Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9778
2026-10-01
Strafrecht; Europees strafrecht
13-204642-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
EAB België; verweren met betrekking tot artikel 2 OLW en artikel 12 OLW verworpen; uitleg over de uitspraak Rugu en Aucroix; overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW en de straf wordt overgenomen
Citeert (8)
- ECLI:EU:C:2023:235
- ECLI:EU:C:2023:1030
- ECLI:EU:C:2023:1031
- ECLI:EU:C:2025:763
- ECLI:EU:C:2025:549
- ECLI:NL:RBAMS:2022:7536 Rechtbank Amsterdam 14-12-2022
- ECLI:EU:C:2023:444
- ECLI:EU:C:2025:665
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.186 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-204642-26
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2026 door de advocaat-generaal van het hof van beroep Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. R. Schreudering, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het hof van Beroep Antwerpen van 20 februari 2025 - C6 kamer, referentie: 2024/PGA/1960 (griffienummer: 319/25).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest. Deze straf resteert nog in zijn geheel.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering op grond van artikel 2 OLW moet worden geweigerd. Aan het EAB ligt geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis of aanhoudingsbevel
of andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing ten grondslag. Het arrest van het hof van beroep is primair immers een beslissing van de rechter tot oplegging
van de werkstraf. Daarin is vervangende gevangenisstraf opgelegd, maar daartoe is een
separate beslissing nodig van de procureur. Een dergelijke beslissing is niet opgenomen in het EAB, een afschrift daarvan is niet bijgevoegd. Uit het EAB blijkt niet dat de taakstraf niet is verricht en dat er een beslissing van de procureur is genomen, wanneer die is genomen en hoe tot die beslissing is gekomen, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt dat het arrest dat ten grondslag ligt aan het EAB wel voldoet aan de eisen van artikel 2, tweede lid en onder c, OLW. Uit het EAB, gelezen in samenhang met de kopie van het arrest die in het kader van de beoordeling van artikel 6a OLW is toegezonden, volgt dat de vervangende vrijheidsstraf reeds is opgelegd bij het arrest van 20 februari 2025. In het kader van de beoordeling van de genoegzaamheid van het EAB is niet vereist dat door de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt aangegeven op welke wijze en op welke gronden de vervangende vrijheidsstraf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De ratio van artikel 12 OLW, en van het onderliggende artikel 4 bis van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en van het arrest van 23 maart 2023 van het Hof van Justitie geven aanknopingspunten om aan te nemen dat de bescherming van het uitoefenen van de verdedigingsrechten ook toe te passen zijn op de onderhavige Belgische procedure tot omzetting van de werkstraf. Dat de opgeëiste persoon bij die procedure niet is gehoord, hem geen
gelegenheid is gegeven zich hierover uit te laten, en de beslissing hem ook niet is betekend,
raakt dan ook het belang dat artikel 12 OLW beoogt te beschermen, ook als een formele
rechterlijke tussenkomst in de Belgische procedure ontbreekt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond niet aan de orde is, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat heeft geleid tot de beslissing in hoger beroep. De omzettingsbeslissing hoeft niet te worden getoetst.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van het hof van Beroep Antwerpen van 20 februari 2025 toetsen aan artikel 12 OLW.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
De overlevering wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van de vervangende gevangenisstraf van de aanvankelijk opgelegde werkstraf. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie EU) volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf geen „beslissing” in de zin van dat artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 vormt, behalve wanneer deze invloed heeft op de schuldigverklaring of ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of maat van die straf wordt gewijzigd en de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte. Uit het overgelegde arrest van het hof van Beroep van Antwerpen volgt dat de vervangende gevangenisstraf van drie jaar al onderdeel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling. De beslissing waarbij is de tenuitvoerlegging van die eerder opgelegde vervangende vrijheidsstraf is bevolen hoeft daarom niet te worden getoetst aan artikel 12 OLW, aangezien deze beslissing geen invloed had op de schuldigverklaring en de aard of maat van de vrijheidsstraf daarbij niet is gewijzigd.
5Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
informaticacriminaliteit;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
6. De uitspraak Rugu en Aucroix
De rechtbank heeft in een eerdere zaak een algemeen gevaar aangenomen ten aanzien van de detentieomstandigheden in België. Ter zitting heeft de rechtbank de vraag opgeworpen of uit de uitspraak van het Hof van Justitie EU in de zaken Rugu en Aucroix volgt dat er een dwingende volgorde bestaat tussen de weigeringsgrond van artikel 6a OLW en de beoordeling van de detentieomstandigheden (artikel 11 OLW), in die zin dat de rechtbank in alle gevallen eerst moet beoordelen of aan het EAB geen gevolg moet worden gegeven op grond van artikel 11 OLW, voordat zij toekomt aan de beoordeling van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijke dwingende volgorde niet uit de uitspraak volgt, zodat in dit geval eerst artikel 6a OLW kan worden beoordeeld.
De rechtbank overweegt in deze zaak hierover als volgt. In de zaken Rugu en Aucroix heeft het Hof van Justitie EU in antwoord op prejudiciële vragen, voor zover hier van belang, geoordeeld dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ aldus moet worden uitgelegd dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit die op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ wegens onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat heeft geweigerd om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit niet aanvullend kan toepassen teneinde te voorkomen dat de gezochte persoon ongestraft blijft. De uitspraak ziet derhalve op de situatie dat er al een individueel gevaar ten aanzien van de detentieomstandigheden is vastgesteld en de rechtbank heeft geoordeeld dat de executie-overlevering daarom niet toelaatbaar is. In dat geval, zo volgt uit de uitspraak, kan zij de weigeringsgrond van 6a OLW niet aanvullend toepassen. In deze zaak is van die situatie geen sprake. De rechtbank heeft namelijk geen individueel gevaar vastgesteld voor deze opgeëiste persoon vanwege de detentieomstandigheden. De rechtbank kan daarom het beroep van de opgeëiste persoon op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW beoordelen, zonder eerst onderzoek te doen naar de detentieomstandigheden. De uitspraak in Rugu en Aucroix staat aan een dergelijke volgorde van toetsing niet in de weg, zolang de rechtbank nog niet heeft geoordeeld dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg kan worden gegeven aan het EAB.
7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.
Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen?
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
medeplegen van een poging tot oplichting.
De raadsman heeft aangevoerd dat het opleggen van de vrijheidsstraf van drie jaar onverenigbaar is met het Nederlandse recht. In Nederland zou bij een taakstraf van 300 uur, de vervangende hechtenis 150 dagen zijn. Indien de straf wordt overgenomen dan dient dat indachtig het voorgaande te worden omgezet in een hechtenis van maximaal 150 dagen. Subsidiair zou moeten worden nagevraagd of de taakstraf niet toch in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. De opgeëiste persoon heeft zijn best gedaan om de taakstraf uit te voeren in Nederland en heeft hiervoor contact opgenomen met verschillende instanties. Er moet hem nog een kans worden gegund om de taakstraf uit te voeren.
De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de vrijheidsstraf die in Nederland maximaal voor dit soort feiten kunnen worden opgelegd. De maximale vervangende hechtenis naar Nederlands recht is bij de beoordeling of de straf moet worden aangepast niet relevant. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om vragen te stellen over de eventuele mogelijkheid om de aanvankelijk opgelegde taakstraf in Nederland uit te voeren, alleen al omdat daarvoor in de overleveringsprocedure geen grondslag bestaat.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De binding van de opgeëiste persoon met Nederland
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf?
De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Belgische bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende vonnis. Op 17 augustus 2026 heeft de rechtbank het certificaat en een kopie van het veroordelende vonnis ontvangen. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland.
Conclusie
De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
8Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon een Nederlander is en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 47, 57, 140 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
10Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het hof van beroep van Antwerpen voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek en M.C. Nooij, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 32.
HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (Abbottly), punt 36 en de daar genoemde rechtspraak.
HvJ EU 4 juni 2026, C-722/23 (Rugu) en C-91/24 (Aucroix), ECLI:EU:C:2025:549.
Rb. Amsterdam 14 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS).
Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW.
HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.
HvJ EU 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-204642-26
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2026 door de advocaat-generaal van het hof van beroep Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. R. Schreudering, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het hof van Beroep Antwerpen van 20 februari 2025 - C6 kamer, referentie: 2024/PGA/1960 (griffienummer: 319/25).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest. Deze straf resteert nog in zijn geheel.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering op grond van artikel 2 OLW moet worden geweigerd. Aan het EAB ligt geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis of aanhoudingsbevel
of andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing ten grondslag. Het arrest van het hof van beroep is primair immers een beslissing van de rechter tot oplegging
van de werkstraf. Daarin is vervangende gevangenisstraf opgelegd, maar daartoe is een
separate beslissing nodig van de procureur. Een dergelijke beslissing is niet opgenomen in het EAB, een afschrift daarvan is niet bijgevoegd. Uit het EAB blijkt niet dat de taakstraf niet is verricht en dat er een beslissing van de procureur is genomen, wanneer die is genomen en hoe tot die beslissing is gekomen, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt dat het arrest dat ten grondslag ligt aan het EAB wel voldoet aan de eisen van artikel 2, tweede lid en onder c, OLW. Uit het EAB, gelezen in samenhang met de kopie van het arrest die in het kader van de beoordeling van artikel 6a OLW is toegezonden, volgt dat de vervangende vrijheidsstraf reeds is opgelegd bij het arrest van 20 februari 2025. In het kader van de beoordeling van de genoegzaamheid van het EAB is niet vereist dat door de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt aangegeven op welke wijze en op welke gronden de vervangende vrijheidsstraf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De ratio van artikel 12 OLW, en van het onderliggende artikel 4 bis van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en van het arrest van 23 maart 2023 van het Hof van Justitie geven aanknopingspunten om aan te nemen dat de bescherming van het uitoefenen van de verdedigingsrechten ook toe te passen zijn op de onderhavige Belgische procedure tot omzetting van de werkstraf. Dat de opgeëiste persoon bij die procedure niet is gehoord, hem geen
gelegenheid is gegeven zich hierover uit te laten, en de beslissing hem ook niet is betekend,
raakt dan ook het belang dat artikel 12 OLW beoogt te beschermen, ook als een formele
rechterlijke tussenkomst in de Belgische procedure ontbreekt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond niet aan de orde is, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat heeft geleid tot de beslissing in hoger beroep. De omzettingsbeslissing hoeft niet te worden getoetst.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van het hof van Beroep Antwerpen van 20 februari 2025 toetsen aan artikel 12 OLW.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
De overlevering wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van de vervangende gevangenisstraf van de aanvankelijk opgelegde werkstraf. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie EU) volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf geen „beslissing” in de zin van dat artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 vormt, behalve wanneer deze invloed heeft op de schuldigverklaring of ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of maat van die straf wordt gewijzigd en de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte. Uit het overgelegde arrest van het hof van Beroep van Antwerpen volgt dat de vervangende gevangenisstraf van drie jaar al onderdeel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling. De beslissing waarbij is de tenuitvoerlegging van die eerder opgelegde vervangende vrijheidsstraf is bevolen hoeft daarom niet te worden getoetst aan artikel 12 OLW, aangezien deze beslissing geen invloed had op de schuldigverklaring en de aard of maat van de vrijheidsstraf daarbij niet is gewijzigd.
5Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
informaticacriminaliteit;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
6. De uitspraak Rugu en Aucroix
De rechtbank heeft in een eerdere zaak een algemeen gevaar aangenomen ten aanzien van de detentieomstandigheden in België. Ter zitting heeft de rechtbank de vraag opgeworpen of uit de uitspraak van het Hof van Justitie EU in de zaken Rugu en Aucroix volgt dat er een dwingende volgorde bestaat tussen de weigeringsgrond van artikel 6a OLW en de beoordeling van de detentieomstandigheden (artikel 11 OLW), in die zin dat de rechtbank in alle gevallen eerst moet beoordelen of aan het EAB geen gevolg moet worden gegeven op grond van artikel 11 OLW, voordat zij toekomt aan de beoordeling van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijke dwingende volgorde niet uit de uitspraak volgt, zodat in dit geval eerst artikel 6a OLW kan worden beoordeeld.
De rechtbank overweegt in deze zaak hierover als volgt. In de zaken Rugu en Aucroix heeft het Hof van Justitie EU in antwoord op prejudiciële vragen, voor zover hier van belang, geoordeeld dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ aldus moet worden uitgelegd dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit die op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ wegens onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat heeft geweigerd om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit niet aanvullend kan toepassen teneinde te voorkomen dat de gezochte persoon ongestraft blijft. De uitspraak ziet derhalve op de situatie dat er al een individueel gevaar ten aanzien van de detentieomstandigheden is vastgesteld en de rechtbank heeft geoordeeld dat de executie-overlevering daarom niet toelaatbaar is. In dat geval, zo volgt uit de uitspraak, kan zij de weigeringsgrond van 6a OLW niet aanvullend toepassen. In deze zaak is van die situatie geen sprake. De rechtbank heeft namelijk geen individueel gevaar vastgesteld voor deze opgeëiste persoon vanwege de detentieomstandigheden. De rechtbank kan daarom het beroep van de opgeëiste persoon op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW beoordelen, zonder eerst onderzoek te doen naar de detentieomstandigheden. De uitspraak in Rugu en Aucroix staat aan een dergelijke volgorde van toetsing niet in de weg, zolang de rechtbank nog niet heeft geoordeeld dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg kan worden gegeven aan het EAB.
7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.
Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen?
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
medeplegen van een poging tot oplichting.
De raadsman heeft aangevoerd dat het opleggen van de vrijheidsstraf van drie jaar onverenigbaar is met het Nederlandse recht. In Nederland zou bij een taakstraf van 300 uur, de vervangende hechtenis 150 dagen zijn. Indien de straf wordt overgenomen dan dient dat indachtig het voorgaande te worden omgezet in een hechtenis van maximaal 150 dagen. Subsidiair zou moeten worden nagevraagd of de taakstraf niet toch in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. De opgeëiste persoon heeft zijn best gedaan om de taakstraf uit te voeren in Nederland en heeft hiervoor contact opgenomen met verschillende instanties. Er moet hem nog een kans worden gegund om de taakstraf uit te voeren.
De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de vrijheidsstraf die in Nederland maximaal voor dit soort feiten kunnen worden opgelegd. De maximale vervangende hechtenis naar Nederlands recht is bij de beoordeling of de straf moet worden aangepast niet relevant. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om vragen te stellen over de eventuele mogelijkheid om de aanvankelijk opgelegde taakstraf in Nederland uit te voeren, alleen al omdat daarvoor in de overleveringsprocedure geen grondslag bestaat.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De binding van de opgeëiste persoon met Nederland
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf?
De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Belgische bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende vonnis. Op 17 augustus 2026 heeft de rechtbank het certificaat en een kopie van het veroordelende vonnis ontvangen. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland.
Conclusie
De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
8Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon een Nederlander is en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 47, 57, 140 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
10Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het hof van beroep van Antwerpen voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek en M.C. Nooij, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 32.
HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (Abbottly), punt 36 en de daar genoemde rechtspraak.
HvJ EU 4 juni 2026, C-722/23 (Rugu) en C-91/24 (Aucroix), ECLI:EU:C:2025:549.
Rb. Amsterdam 14 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS).
Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW.
HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.
HvJ EU 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.