Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9777

2026-10-01 Strafrecht; Europees strafrecht 13/203132-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-10-01
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13/203132-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

EAB Griekenland; de rechtbank is van oordeel dat gelet op de aanvullende informatie wel voldaan is aan het vereiste van effectieve rechtsbescherming; tussenuitspraak gewezen in afwachting van de beantwoording van de vragen ten aanzien van de detentieomstandigheden

Citeert (15)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.813 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13/203132-26




Datum uitspraak: 1 oktober 2026







TUSSEN-UITSPRAAK





op de vordering van 30 juli 2026, gewijzigd bij de vordering van 13 augustus 2026, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juli 2026 door the Public Prosecution Office of the Court of Appeal of Thessaloniki, Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] (Syrië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres],



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 september 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. W.N. Ramnun, advocaat in Breda, en door een tolk in de Arabische taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.





3Uitvaardigende rechterlijke autoriteit: effectieve rechterlijke bescherming



Inleiding

De rechtbank heeft in een andere zaak prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) gesteld over – kort gezegd – de mogelijkheid van effectieve rechtsbescherming na de overlevering bij Griekse vervolgings-EAB’s die zijn uitgevaardigd door een Griekse officier van justitie. In de beschikking inzake Blerens heeft het Hof van Justitie antwoord op de prejudiciële vragen gegeven. Het Hof van Justitie oordeelt dat ook als de voorwaarden waaronder een EAB dat door een rechterlijke autoriteit niet zijnde een rechter is uitgevaardigd pas ná overlevering van een opgeëiste persoon aan de uitvaardigende lidstaat aan een rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen, is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming, mits in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering beroep in rechte mogelijk is waarbij de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid ervan, worden getoetst. In haar uitspraak van 8 september 2026 heeft de rechtbank, onder meer onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak MM, overwogen dat niet is vereist dat er een afzonderlijke beroepsmogelijkheid bestaat die specifiek ziet op toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB door een rechterlijke autoriteit, niet zijnde een rechter, maar dat voor een opgeëiste persoon wel de mogelijkheid moet bestaan om de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid van het bevel, door een rechter te laten toetsen. Op basis van de in die zaak op dat moment beschikbare informatie, is de rechtbank in voormelde uitspraak van 8 september 2026 tot de conclusie gekomen dat een dergelijke mogelijkheid van toetsing van de voorwaarden van het EAB in Griekenland niet bestaat en er dus geen sprake is van effectieve rechtsbescherming in het geval dat een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door een Griekse officier van justitie.




Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat geen sprake is van een effectieve rechterlijke bescherming ten aanzien van het EAB. Hiertoe verwijst de raadsman naar de uitspraak van deze rechtbank van 8 september 2026. Net als in die zaak is het EAB hier ook uitgevaardigd door een Griekse officier van justitie en er is geen mogelijkheid om de rechtmatigheid van het EAB expliciet te laten toetsen door een rechter. Ook in de aanvullende informatie van 14 september 2026 staat niet dat een dergelijke procedure in Griekenland bestaat.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het vereiste van de effectieve rechtsbescherming. Uit de aanvullende informatie van 14 september 2026 volgt dat er in Griekenland na overlevering de mogelijkheid bestaat om bezwaren tegen het uitvaardigen van het EAB voor te leggen aan een gerechtshof wanneer dat zich buigt over een beroep of rechtsvordering en dus ook die bezwaren noodzakelijkerwijs zal onderzoeken. Daarmee is wel degelijk voldaan aan de mogelijkheid om a posteriori (na overlevering) de voorwaarden van een EAB te laten toetsen, niet via een separate beroepsmogelijkheid – dat is ook niet noodzakelijk – maar wel in het kader van een andere lopende procedure.




Oordeel van de rechtbank

In onderhavige zaak heeft de rechtbank op 24 augustus 2026 aanvullende informatie ontvangen die gelijkluidend is aan de informatie die beschikbaar was in de zaak waarin op 8 september 2026 uitspraak is gedaan.



In die aanvullende informatie van 24 augustus 2026 staat, voor zover hier van belang, het volgende:




Volgens het Griekse rechtssysteem bestaat er bovendien geen procedure waarmee een


gezochte persoon na zijn uitlevering aan Griekenland het Europees arrestatiebevel kan aanvechten. Bij uitlevering wordt het arrestatiebevel immers geacht te zijn uitgevoerd en wordt de persoon nu vastgehouden op grond van een nationaal vervolgingsbevel (arrestatiebevel of rechterlijke uitspraak). De gezochte persoon kan dit echter wel rechtstreeks aanvechten en tegelijkertijd zijn vrijlating verzoeken. Hiervoor is een netwerk van juridische beschermingsmaatregelen voor de gezochte persoon voorzien, waarmee hij het nationale vervolgingsbevel (arrestatiebevel of rechterlijke uitspraak) rechtstreeks kan aanvechten. Indien een van deze bezwaren door de bevoegde rechtbank of rechterlijke raad wordt gehonoreerd, kan hij worden vrijgelaten. Indien de gezochte persoon is uitgeleverd omdat er een nationaal arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd, kan hij verzoeken om dit bevel op te heffen of te vervangen door beperkende voorwaarden. Indien dit verzoek wordt ingewilligd, wordt hij vrijgelaten. Als de gezochte persoon zich heeft uitgeleverd omdat er een veroordeling tegen hem loopt, kan hij, afhankelijk van de zaak, een verzoek indienen tot nietigverklaring van het vonnis of de procedure. Als zijn verzoek wordt ingewilligd, wordt hij vrijgelaten. Hij kan ook hoger beroep of cassatie aantekenen, zelfs te laat, en verzoeken om opschorting van de door hem ingestelde rechtsmiddelen. Als zijn verzoek wordt ingewilligd, wordt hij vrijgelaten.




Naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van 8 september 2026 heeft het IRC de volgende vraag gesteld:




In light of these foregoing considerations and in light of the judgement by the Court of Justice of 13 January 2021 in C 414/20 PPU (MM) (ECLI:EU:C:2021:4, in particular §72 and §73), we would highly appreciate it if you could please inform us whether it is possible to have the conditions of issuance, in particular the proportionality, of the EAW by a public prosecutor, reviewed by a judge at any moment during the criminal proceedings after the surrender?




In het antwoord van 14 september 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit – voor zover hier van belang – als volgt geantwoord:




Volgens het Griekse rechtssysteem, zoals we u in ons vorige antwoord al hebben


meegedeeld, bestaat er geen procedure waarmee de gezochte persoon het Europees


arrestatiebevel rechtstreeks kan aanvechten, noch vóór noch na zijn uitlevering. Er is echter wel


een netwerk van procedurele bescherming voor de gezochte persoon — de verdachte — in de vorm van wettelijke middelen en rechtsmiddelen waarmee hij de nationale vervolging kan aanvechten, zowel vóór als na zijn uitlevering. Indien een van deze bezwaren wordt geaccepteerd, wordt hij vrijgelaten.


Bovendien beslist de rechtbank of het gerechtshof dat zich buigt over het beroep of de


rechtsvordering die de gezochte persoon tegen het nationale openbaar ministerie instelt,


tegelijkertijd indirect over de inhoud van het Europees Arrestbevel. Indien de gezochte persoon


in het beroep of de rechtsvordering die hij tegen het nationale openbaar ministerie instelt, de


geldigheid van het Europees Arrestbevel expliciet betwist door middel van bezwaren die de


ongeldigheid van de vooronderzoeksprocedure of de uitvaardiging van het Europees Arrestbevel aantonen, dan zal het bevoegde gerechtshof dat zich buigt over het beroep of de rechtsvordering noodzakelijkerwijs deze bezwaren onderzoeken en aldus indirect de omstandigheden toetsen waaronder het Europees Arrestbevel is uitgevaardigd.




De rechtbank is van oordeel dat uit de aanvullende informatie van 14 september 2026 volgt dat er in Griekenland een mogelijkheid bestaat om na overlevering de voorwaarden van het uitvaardigen van het EAB te laten toetsen door een rechterlijke instantie. Dat deze toetsing plaatsvindt in het kader van een beroep of de rechtsvordering die de gezochte persoon tegen het nationale openbaar ministerie instelt (naar de rechtbank begrijpt: een rechtsmiddel of rechtsvordering tegen de nationale detentietitel), doet aan de mogelijkheid niet af. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU vloeit immers niet voort dat er een afzonderlijke beroepsmogelijkheid bij een rechter zou moeten bestaan die specifiek ziet op toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB door een rechterlijke autoriteit, niet zijnde een rechter. Gelet op de nieuwe aanvullende informatie van 14 september 2026 is de rechtbank van oordeel dat in Griekenland voldaan is aan het vereiste van effectieve rechtsbescherming. Artikel 2 OLW staat dus niet in de weg aan de overlevering.





4Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een arrest warrant no. 17/08-07-2026 issued by the 3rd Ordinary Investigation Division of the Court of Misdemeanours of Thessaloniki.



De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Grieks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.



Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon, te weten een Iphone.





5Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW


De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:




- deelneming aan een criminele organisatie;

- hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.




Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Griekenland een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.



Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.





6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW


De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Griekenland. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in Griekenland wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.



De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 17 augustus 2026 de volgende garantie gegeven:




“SUBJECT: Our European arrest warrant against [opgeëiste persoon]





Pursuant to Article 5, paragraph 3 of the Framework Decision 2002/584/JHA/13.06.2002 of the Council of the European Union, we guarantee that, in case the requested person, after his surrender to the Greek authorities, is irrevocably sentenced in Greece, he will be allowed to carry out his punishment in the Netherlands (pursuant to the Council Framework Decision 2008/909/JHA).”




Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.





7Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden



Inleiding

De rechtbank heeft in eerdere zaken geoordeeld dat in de detentie-instellingen in Komotini, Thessaloniki, Trikala, Chios en Drama een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).



De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van 4 maart 2026 van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT), waarin onder meer zorgen worden geuit over de detentieomstandigheden van gedetineerden in Griekse detentie-instellingen in het algemeen. Dit rapport is gepubliceerd naar aanleiding van een periodiek CPT-bezoek in januari 2025.



Gelet hierop heeft het IRC op 22 juli 2026 de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:


1. In which detention facility will [opgeëiste persoon] most likely be detained, in case the surrender to Greece will be authorized?
2. Can it be guaranteed that [opgeëiste persoon] will not be detained in the detention facility of Thessaloniki, Komotini or Trikala?



Could you also please provide the following information, with regard to the CPT-report published on 04.03.2026:


3. What is the current occupancy rate of the detention facility where [opgeëiste persoon] will be detained? Furthermore, what is the specific, current occupancy rate in the particular ward or prison-section in which [opgeëiste persoon] is most likely to be detained following his surrender to Greece?
4. How much personal space (excluding sanitary facilities) do detainees in this detention facility have at their disposal in single-occupancy cells and multi-occupancy cells, respectively, in the different wards of the facility? Are the sanitary facilities in the cells adequately separated or partitioned to ensure sufficient privacy?
5. If the available personal space amounts between 3 m² and 4 m² excluding sanitary facilities, I would like to request you to answer the following questions as well (in light of the Dorobantu-judgement, ECLI:EU:C:2019:857, paragraph 75):

a. How many hours per day do detainees spend in their cells?


b. What opportunities do detainees have for outdoor exercise, work, sports, education, and other

activities outside their cells?

c. Are these opportunities, as meant in question 3b, accessible to all detainees?


d. How many hours per day can detainees participate in these activities, assuming they choose to take part in the available options?


e. Does the detention facility generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions?

6. If the detainees in the detention facility where [opgeëiste persoon] will most likely be detained have less than 3 m² of personal space excluding sanitary facilities, keeping in mind the judgement of the Court of Justice of the European Union ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu, para. 73), please also answer the following questions:

a. Are these reductions in the required minimum personal space of 3 m² short, occasional and minor?


b. Are such reductions accompanied by sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities?


c. Does the detention facility generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions?

7. Do all detainees at the detention facility where [opgeëiste persoon] will most likely be placed have access to their own bed, including a mattress and bedding?
8. Could you provide an overview of the current situation regarding the maintenance and hygiene of cells and communal areas at the detention facility where [opgeëiste persoon] most likely will be placed, and could you give an overview of the measures that have yet been taken and their effectiveness?
9. How many doctors and nurses are employed at the detention facility?
10. The court of Amsterdam has taken note of the response provided by the Greek authorities to the report of 30 January 2026, following the findings set out in the CPT report of 4 March 2026 concerning conditions in Greek detention facilities. The court understands from this response that the Greek authorities have announced measures and has paid particular attention to the measures relating to:

a. Overcrowding;


b. interpersonal violence among detainees;


c. the culture of impunity;


d. the significant influence of power groups;


e. the lack of supervision and staffing;


f. the shortage of medical personnel;


g. the absence of complaint procedures for detainees.

Could you provide clarification regarding these specific topics on the situation at the detention facility where [opgeëiste persoon] will most likely be detained, including which concrete improvements have already been implemented at this detention facility following the CPT report, and which measures are still planned?


Op 22 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit als volgt geantwoord:




SUBJECT: Our European arrest warrant against [opgeëiste persoon]


(…) we hereby notify you that in case the person requested is surrender to the Hellenic authorities, he will be detained at the Penitentiary of Nigrita, depending on the premises’ capacity at the time he is surrendered.




In aanvulling hierop is op 23 juli 2026 de volgende informatie door de Director van de Nigrita Penitentiary Establishment gegeven:


1. The Nigrita Penitentiary Establishment has a capacity of 600 inmates. The number of inmates hosted today, 23-07-2026, in our facility is 767 people; this means that 167 people sleep on the floor on a mattress.
2. Each cell has an area of 11.75 sq.m., with a capacity of 3 inmates (3 beds) and access to a window, excluding the toilet-bathroom area. Inside the cell, there is a separate enclosed space with a shower, sink, and toilet, which are in good condition, provided that the residing inmates clean them. There are 200 cells with a maximum capacity to accommodate 3 people in beds. All cells have a window and are adequately ventilated. Due to the large number of inmates, there are cells accommodating four people; the corresponding space in a cell with three people is 3.91 sq.m., whereas in a cell with four people, it is 2.93 sq.m., and the fourth inmate sleeps on a mattress on the floor. Heating is provided for approximately four hours per day, and inmates receive three free meals daily. The food ration is monitored daily by the Director of the facility, and its menu is formulated by the facility’s physician in cooperation with the Prison Council. Free access to potable water is available.
3. Inmates are granted outdoor recess and the opportunity to engage in various sport activities outside the cell; there is also access to fresh air. The daily schedule is regulated by Article 8 of Ministerial Decision 58819/2003.
4. Visits by diplomatic and consular authorities are permitted upon the inmate’s request and approval by the Prison Council. Visitation takes place once a week for each wing in accordance with Article 52 of Law 4985/2022; children’s visitation is available, while telephone communication for inmates is accessible daily via the facility’s card phones. Finally, electronic visitation (video visits) is also available following approval by the Prison Council. Visits last at least half an hour, once a week. Visits by a lawyer are also permitted.
5. Inmates can enroll and register in the facility’s Second Chance School, as well as work in daily-wage positions (e.g. kitchens, cleaners, etc.), which count beneficially towards the calculation and reduction of their sentence.
6. There is a small number of custodial staff in proportion to the number of detained inmates.
7. Two nurses of the TE Nursing branch are employed at the clinic, and both are currently absent on childcare leave; a doctor visits once a week from the Nigrita Health Center, and emergency cases are handled by the Nigrita Health Center and the Serres General Hospital. Furthermore, two (2) employees of the DE Custodial branch are deployed by Daily Duty Order and are responsible for distributing medication and inspecting the pharmacy warehouse, but they do not possess medical knowledge.
8. A strictly personal space of at least three (3) square meters cannot be guaranteed on a permanent basis, as it depends on the number of inmates incarcerated in our facility.
9. Hygiene and cleanliness conditions are deemed satisfactory, taking into account the overcrowding of inmates as well as the inmates’ obligation to keep their cells clean.


Naar aanleiding hiervan heeft het IRC op 4 september 2026 de volgende vragen gesteld:





I. In your answers of 27.07.2026, you indicate that the Nigrita Penitentiary Establishment has a capacity of 600 inmates, but that the number of inmates hosted on 23.07.2026 was 767, meaning that 167 inmates had to sleep on the floor on a mattress. Furthermore, you have indicated that the Nigrita Penitentiary Establishment has 200 cells with a capacity of three people, meaning that the corresponding space in a cell is 3.91 sq.m per inmate. However, there are also cells that, due to the large number of inmates, have to house four people (with one inmate sleeping on the floor), meaning that the corresponding space in a cell is 2.93 sq.m per inmate. In light of the foregoing, you have stated that a strictly personal space of at least 3 sq.m cannot be


guaranteed on a permanent basis, as it depends on the number of inmates incarcerated in your facility.





a. In light of the judgement of the Court of Justice of the European Union ECLI:EU:C:2019:857c (Dorobantu, para. 73), could you please confirm if these reductions in the required minimum personal space of 3 m2 will be short, occasional and minor?







II. In your answers of 27.07.2026, you have indicated that inmates are granted outdoor recess and the opportunity to engage in various sports activities outside their cell, and that inmates also have access to fresh air. You have stated that this daily schedule is regulated by article 8 of Ministerial Decision 58819/2003.


a. Could you please specify the details of this daily schedule and, in doing so, indicate how much time detainees spend outside their cells in total?





Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de detentieomstandigheden in Nigrita een beletsel vormen voor de overlevering, omdat sprake is van bijna 30% overbevolking. Het is niet te verwachten dat dit snel zal worden opgelost. Daarmee is niet voldaan aan de standaard van 4 m² persoonlijke ruimte die het CPT voorschrijft. Daarnaast wordt er voor ongeveer vier uur per dag verwarming geleverd aan gedetineerden. Gedurende de winter is er dus geen sprake van adequate voorzieningen. Hierdoor bestaat er een reëel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende informatie is over de detentieomstandigheden en dat het antwoord op de vragen van 4 september 2026 moet worden afgewacht.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat op vraag 10 (in het bijzonder de onderdelen b, c, d, e en g van die vraag), die op 22 juli 2026 door het IRC is gesteld geen antwoord is gegeven door de Griekse autoriteiten. Evenmin zijn de vragen van 4 september 2026 beantwoord. De rechtbank heeft de antwoorden op deze vragen nodig alvorens zij de detentieomstandigheden in Nigrita kan beoordelen en de vraag kan beantwoorden of sprake is van een algemeen gevaar aldaar en, zo ja, wat de omvang daarvan is. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen in afwachting van de beantwoording van voornoemde vragen.




Verlenging van de beslistermijn

De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 13 oktober 2026. Omdat de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de beslistermijn verlengen met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 30 dagen.






8Beslissing



HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de antwoorden op de door het IRC op 22 juli 2026 gestelde vraag 10 en de door het IRC gestelde vragen van 4 september 2026 en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn (eindigend op 12 november 2026).




VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.




VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.




BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.




BEVEELT de oproeping van een tolk in de Arabische taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek en M.C. Nooij, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2026.




































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 (Blerens).


ECLI:NL:RBAMS:2026:9057.


HvJ EU 13 januari 2021, C-414/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:4 (MM)


Het Internationaal Rechtshulpcentrum van het parket Amsterdam.


Vgl. ECLI:NL:RBAMS:2026:9057.


Zie onderdeel e) van het EAB.


HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.


o.a. Rb. Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3306.


o.a. Rb. Amsterdam 14 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2324 en 31 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3097.


Rb. Amsterdam 18 jan 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1897.


Rb. Amsterdam 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8540.


Rb. Amsterdam 8 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:9057.


Zie onder meer Rb. Amsterdam 5 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1995) en Rb. Amsterdam 28 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:20 16:2630).