Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9764
2026-09-24
Strafrecht; Europees strafrecht
13-199815-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Executie-EAB Polen; artikel 12 OLW: omzettingsbeslissing niet toetsen aan artikel 12 OLW; overlevering toestaan.
Citeert (5)
- ECLI:EU:C:2025:763
- ECLI:NL:RBAMS:2021:420 Rechtbank Amsterdam 10-02-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1794 Rechtbank Amsterdam 06-04-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1794 Rechtbank Amsterdam 06-04-2022
- ECLI:EU:C:2022:100
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.307 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-199815-26
Datum uitspraak: 24 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 15 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2026 door the Rzeszów Regional Court, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the Rzeszów District Court van 20 december 2023 met kenmerk 886/23 en een decision of the Rzeszów District Court van 15 juli 2025.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zes maanden en van 360 dagen. Bij beslissing van 20 december 2023 is een gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf van 32 uur per maand gedurende twee jaar opgelegd. Bij beslissing van 15 juli 2025 is de taakstraf omgezet in een gevangenisstraf van 360 dagen. Deze omzettingsbeslissing is in hoger beroep in stand gelaten met het arrest van the Appellate Court van 28 oktober 2025.
De hiervoor genoemde veroordeling van 20 december 2023 ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden, omdat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet in acht zijn genomen. De omzettingsbeslissing van 28 oktober 2025 valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat de rechter beoordelingsruimte had om een andere beslissing te kunnen nemen. Uit de aanvullende informatie blijkt verder niet dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van de omzettingsprocedure. De Poolse advocaat had hoger beroep ingesteld zonder dat de opgeëiste persoon dat wist. De opgeëiste persoon heeft wel een adres-instructie ontvangen, maar de vraag is in hoeverre het voor de opgeëiste persoon duidelijk was dat deze instructie zich ook uitstrekt tot een eventuele omzettingsprocedure.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omzettingsbeslissing van 28 oktober 2025 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Poolse rechter slechts beoordelingsruimte heeft bij het bepalen of de schorsingsvoorwaarden zijn geschonden. Als de rechter dat heeft vastgesteld, moet de rechter de taakstraf omzetten. Daar bestaat geen beoordelingsmarge meer. De omzettingsbeslissing moet daarom niet getoetst worden aan de vereisten van artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis van
the Rzeszów District Court
van 20 december 2023 met kenmerk 886/23
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van de omzettingsbeslissing van
the Appellate Court
van 28 oktober 2025
Als de vrijheidsstraf deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling is geen sprake van een wijziging van de aard of maat van de oorspronkelijk opgelegde straf. Als de vrijheidsstraf géén deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling (en dus een nieuwe vrijheidsstraf is) moet worden beoordeeld of de rechter beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de aard en de maat van de vrijheidsstraf heeft gehad.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 28 augustus 2026 onder andere de volgende informatie verstrekt:
“(…) The Court had full discretion in deciding whether to replace the unserved penalty of restriction of liberty with a substitute penalty of deprivation of liberty. Such replacement is permitted under Article 65 § 1 of the Executive Penal Code, which provides that where a convicted person evades the penalty of restriction of liberty, the court shall order the enforcement of a substitute penalty of deprivation of liberty. The prerequisite for the Court to apply the above provision is therefore the convicted person’s evasion of the enforcement of the penalty of restriction of liberty. It should be noted, however, that there is no statutory definition of the term “evasion”; consequently, it is in this respect that the Court has discretion to determine whether or not the convicted person has evaded the penalty imposed on him. However, once the Court determines that such circumstances have arisen in relation to the penalty of restriction of liberty, it is required to order its replacement with a substitute penalty of deprivation of liberty. (…) In the present case, both the court of first instance and the court of second instance were required by law to impose a substitute penalty of deprivation of liberty once they had determined that the convicted person had evaded serving the penalty imposed by the judgment issued in case No. II K 886/23.
The Court has no discretion with regard to the length of the substitute penalty of deprivation of liberty. Article 65 § 1 of the Executive Penal Code unequivocally provides that, when making the substitution, one day of deprivation of liberty is to be deemed equivalent to two days of the penalty of restriction of liberty. In issuing the decision of 15 July 2026 replacing the two-year penalty of restriction of liberty with a substitute penalty of 360 days’ deprivation of liberty, the court of first instance applied the legally prescribed principle. (…)”
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze aanvullende informatie van 28 augustus 2026 dat de beslissing van the Appellate Court van 28 oktober 2025 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Weliswaar heeft de rechter blijkens deze informatie beoordelingsvrijheid bij de vraag of de opgeëiste persoon de taakstraf heeft ontweken. Voor de vraag of de omzettingsbeslissing onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, is echter alleen van belang of de rechter beoordelingsvrijheid heeft bij de omzetting van een vrijheidsbeperkende maatregel in een vrijheidsbenemende maatregel en bij het bepalen van de omvang van die vrijheidsbenemende maatregel. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de rechter naar Pools recht daarin geen beoordelingsvrijheid heeft. Als de Poolse rechter eenmaal heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon zich aan de tenuitvoerlegging van zijn taakstraf heeft onttrokken, moet hij namelijk de taakstraf omzetten in een vervangende hechtenis waarbij uitgegaan moet worden van wettelijk vastgelegde maatstaven. De omzettingsbeslissing van 28 oktober 2025 valt dus niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
5Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Rzeszów Regional Court, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (Abbottly).
Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-199815-26
Datum uitspraak: 24 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 15 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2026 door the Rzeszów Regional Court, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the Rzeszów District Court van 20 december 2023 met kenmerk 886/23 en een decision of the Rzeszów District Court van 15 juli 2025.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zes maanden en van 360 dagen. Bij beslissing van 20 december 2023 is een gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf van 32 uur per maand gedurende twee jaar opgelegd. Bij beslissing van 15 juli 2025 is de taakstraf omgezet in een gevangenisstraf van 360 dagen. Deze omzettingsbeslissing is in hoger beroep in stand gelaten met het arrest van the Appellate Court van 28 oktober 2025.
De hiervoor genoemde veroordeling van 20 december 2023 ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden, omdat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet in acht zijn genomen. De omzettingsbeslissing van 28 oktober 2025 valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat de rechter beoordelingsruimte had om een andere beslissing te kunnen nemen. Uit de aanvullende informatie blijkt verder niet dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van de omzettingsprocedure. De Poolse advocaat had hoger beroep ingesteld zonder dat de opgeëiste persoon dat wist. De opgeëiste persoon heeft wel een adres-instructie ontvangen, maar de vraag is in hoeverre het voor de opgeëiste persoon duidelijk was dat deze instructie zich ook uitstrekt tot een eventuele omzettingsprocedure.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omzettingsbeslissing van 28 oktober 2025 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Poolse rechter slechts beoordelingsruimte heeft bij het bepalen of de schorsingsvoorwaarden zijn geschonden. Als de rechter dat heeft vastgesteld, moet de rechter de taakstraf omzetten. Daar bestaat geen beoordelingsmarge meer. De omzettingsbeslissing moet daarom niet getoetst worden aan de vereisten van artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis van
the Rzeszów District Court
van 20 december 2023 met kenmerk 886/23
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van de omzettingsbeslissing van
the Appellate Court
van 28 oktober 2025
Als de vrijheidsstraf deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling is geen sprake van een wijziging van de aard of maat van de oorspronkelijk opgelegde straf. Als de vrijheidsstraf géén deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling (en dus een nieuwe vrijheidsstraf is) moet worden beoordeeld of de rechter beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de aard en de maat van de vrijheidsstraf heeft gehad.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 28 augustus 2026 onder andere de volgende informatie verstrekt:
“(…) The Court had full discretion in deciding whether to replace the unserved penalty of restriction of liberty with a substitute penalty of deprivation of liberty. Such replacement is permitted under Article 65 § 1 of the Executive Penal Code, which provides that where a convicted person evades the penalty of restriction of liberty, the court shall order the enforcement of a substitute penalty of deprivation of liberty. The prerequisite for the Court to apply the above provision is therefore the convicted person’s evasion of the enforcement of the penalty of restriction of liberty. It should be noted, however, that there is no statutory definition of the term “evasion”; consequently, it is in this respect that the Court has discretion to determine whether or not the convicted person has evaded the penalty imposed on him. However, once the Court determines that such circumstances have arisen in relation to the penalty of restriction of liberty, it is required to order its replacement with a substitute penalty of deprivation of liberty. (…) In the present case, both the court of first instance and the court of second instance were required by law to impose a substitute penalty of deprivation of liberty once they had determined that the convicted person had evaded serving the penalty imposed by the judgment issued in case No. II K 886/23.
The Court has no discretion with regard to the length of the substitute penalty of deprivation of liberty. Article 65 § 1 of the Executive Penal Code unequivocally provides that, when making the substitution, one day of deprivation of liberty is to be deemed equivalent to two days of the penalty of restriction of liberty. In issuing the decision of 15 July 2026 replacing the two-year penalty of restriction of liberty with a substitute penalty of 360 days’ deprivation of liberty, the court of first instance applied the legally prescribed principle. (…)”
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze aanvullende informatie van 28 augustus 2026 dat de beslissing van the Appellate Court van 28 oktober 2025 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Weliswaar heeft de rechter blijkens deze informatie beoordelingsvrijheid bij de vraag of de opgeëiste persoon de taakstraf heeft ontweken. Voor de vraag of de omzettingsbeslissing onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, is echter alleen van belang of de rechter beoordelingsvrijheid heeft bij de omzetting van een vrijheidsbeperkende maatregel in een vrijheidsbenemende maatregel en bij het bepalen van de omvang van die vrijheidsbenemende maatregel. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de rechter naar Pools recht daarin geen beoordelingsvrijheid heeft. Als de Poolse rechter eenmaal heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon zich aan de tenuitvoerlegging van zijn taakstraf heeft onttrokken, moet hij namelijk de taakstraf omzetten in een vervangende hechtenis waarbij uitgegaan moet worden van wettelijk vastgelegde maatstaven. De omzettingsbeslissing van 28 oktober 2025 valt dus niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
5Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Rzeszów Regional Court, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (Abbottly).
Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).