Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9784
2026-10-01
Strafrecht; Europees strafrecht
13/382530-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
EAB Polen; de rechtbank wijst een tussenuitspraak en geeft uitleg over het arrest C.J.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:5906 Rechtbank Amsterdam 04-06-2026
- ECLI:EU:C:2025:665
- ECLI:NL:RBAMS:2025:7089 Rechtbank Amsterdam 25-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.604 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/382530-24
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 oktober 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 21 mei 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door , mr. S. de Goede, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 4 juni 2026
In de tussenuitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de opgeëiste persoon met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ (hierna: Kb 2008/909) en een kopie van het arrest van the Supreme Court van 21 juni 2017 (I KZP 3/17).
Tevens heeft de rechtbank de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 9 juli 2026
Op de zitting van 9 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is weer bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak 23 juli 2026
In de tussenuitspraak van 23 juli 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van the Supreme Court van 21 juni 2017 (I KZP 3/17), alsmede om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak opgenomen vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Tevens heeft de rechtbank de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 17 september 2026
Op de zitting van 17 september 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is weer bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 4 juni 2026
In de tussenuitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank al de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, de strafbaarheid van de feiten en artikel 11 OLW in relatie tot artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU beoordeeld. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Inleiding
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 4 juni 2026 geoordeeld dat de opgeëiste persoon kan worden gelijk gesteld met een Nederlander en dat om de straf over te kunnen nemen het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van the Supreme Court van 21 juni 2017 (I KZP 3/17) moeten worden toegezonden door de bevoegde autoriteit in Polen. In de tussenuitspraak van 23 juli 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat nog niet kan worden aangenomen dat deze toestemming niet (meer) zal worden verstrekt. De overwegingen hierover in die tussenuitspraak van 23 juli 2026 moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Op 3 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bericht dat er in Polen een procedure loopt met betrekking tot de strafovername door Nederland en dat er nog geen zitting is gepland voor deze procedure.
Op 20 augustus 2026 is door de griffier van the District Court in Koszalin op de aanvullende vragen van het IRC van 11 augustus 2026 het volgende geantwoord:
In response to your email of 11 August 2026, we wish to inform you that it is not possible to specify the exact expected duration of the proceedings in case II Kop 72/26; however, it is likely that they will not last beyond the end of 2026. If the outcome of the proceedings in case II Kop 72/26 means that the Polish custodial sentence may be enforced in the Netherlands, the certificate referred to in your letter will be sent immediately upon completion of the proceedings.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat gelet op de aanvullende informatie van 20 augustus 2026 aanleiding bestaat om de beslistermijn en geschorste overleveringsdetentie nogmaals met 60 dagen te verlengen in afwachting van het certificaat en een kopie van het arrest. Het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon is daar ook mee gediend. Uit de aanvullende informatie is af te leiden dat de Poolse autoriteiten niet onwelwillend zijn om mee te werken aan een strafovername en er is zicht op een beslissing in de Poolse procedure, namelijk voor het einde van het jaar. Subsidiair kan er een prejudiciële vraag worden gesteld over de betekenis van het begrip ‘consent’ uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) in de zaak C.J.. De zaak zal dan alsnog moeten worden aangehouden vanwege de prejudiciële procedure.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat het certificaat en een kopie van het vonnis niet zijn toegezonden. Het kan niet de bedoeling zijn van het Hof van Justitie in het arrest C.J. dat de beslistermijn buiten de termijn van 90 dagen kan worden verlengd in afwachting van het certificaat en een kopie van het arrest. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht uitleg te geven wanneer geen sprake is van ‘consent’ en hoe lang de beslistermijn mag worden verlengd in gevallen zoals het onderhavige. Zo nodig zouden daarover prejudiciële vragen gesteld kunnen worden aan het Hof van Justitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 september 2025 verwezen naar het arrest in de zaak C.J. waarin het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat met de toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis dan wel het arrest de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf wordt uitgedrukt. Uit die uitspraak volgt ook dat die toestemming niet anders kan worden verkregen dan door het toezenden van het voornoemde certificaat en het vonnis dan wel het arrest. De rechtbank wijst er verder op dat het Hof van Justitie in het arrest C.J. onder punt 71 heeft beklemtoond dat de beslissingsstaat “ervoor moet zorgen dat het hem bij kaderbesluit 2008/909 toegekende recht om de door een van zijn rechters uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, alsook het certificaat waarvan het model in bijlage I bij dit kaderbesluit is opgenomen, niet aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden, wordt uitgeoefend op een wijze die een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogelijk maakt en die verzekert dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel en de wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat niet worden verlamd”. Daaruit volgt logischerwijs in ieder geval de verplichting voor de beslissingsstaat om, als zij weigert toestemming te verlenen voor strafovername, dit expliciet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit kenbaar te maken. Een weigering kan dus niet door enkel tijdsverloop tot uitdrukking komen. Het is mogelijk dat zich een situatie voordoet waarin het bericht van de bevoegde autoriteit over het al dan niet toezenden van het certificaat en een kopie van de beslissing uitblijft of zodanig lang op zich laat wachten dat daardoor de werking van het EAB en de wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat wordt verlamd. In een dergelijk geval is mogelijk de vraag aan de orde of de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich wel houdt aan de loyale samenwerking tussen de lidstaten die het Hof van Justitie in het arrest C.J. veronderstelt en, zo nee, wat daarvan de consequentie zou moeten zijn. Die situatie doet zich in deze zaak (nog) niet voor. Er is namelijk aanvullende informatie van 20 augustus 2026 waarin staat dat er momenteel een toestemmingsprocedure over de strafovername aanhangig is in Polen en dat naar aanleiding van de uitkomst van deze procedure toestemming of geen toestemming zal worden gegeven. Van verlamming van de werking van het EAB of van een gebrek aan loyale samenwerking is dus op dit moment geen sprake.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank in de huidige stand van zaken niet concluderen dat er geen toestemming voor strafovername van de Poolse bevoegde autoriteit is en dat de overlevering zou moeten worden toegestaan.
De rechtbank is van oordeel dat, in het licht van wat zij hiervoor heeft overwogen, de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen kan worden verlengd, waarbij zij verwijst naar hetgeen zij hierover in de tussenuitspraak van 4 juni 2026 heeft overwogen, onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding om het certificaat en een kopie van het arrest af te wachten.
5Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn (eindigend 3 december 2026).
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek en M.C. Nooij, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2026:5906.
Nog niet gepubliceerd.
HvJ EU 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
ECLI:NL:RBAMS:2025:7089.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/382530-24
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 oktober 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 21 mei 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door , mr. S. de Goede, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 4 juni 2026
In de tussenuitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de opgeëiste persoon met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ (hierna: Kb 2008/909) en een kopie van het arrest van the Supreme Court van 21 juni 2017 (I KZP 3/17).
Tevens heeft de rechtbank de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 9 juli 2026
Op de zitting van 9 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is weer bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak 23 juli 2026
In de tussenuitspraak van 23 juli 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van the Supreme Court van 21 juni 2017 (I KZP 3/17), alsmede om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak opgenomen vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
Tevens heeft de rechtbank de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 17 september 2026
Op de zitting van 17 september 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is weer bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 4 juni 2026
In de tussenuitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank al de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, de strafbaarheid van de feiten en artikel 11 OLW in relatie tot artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU beoordeeld. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Inleiding
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 4 juni 2026 geoordeeld dat de opgeëiste persoon kan worden gelijk gesteld met een Nederlander en dat om de straf over te kunnen nemen het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van the Supreme Court van 21 juni 2017 (I KZP 3/17) moeten worden toegezonden door de bevoegde autoriteit in Polen. In de tussenuitspraak van 23 juli 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat nog niet kan worden aangenomen dat deze toestemming niet (meer) zal worden verstrekt. De overwegingen hierover in die tussenuitspraak van 23 juli 2026 moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Op 3 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bericht dat er in Polen een procedure loopt met betrekking tot de strafovername door Nederland en dat er nog geen zitting is gepland voor deze procedure.
Op 20 augustus 2026 is door de griffier van the District Court in Koszalin op de aanvullende vragen van het IRC van 11 augustus 2026 het volgende geantwoord:
In response to your email of 11 August 2026, we wish to inform you that it is not possible to specify the exact expected duration of the proceedings in case II Kop 72/26; however, it is likely that they will not last beyond the end of 2026. If the outcome of the proceedings in case II Kop 72/26 means that the Polish custodial sentence may be enforced in the Netherlands, the certificate referred to in your letter will be sent immediately upon completion of the proceedings.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat gelet op de aanvullende informatie van 20 augustus 2026 aanleiding bestaat om de beslistermijn en geschorste overleveringsdetentie nogmaals met 60 dagen te verlengen in afwachting van het certificaat en een kopie van het arrest. Het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon is daar ook mee gediend. Uit de aanvullende informatie is af te leiden dat de Poolse autoriteiten niet onwelwillend zijn om mee te werken aan een strafovername en er is zicht op een beslissing in de Poolse procedure, namelijk voor het einde van het jaar. Subsidiair kan er een prejudiciële vraag worden gesteld over de betekenis van het begrip ‘consent’ uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) in de zaak C.J.. De zaak zal dan alsnog moeten worden aangehouden vanwege de prejudiciële procedure.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat het certificaat en een kopie van het vonnis niet zijn toegezonden. Het kan niet de bedoeling zijn van het Hof van Justitie in het arrest C.J. dat de beslistermijn buiten de termijn van 90 dagen kan worden verlengd in afwachting van het certificaat en een kopie van het arrest. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht uitleg te geven wanneer geen sprake is van ‘consent’ en hoe lang de beslistermijn mag worden verlengd in gevallen zoals het onderhavige. Zo nodig zouden daarover prejudiciële vragen gesteld kunnen worden aan het Hof van Justitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 september 2025 verwezen naar het arrest in de zaak C.J. waarin het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat met de toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis dan wel het arrest de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf wordt uitgedrukt. Uit die uitspraak volgt ook dat die toestemming niet anders kan worden verkregen dan door het toezenden van het voornoemde certificaat en het vonnis dan wel het arrest. De rechtbank wijst er verder op dat het Hof van Justitie in het arrest C.J. onder punt 71 heeft beklemtoond dat de beslissingsstaat “ervoor moet zorgen dat het hem bij kaderbesluit 2008/909 toegekende recht om de door een van zijn rechters uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, alsook het certificaat waarvan het model in bijlage I bij dit kaderbesluit is opgenomen, niet aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden, wordt uitgeoefend op een wijze die een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogelijk maakt en die verzekert dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel en de wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat niet worden verlamd”. Daaruit volgt logischerwijs in ieder geval de verplichting voor de beslissingsstaat om, als zij weigert toestemming te verlenen voor strafovername, dit expliciet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit kenbaar te maken. Een weigering kan dus niet door enkel tijdsverloop tot uitdrukking komen. Het is mogelijk dat zich een situatie voordoet waarin het bericht van de bevoegde autoriteit over het al dan niet toezenden van het certificaat en een kopie van de beslissing uitblijft of zodanig lang op zich laat wachten dat daardoor de werking van het EAB en de wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat wordt verlamd. In een dergelijk geval is mogelijk de vraag aan de orde of de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich wel houdt aan de loyale samenwerking tussen de lidstaten die het Hof van Justitie in het arrest C.J. veronderstelt en, zo nee, wat daarvan de consequentie zou moeten zijn. Die situatie doet zich in deze zaak (nog) niet voor. Er is namelijk aanvullende informatie van 20 augustus 2026 waarin staat dat er momenteel een toestemmingsprocedure over de strafovername aanhangig is in Polen en dat naar aanleiding van de uitkomst van deze procedure toestemming of geen toestemming zal worden gegeven. Van verlamming van de werking van het EAB of van een gebrek aan loyale samenwerking is dus op dit moment geen sprake.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank in de huidige stand van zaken niet concluderen dat er geen toestemming voor strafovername van de Poolse bevoegde autoriteit is en dat de overlevering zou moeten worden toegestaan.
De rechtbank is van oordeel dat, in het licht van wat zij hiervoor heeft overwogen, de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen kan worden verlengd, waarbij zij verwijst naar hetgeen zij hierover in de tussenuitspraak van 4 juni 2026 heeft overwogen, onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding om het certificaat en een kopie van het arrest af te wachten.
5Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn (eindigend 3 december 2026).
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek en M.C. Nooij, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2026:5906.
Nog niet gepubliceerd.
HvJ EU 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
ECLI:NL:RBAMS:2025:7089.