison where [opgeëiste persoon] will be remanded the Department informs that in case if the security measure applied to [opgeëiste persoon] - arrest - will be prolonged, his remanding will be continued in Liepāja Prison lnvestigation Prison Unit. Currently it is not possible to state in which specific prison [opgeëiste persoon] will be serving the liberty deprivation sentence in case of conviction. The convicted persons shall be relocated to any specific prison for sentence serving on the grounds of sentence serving term, seriousness and nature of the committed criminal offence, health condition of convict and psychological qualities, as well as, if possible, age, capacity for work, gained professional skills and necessity to ensure remanding
of prisoner as close as possible to his permanent place of residence.
(…)
In order to control violence among inmates and as far as possible, leaders of informal prison hierarchies, their accomplices and other prisoners who have a negative influence on others are held separately from other vulnerable inmates. Leaders of informal prison hierarchies are isolated on separate floors and in separate locked cells.
In all prisons of Latvia, prisoners are subject to assessment on the basis of their potential for violence or the risk of violence to which they may be exposed and, depending on the risks identified, prisoners are differentiated into groups and placed in cells in such a way that ensures their safety. Prison staff continuously monitor the microclimate among prisoners and apply preventive measures to avoid violent conflicts if they identify or receive information about any potential risk of violent conflicts among prisoners, including separating prisoners who may have a violent conflict, redistributing prisoners in cells or isolating them. Prison staff who observe any signs of violence, including verbal and psychological violence, among prisoners or convicted persons, must investigate the situation and take action to prevent violent acts.
Prisoners are taken for a walk together with the imprisoned persons from the same cell. [opgeëiste persoon] will be placed in a cell with other prisoners only after it has been established that there is no risk of conflict among these prisoners and they are capable of coexisting peacefully in one cell. It should be noted that activities in prisons are organized in accordance with a pre-arranged daily routine activity plan, which eliminates any possibility for the prisoners with a potential risk of conflict to meet in common-use areas and/or activities. The safety of [opgeëiste persoon] in prison outside the cell, i.e. in the common-use areas, in the yard, will be ensured: by officers working in assigned posts and monitoring the atmosphere (microclimate) among prisoners, and thereby identifying, in a timely manner, any possible preconditions for violent conflicts and taking measures to prevent conflicts before they arise; by monitoring the situation through video cameras installed in the majority of common-use areas of the prison; by direct communication for providing the necessary assistance.
The microclimate among prisoners is monitored through interactions between officers and prisoners, collection of relevant information on events and relationships, and through analysis, evaluation and exchange of meaningful information with other members of the staff. Relevant conversations and consultations are held with prisoners on the issues important to them. Preventive conversations may be conducted and prisoners may be involved in social activities and occupations that are important for them. The measures taken before relocation or isolation of prisoners are described above.”
Op 28 augustus 2026 heeft de Letse Department of Imprisonment Institutions op aanvullende vragen van het IRC nog onder meer de volgende informatie verstrekt:
“The Administration hereby informs that in case of extradition to the Republic of
Latvia, [opgeëiste persoon] will be initially placed in the Remand Prison Unit in the Liepāja Prison.
As regards the specific places of imprisonment where [opgeëiste persoon] will be placed, the
Administration hereby notes that, if a security measure applied to [opgeëiste persoon] — arrest — is extended, [opgeëiste persoon] will continue to be placed in the Remand Prison Unit in the Liepāja Prison. Currently, it is not possible to determine in which prison [opgeëiste persoon] would be serving his sentence of imprisonment, if he were convicted. Convicted persons are removed to imprisonment facilities where the sentence is to be served, taking into account the length of time for which the sentence imposed must be served, the severity and nature of the offence committed, the convicted person’s health, psychological characteristics, and, where possible, the convicted person’s age, ability to work, the speciality held, as well as the place of permanent residence of the convicted person.
In the Liepāja Prison, [opgeëiste persoon] will be held in the cell intended for 2 persons. The
Liepāja Prison does not have bigger cells than for 2 persons.”
Standpunten van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat met de nieuwe aanvullende informatie het risico op een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in de garantie niet wordt uitgelegd hoe wordt voorkomen dat de opgeëiste persoon in de informele hiërarchie in een lagere positie terechtkomt en daardoor wordt blootgesteld aan een vernederende behandeling. Verder wordt niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon wordt aangemerkt als kwetsbare gedetineerde en dat hij wordt gescheiden van de leiders van de hiërarchie. Ook ontbreekt objectieve informatie over de feitelijke werking van de maatregelen tegen het informele kastenstelsel in de inmiddels geopende gevangenis van Liepāja. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte garantie het individueel gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt en dat de overlevering kan worden toegestaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat met de aanvullende informatie van 17 en 28 augustus 2026 sprake is van een wijziging van de omstandigheden nu daarin concreet en toegespitst op de opgeëiste persoon is omschreven op welke wijze voorkomen wordt dat de opgeëiste persoon zowel in de cel als in de gemeenschappelijke ruimtes onderworpen wordt aan het kastenstelsel en daarmee aan een vernederende behandeling in de penitentiaire instelling van Liepāja.
Tegelijkertijd roepen de eerst geciteerde paragrafen uit beide brieven vragen bij de rechtbank op. Daaruit valt immers op te maken dat de Department of Imprisonment Institutions er vanuit gaat dat de opgeëiste persoon na overlevering op de titel van voorlopige hechtenis komt vast te zitten. In die informatie staat verder dat, indien de opgeëiste persoon wordt veroordeeld, nader zal worden bepaald in welke penitentiaire instelling hij zijn straf gaat uitzitten. De opgeëiste persoon is echter al onherroepelijk veroordeeld en de overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Voorlopige hechtenis is dus niet aan de orde. In de tussenuitspraak van 17 juni 2026 is op basis van de aanvullende informatie van 8 mei 2026 door de rechtbank aangenomen dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in de penitentiaire instelling van Liepāja zal worden gedetineerd in ‘the Remand (investigation) Prison Section. Tezamen met de zojuist geschetste aanvullende informatie van 17 augustus 2026 en 28 augustus 2026 roept dit de vraag op of de opgeëiste persoon ook wel daadwerkelijk zijn gevangenisstraf kan ondergaan in de instelling in Liepāja. Dit betekent dat de rechtbank niet zonder meer kan vaststellen dat het algemeen gevaar als gevolg van de gewijzigde omstandigheden nu wel is weggenomen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de beslissing over de overlevering opnieuw aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid OLW op de volgende zitting nogmaals nagaan of binnen een redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden.
5Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd.
BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland in de periode tussen 27 oktober en 5 november 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op
grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op
4 december 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te
beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de
opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip,
met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Letse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Baroud, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en O.P.M. Fruytier, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2026:6675.
ECLI:NL:RBAMS:2026:7940.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/105253-26
Datum uitspraak: 22 september 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2024 door the Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia, Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Letland)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 3 juni 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Letse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 17 juni 2026
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 17 juni 2026 het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder punt 6 vermelde vragen over de detentieomstandigheden (in het kader van artikel 11 OLW) aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW verlengd met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 23 juli 2026
Op de zitting van 23 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van
mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire en door een tolk in de Letse taal.
Tussenuitspraak van 6 augustus 2026
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 6 augustus 2026 het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de beslissing over de overlevering aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
De zitting van 8 september 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 8 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire en door een tolk in de Letse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 17 juni 2026
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak, waarin zij reeds heeft geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4) en de strafbaarheid van het in het in EAB vermelde feit (onder 5). Deze overwegingen dienen als hier ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: Letse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 6 augustus 2026, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Op 17 augustus 2026 heeft de Letse Department of Imprisonment Institutions onder meer de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) The Department informs that the concerned person in case of extradition initially will be placed in Liepāja Prison lnvestigation Prison Unit.
Regarding the specific prison where [opgeëiste persoon] will be remanded the Department informs that in case if the security measure applied to [opgeëiste persoon] - arrest - will be prolonged, his remanding will be continued in Liepāja Prison lnvestigation Prison Unit. Currently it is not possible to state in which specific prison [opgeëiste persoon] will be serving the liberty deprivation sentence in case of conviction. The convicted persons shall be relocated to any specific prison for sentence serving on the grounds of sentence serving term, seriousness and nature of the committed criminal offence, health condition of convict and psychological qualities, as well as, if possible, age, capacity for work, gained professional skills and necessity to ensure remanding
of prisoner as close as possible to his permanent place of residence.
(…)
In order to control violence among inmates and as far as possible, leaders of informal prison hierarchies, their accomplices and other prisoners who have a negative influence on others are held separately from other vulnerable inmates. Leaders of informal prison hierarchies are isolated on separate floors and in separate locked cells.
In all prisons of Latvia, prisoners are subject to assessment on the basis of their potential for violence or the risk of violence to which they may be exposed and, depending on the risks identified, prisoners are differentiated into groups and placed in cells in such a way that ensures their safety. Prison staff continuously monitor the microclimate among prisoners and apply preventive measures to avoid violent conflicts if they identify or receive information about any potential risk of violent conflicts among prisoners, including separating prisoners who may have a violent conflict, redistributing prisoners in cells or isolating them. Prison staff who observe any signs of violence, including verbal and psychological violence, among prisoners or convicted persons, must investigate the situation and take action to prevent violent acts.
Prisoners are taken for a walk together with the imprisoned persons from the same cell. [opgeëiste persoon] will be placed in a cell with other prisoners only after it has been established that there is no risk of conflict among these prisoners and they are capable of coexisting peacefully in one cell. It should be noted that activities in prisons are organized in accordance with a pre-arranged daily routine activity plan, which eliminates any possibility for the prisoners with a potential risk of conflict to meet in common-use areas and/or activities. The safety of [opgeëiste persoon] in prison outside the cell, i.e. in the common-use areas, in the yard, will be ensured: by officers working in assigned posts and monitoring the atmosphere (microclimate) among prisoners, and thereby identifying, in a timely manner, any possible preconditions for violent conflicts and taking measures to prevent conflicts before they arise; by monitoring the situation through video cameras installed in the majority of common-use areas of the prison; by direct communication for providing the necessary assistance.
The microclimate among prisoners is monitored through interactions between officers and prisoners, collection of relevant information on events and relationships, and through analysis, evaluation and exchange of meaningful information with other members of the staff. Relevant conversations and consultations are held with prisoners on the issues important to them. Preventive conversations may be conducted and prisoners may be involved in social activities and occupations that are important for them. The measures taken before relocation or isolation of prisoners are described above.”
Op 28 augustus 2026 heeft de Letse Department of Imprisonment Institutions op aanvullende vragen van het IRC nog onder meer de volgende informatie verstrekt:
“The Administration hereby informs that in case of extradition to the Republic of
Latvia, [opgeëiste persoon] will be initially placed in the Remand Prison Unit in the Liepāja Prison.
As regards the specific places of imprisonment where [opgeëiste persoon] will be placed, the
Administration hereby notes that, if a security measure applied to [opgeëiste persoon] — arrest — is extended, [opgeëiste persoon] will continue to be placed in the Remand Prison Unit in the Liepāja Prison. Currently, it is not possible to determine in which prison [opgeëiste persoon] would be serving his sentence of imprisonment, if he were convicted. Convicted persons are removed to imprisonment facilities where the sentence is to be served, taking into account the length of time for which the sentence imposed must be served, the severity and nature of the offence committed, the convicted person’s health, psychological characteristics, and, where possible, the convicted person’s age, ability to work, the speciality held, as well as the place of permanent residence of the convicted person.
In the Liepāja Prison, [opgeëiste persoon] will be held in the cell intended for 2 persons. The
Liepāja Prison does not have bigger cells than for 2 persons.”
Standpunten van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat met de nieuwe aanvullende informatie het risico op een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in de garantie niet wordt uitgelegd hoe wordt voorkomen dat de opgeëiste persoon in de informele hiërarchie in een lagere positie terechtkomt en daardoor wordt blootgesteld aan een vernederende behandeling. Verder wordt niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon wordt aangemerkt als kwetsbare gedetineerde en dat hij wordt gescheiden van de leiders van de hiërarchie. Ook ontbreekt objectieve informatie over de feitelijke werking van de maatregelen tegen het informele kastenstelsel in de inmiddels geopende gevangenis van Liepāja. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte garantie het individueel gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt en dat de overlevering kan worden toegestaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat met de aanvullende informatie van 17 en 28 augustus 2026 sprake is van een wijziging van de omstandigheden nu daarin concreet en toegespitst op de opgeëiste persoon is omschreven op welke wijze voorkomen wordt dat de opgeëiste persoon zowel in de cel als in de gemeenschappelijke ruimtes onderworpen wordt aan het kastenstelsel en daarmee aan een vernederende behandeling in de penitentiaire instelling van Liepāja.
Tegelijkertijd roepen de eerst geciteerde paragrafen uit beide brieven vragen bij de rechtbank op. Daaruit valt immers op te maken dat de Department of Imprisonment Institutions er vanuit gaat dat de opgeëiste persoon na overlevering op de titel van voorlopige hechtenis komt vast te zitten. In die informatie staat verder dat, indien de opgeëiste persoon wordt veroordeeld, nader zal worden bepaald in welke penitentiaire instelling hij zijn straf gaat uitzitten. De opgeëiste persoon is echter al onherroepelijk veroordeeld en de overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. Voorlopige hechtenis is dus niet aan de orde. In de tussenuitspraak van 17 juni 2026 is op basis van de aanvullende informatie van 8 mei 2026 door de rechtbank aangenomen dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in de penitentiaire instelling van Liepāja zal worden gedetineerd in ‘the Remand (investigation) Prison Section. Tezamen met de zojuist geschetste aanvullende informatie van 17 augustus 2026 en 28 augustus 2026 roept dit de vraag op of de opgeëiste persoon ook wel daadwerkelijk zijn gevangenisstraf kan ondergaan in de instelling in Liepāja. Dit betekent dat de rechtbank niet zonder meer kan vaststellen dat het algemeen gevaar als gevolg van de gewijzigde omstandigheden nu wel is weggenomen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de beslissing over de overlevering opnieuw aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid OLW op de volgende zitting nogmaals nagaan of binnen een redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden.
5Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd.
BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland in de periode tussen 27 oktober en 5 november 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op
grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op
4 december 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te
beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de
opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip,
met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Letse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Baroud, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en O.P.M. Fruytier, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2026:6675.
ECLI:NL:RBAMS:2026:7940.