Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9540
2026-09-21
Bestuursrecht
AMS 25/3653, 25/4430 en 25/6550
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een vanaf de geboorte blind Amsterdams meisje van 11 jaar oud heeft recht op jeugdhulp in de vorm van specialistische begeleiding door een professionele zorgverlener.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2018:518 Raad van State 14-02-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2024:5299 Rechtbank Amsterdam 22-08-2024
- ECLI:NL:CRVB:2017:1477 Centrale Raad van Beroep 01-05-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2025:9953 Rechtbank Amsterdam 11-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (41.391 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/3653, 25/4430 en 25/6550
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
wettelijk vertegenwoordigd door [naam moeder]
(gemachtigde: mr. K.M.J. Schrijver),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aard en omvang van de toegekende jeugdhulp aan eiseres op grond van de Jeugdwet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Eiseres is 11 jaar oud en zij heeft een visuele beperking. Zij voert aan dat zij overwegend specialistische begeleiding nodig heeft van een professionele zorgverlener in plaats van praktische begeleiding. Het gaat om begeleiding na schooltijd, op de buitenschoolse opvang voor ziende kinderen en meer incidenteel in de weekenden en tijdens vakanties. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres het bezwaar tegen het afwijzen van een dwangsom ten onrechte ongegrond verklaard. Zij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het uitgevoerde onderzoek onvoldoende is en verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd waarom eiseres volgens hem is aangewezen op praktische begeleiding, nu uit de beschikbare informatie van de betrokken professionals volgt dat zij specialistische begeleiding nodig heeft. Gelet op deze informatie, het rapport van de deskundige van eiseres, de gehele duur van de gevoerde procedures en in het licht van de toekomst van eiseres, ziet de rechtbank aanleiding om zelf te voorzien door te beslissen dat eiseres specialistische begeleiding nodig heeft (gehad). Daarnaast heeft verweerder niet op tijd besloten op de aanvraag van eiseres waardoor verweerder een dwangsom heeft verbeurd. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft zich in 2021 tot verweerder gewend en in de periodes daarna om verlenging en/of uitbreiding van de jeugdhulp gevraagd. Verweerder heeft de aanvragen in 2023 en 2024 met de primaire besluiten van 10 maart 2023 en 22 juli 2024 toegewezen, in de zin dat praktische begeleiding is toegekend. Hiervoor geldt een lager tarief dan voor specialistische begeleiding. Met de herziene beslissing op bezwaar van 6 mei 2025 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder, na een uitspraak van deze rechtbank van 22 augustus 2024, het bezwaar van eiseres (opnieuw) ongegrond verklaard en het primaire besluit van 10 maart 2023 gehandhaafd. Met de beslissing op bezwaar van 18 juni 2025 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom ongegrond verklaard. Met de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiseres - onder verwijzing naar de motivering in het bestreden besluit 1 - ongegrond verklaard en het primaire besluit van 22 juli 2024 gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 juni 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mevrouw [naam moeder] , de moeder en wettelijk vertegenwoordiger van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder vergezeld door mevrouw [naam 1] werkzaam bij het Ouder- en Kindteam (OKT) /Pgb-jeugdteam van de gemeente Amsterdam.
Beoordeling door de rechtbank
Verzoek om schadevergoeding
3. Eiseres heeft haar verzoek om schadevergoeding op de zitting ingetrokken, zodat de rechtbank dit punt onbesproken laat.
Procesbelang
4. De rechtbank heeft met partijen op zitting besproken dat deze procedures zien op periodes in het verleden, te weten van 1 februari 2023 tot en met 31 maart 2024 en 30 april 2024 tot en met 31 juli 2025. De begeleiding waar het in deze procedures over gaat, kan daarom niet meer aan eiseres worden verleend. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting bevestigd dat eiseres geen financiële schade heeft geleden als gevolg van de bestreden besluiten 1 en 3. De begeleiding is destijds verleend door mevrouw [naam 2] en zij heeft gewerkt tegen het door verweerder toegekende uurtarief. Er zijn geen openstaande vorderingen. Op dit moment ontvangt eiseres geen ambulante hulp na schooltijd of in het weekend van een professionele zorgverlener. De moeder van eiseres heeft opnieuw jeugdhulp aangevraagd, omdat haar dochter blijvend zorg nodig heeft en in haar ontwikkeling stagneert. Op deze aanvraag is nog niet beslist. Op de zitting heeft de moeder van eiseres toegelicht dat zij in de zoektocht naar de juiste hulp voor haar dochter en bijpassende professionele zorgverlener(s) er tegenaan loopt dat de discussie over de vraag of eiseres praktische dan wel specialistische begeleiding nodig heeft, nog niet is beslecht. Een uitspraak van de rechtbank op dit punt is, gelet op de toekomst van eiseres, daarom gewenst. De rechtbank ziet hierin een actueel en reëel belang, dat niet louter principieel van aard is.
Achtergrond van eiseres
5. Eiseres is 11 jaar oud en zij is vanaf haar geboorte blind. Zij woont samen met haar moeder, oudere broer en zus in [woonplaats] . Zij komt ook bij haar vader, die in [woonplaats] woont. Eiseres gaat vijf dagen per week naar een Visio-school voor blinde en slechtziende kinderen en drie middagen per week naar een reguliere bso (buitenschoolse opvang). Op de zitting heeft de moeder van eiseres verteld dat haar dochter nog steeds specialistische begeleiding nodig heeft van een professionele zorgverlener, die beschikt over de vaardigheden om haar dochter te leren hoe zij in steeds veranderende situaties op de juiste manier kan omgaan met haar visuele beperking en hoe zij bijvoorbeeld gebruik moet maken van een blindegeleidestok.
25/3653
6. De moeder van eiseres heeft zich tot verweerder gewend met het verzoek om jeugdhulp voor haar dochter. Zij heeft in de zomer van 2021 een gesprek gehad met een medewerker van het OKT. De uitkomsten van het gesprek, de doelen, resultaten en afspraken zijn vastgelegd in het perspectiefplan van 6 augustus 2021.
7. Uit het Pgb-plan Jeugd van 13 januari 2023 volgt dat een pgb is aangevraagd in verband met een herbeoordeling. Een eerdere pgb-beschikking liep af op 31 januari 2023. Eiseres vraagt in het Pgb-plan om een pgb voor de begeleiding van mevrouw [naam 2] voor 49 uur per maand en tegen een tarief van € 45,- per uur. Voor de motivering om een pgb aan te vragen wordt verwezen naar de resultaten uit het perspectiefplan. Dit Pgb-plan is aangevuld onder vermelding van “Toevoeging 2023”. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens inhoudelijk beoordeeld en de analyse daarvan neergelegd in een document ‘her-aanvraag pgb’.
8. Met het primaire besluit van 10 maart 2023 is aan eiseres een pgb toegekend voor ambulante jeugdhulp in de vorm van praktische begeleiding en ondersteuning voor 15 uur en 30 minuten per week voor de periode van 1 februari 2023 tot en met 31 maart 2024. Het totale budget is € 27.512,10 en is gebaseerd op een uurtarief van € 37,20.
9. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In haar aanvullende bezwaargronden heeft zij onder meer aangevoerd dat zij specialistische begeleiding nodig heeft. Zij heeft mevrouw [naam 2] van Goedendag Zorg ingehuurd als begeleider. Mevrouw [naam 2] heeft een achtergrond als MMZ-gehandicapten begeleider en zij heeft een SKJ-registratie als Jeugd- en gezinsprofessional. In bezwaar heeft mevrouw [naam 2] toegelicht welke specialistische taken nodig zijn in de begeleiding van eiseres waaronder het aanleren en versterken van fysieke vaardigheden en het aanleren van sociale vaardigheden.
10. Met de beslissing op bezwaar van 19 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft het beroep met een uitspraak van 22 augustus 2024 gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 19 januari 2024 vernietigd. In de uitspraak is (kort samengevat) geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van 19 januari 2024 niet berust op een zorgvuldig onderzoek. Uit artikel 3.13 van de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 en de toelichting daarop volgt dat onder praktische begeleiding en ondersteuning het (langdurig) aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen wordt verstaan. Onder specialistische begeleiding wordt verstaan: specialistische begeleiding gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag. De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet duidelijk is, gelet op de informatie van de begeleiders van eiseres, hoe verweerder zonder advies van een deskundige in te winnen, tot de conclusie is gekomen dat het zwaartepunt in de zorg voor eiseres ligt bij het aansturen en/of inslijten van gedrag en niet bij het aanleren van vaardigheden en gedrag.
11. Na deze uitspraak heeft verweerder het bestreden besluit 1 afgegeven. Verweerder heeft hierin overwogen dat het Pgb-jeugdteam aanvullende informatie heeft opgevraagd bij specialisten en de behandelaren van eiseres en ook bestaande informatie heeft betrokken in zijn onderzoek. Dit heeft niet geleid tot een ander standpunt. Met het bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard en het primaire besluit van 10 maart 2023 gehandhaafd.
25/6550 en 25/4430
12. Uit een opvolgend Pgb-plan Jeugd van 5 maart 2024 volgt dat eiseres een pgb heeft aangevraagd in verband met een herbeoordeling en omdat de eerdere pgb-beschikking afloopt op 31 maart 2024. Eiseres vraagt om een pgb voor begeleiding door mevrouw [naam 2] voor 40 uur per maand en een tarief van € 50,- per uur en om begeleiding door mevrouw [naam 3] voor 60 uur per maand en tarief van € 20,- per uur. Voor de motivering om een pgb aan te vragen wordt verwezen naar de resultaten uit het perspectiefplan. Daarnaast heeft verweerder in dit kader een document her-aanvraag pgb overgelegd waaruit volgt dat de aanvraag, na een huisbezoek, inhoudelijk is beoordeeld en dat er om uitbreiding van het aantal uren is gevraagd. Onderaan dit document is een stuk toegevoegd waarin de vastgestelde doelen worden geëvalueerd.
13. Op 15 mei 2024 heeft eiseres verweerder een ingebrekestelling gestuurd wegens het uitblijven van een besluit op de aanvraag.
14. In een e-mail van 24 mei 2024 van verweerder is bevestigd dat de ingebrekestelling in goede orde is ontvangen en dat de pgb-aanvraag in behandeling is genomen. In de e-mail staat verder vermeld:
“Ik ga mij inlezen in de aanvraag en neem hier volgende week donderdag of vrijdag contact met je over op (ik ben maandag tm woensdag afwezig). We zullen dan ook het tijdspad bespreken.
Tot die tijd geef ik je via deze weg de toezegging voor het inzetten van de 15:30 uur per week die tot en met eind maart beschikt was. Wij zullen deze uren aansluitend aan 31 maart beschikken, tot aan de datum waarop wij het nieuwe besluit nemen. Tot het besluit er is, kan je dus de huidige uren in blijven zetten.”
15. Met het primaire besluit van 22 juli 2024 heeft verweerder aan eiseres een pgb toegekend voor ambulante jeugdhulp in de vorm van praktische begeleiding en ondersteuning voor 6 uur per week voor de periode van 30 april 2024 tot en met 31 juli 2025. Het totale budget over de periode 30 april 2024 tot en met 31 december 2024 is
€ 8.602,97 en dit is gebaseerd op een uurtarief van € 40,80. Daarnaast is een pgb toegekend voor ambulante jeugdhulp in de vorm van niet professionele inzet voor 15 uur en 50 minuten per week. Dit besluit geldt van 30 april 2024 tot en met 31 juli 2025. Voor de periode 30 april 2024 tot en met 31 december 2024 is het budget € 11.128,60 en dit is gebaseerd op een uurtarief van € 20,-. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
16. Met het primaire besluit van 22 november 2024 heeft verweerder beslist op het verzoek van eiseres om een dwangsom wegens het uitblijven van een besluit over haar aanvraag. Het verzoek is afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
17. Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar van eiseres over het niet tijdig nemen van een besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het OKT op 24 mei 2024 per e-mail heeft gereageerd op de ingebrekestelling. In die e-mail is aangegeven dat er een tijdelijke verlenging van het vorige besluit komt. Volgens verweerder is hiermee alsnog een besluit genomen en binnen de in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling. Volgens verweerder mag de e-mail worden beschouwd als een besluit in de zin van de Awb. Volgens verweerder is er dus negen dagen na de ontvangst van de ingebrekestelling en dus binnen de termijn van twee weken op 24 mei 2024 een besluit genomen. Op 3 juni 2024 is dit ook formeel vastgelegd in het tijdelijke verlengingsbesluit. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat hij niet in verzuim is zoals bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb en er geen sprake is van het verbeuren van een dwangsom.
18. Met het bestreden besluit 3 heeft verweerder het bezwaar van eiseres, gericht tegen de toekenning van praktische begeleiding, ongegrond verklaard en het primaire besluit van 22 juli 2024 gehandhaafd. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er tussen partijen discussie is over de vraag wat onder specialistische begeleiding moet worden verstaan. Verweerder verwijst naar de herziene beslissing op bezwaar van 6 mei 2025 (het bestreden besluit 1) op basis van een aanvullend onderzoek. Volgens verweerder staat hierin duidelijk beschreven wanneer zorgtaken aangeleerd kunnen worden, wat specialistisch van aard is, en welke taken kunnen worden aangestuurd, wat niet altijd specialistische zorg is. Verweerder is van mening dat zijn standpunt - naar aanleiding van dit uitgebreide onderzoek - duidelijk is. Verweerder merkt op dat er een beroepsprocedure aanhangig is in de rechtbank Amsterdam. Als dat beroep slaagt, zal de gemeente Amsterdam met terugwerkende kracht alsnog specialistische zorg toekennen.
Het standpunt van eiseres
19. Eiseres voert aan dat zij specialistische hulp nodig heeft gelet op haar visuele beperking. Met het toegekende tarief voor praktische begeleiding is de moeder van eiseres financieel niet in staat om de juiste begeleiding in te kopen. Hierdoor krijgt eiseres niet de juiste ondersteuning en kan er niet aan haar doelen worden gewerkt.
Het standpunt van verweerder dat het bij eiseres slechts zou gaan om het “toepassen van aangeleerde vaardigheden in nieuwe situaties” en dat dit gelijk zou staan aan het inslijten van gedrag, is een onjuiste lezing van de verklaringen van de professionals. De zorg is niet gericht op herhaling, maar op het leren toepassen in nieuwe contexten. Juist door de visuele beperking van eiseres is elke situatie weer anders en daarvoor is telkens opnieuw specialistische begeleiding nodig, met specialistische methodieken en voortdurende afstemming.
De verklaringen van de behandelende professionals zijn eenduidig: eiseres heeft in de thuissituatie specialistische begeleiding nodig om haar ontwikkeling te kunnen voortzetten.
Verweerder erkent weliswaar dat de betrokken professionals de term “specialistisch” gebruiken, maar stelt dat de inhoud van hun beschrijvingen niet aan die kwalificatie voldoet. Daarmee wordt het oordeel van de inhoudelijke professionals ten onrechte terzijde geschoven zonder inhoudelijke motivering.
Verweerder miskent daarnaast de kern van de zorgbehoefte van eiseres. Zij heeft niet alleen een visuele beperking, maar zij is ook sociaal emotioneel kwetsbaar. Zij heeft begeleiding nodig die is afgestemd op haar specifieke ontwikkelingsprofiel en die haar actief ondersteunt bij het verwerven van nieuwe vaardigheden in wisselende contexten.
Omdat eiseres twijfelde over de zorgvuldigheid van het uitgevoerde onderzoek door verweerder na de uitspraak van 22 augustus 2024, heeft zij zelf een deskundige ingeschakeld. Zij verwijst ter onderbouwing van haar beroep naar het advies van 20 februari 2026 van M.C. Heus, arts en werkzaam als sociaal medisch adviseur bij Trompetter & Partners.
Eiseres voert tot slot aan dat de bestreden besluiten 1 en 3 in strijd zijn met het zorgvuldigheids-, en het motiveringsbeginsel uit de Awb en het maatwerkbeginsel uit de Jeugdwet. Daarnaast stelt verweerder zich in het bestreden besluit 2 ten onrechte op het standpunt dat er geen dwangsom is verbeurd. Volgens eiseres kan de e-mail van 24 mei 2024 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb worden gezien.
Het oordeel van de rechtbank
De bestreden besluiten 1 en 3
20. In het bestreden besluit 3 verwijst verweerder voor de motivering van zijn standpunt naar het bestreden besluit 1. De rechtbank bespreekt deze motivering hierna.
20.1.
Verweerder heeft na de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2024 contact opgenomen met Visio en een jeugdpsycholoog vanuit het OKT. Verweerder heeft van Visio een Ontwikkelingsperspectief (OPP) van 1 juli 2024 ontvangen. Daarnaast hebben
[naam 4] werkzaam als Ergotherapeut Revalidatie & Advies Kind Jeugd bij Visio en [naam 5] werkzaam als coördinator SO bij de Visio-school aanvullende vragen van verweerder beantwoord. Verweerder heeft deze informatie betrokken in het nieuwe onderzoek net als de eerdere informatie uit de brief van 12 maart 2024 van de genoemde ergotherapeut en van S. van der Meijden, gezondheidszorgpsycholoog bij Visio.
20.2.
Verweerder heeft op basis van deze informatie in het bestreden besluit 1 geconcludeerd dat:
“Wanneer wordt gekeken naar de definitie van 'Praktische begeleiding & ondersteuning', zoals de gemeente Amsterdam deze omschrijft, past de hierboven benoemde informatie hierbij. Het gaat om het toepassen van aangeleerde vaardigheden in nieuwe situaties en het goed eigen maken hiervan. De vaardigheden zijn hierbij al aangeleerd, maar dienen alleen in een andere situatie te worden toegepast en eigen gemaakt te worden. Dit kan door het college niet anders worden gezien dan als het oefenen en inslijten van aangeleerde vaardigheden.”
20.3.
Volgens verweerder ontvangt eiseres vanuit Visio de (specialistische) zorg die is gericht op het aanleren van vaardigheden. Het gaat om deelname aan een revalidatiegroep, een Oriëntatie & mobiliteit training, een ICT-training en vanaf januari 2025 een traject bij een GZ-psycholoog. Volgens verweerder schrijft de ergotherapeut in antwoord op de vraag of er sprake is van meer/andere beperkingen in de ontwikkeling van eiseres enkel over de visuele beperking. Daarnaast citeert verweerder uit het OPP voor wat betreft het ontwikkelingsniveau en de ondersteuningsbehoefte van eiseres. Verweerder schrijft:
“Hieruit trekt het college de conclusie dat er geen andere beperkingen spelen en (naam eiseres) in staat is om net als ieder andere jeugdige met een visuele beperking vaardigheden aan te leren. Zij ontvangt, zoals hierboven genoemd, verschillende vormen van zorg, gericht op het aanleren van vaardigheden. Er wordt geen noodzaak gezien voor méér zorg gericht op het aanleren van vaardigheden, dan wat de Visio vanuit hun reguliere aanbod al aanbiedt.”
De zorgvuldigheid van het aanvullende onderzoek
21. De beroepsgrond dat het onderzoek door verweerder onzorgvuldig is uitgevoerd, slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
21.1.
De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in zijn uitspraak van 1 mei 2017 voor de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp het stappenplan geïntroduceerd. Daarnaast heeft de Raad onder andere overwogen dat uit de wetsgeschiedenis van de Jeugdwet volgt dat de gemeente gehouden is om te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is en welke voorziening dit dan is. Indien in het onderzoek naar de nodige jeugdhulp specifieke deskundigheid is vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De gemeente moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.
21.2.
Op de zitting is besproken dat verweerder bij de uitvoering van de Jeugdwet niet met een extern indicatieadviesbureau, zoals bijvoorbeeld Argonaut bij Wmo aanvragen, samenwerkt. De deskundigheid is belegd bij het OKT en als wordt gekozen voor een pgb, bij het Pgb-jeugdteam.
21.3.
Uit het bestreden besluit 1 volgt dat het OKT/Pgb-jeugdteam na de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2024 ervoor heeft gekozen om aanvullende informatie op te vragen. Hoewel het opvragen van aanvullende informatie past binnen het doen van een zorgvuldig onderzoek, is hierna niet inzichtelijk gemaakt door welke afdeling binnen de gemeente, door wie of op welke manier de aanvullende informatie is gewogen. Er is geen aanvullend onderzoeksrapport overgelegd. Er is evenmin een (externe) deskundige ingeschakeld. In het bestreden besluit 1 staat vermeld dat ook contact is opgenomen met een jeugdpsycholoog van het OKT. Wat zijn of haar bevindingen zijn, staat nergens expliciet genoemd. Het onderzoek lijkt nu in het bestreden besluit 1 te zijn verricht door het opnemen van enkele citaten uit de beschikbare informatie en het trekken van conclusies daaruit door de opsteller van het bestreden besluit. Door voor deze werkwijze te kiezen heeft verweerder niet voldoende uitvoering gegeven aan de uitspraak van 22 augustus 2024.
Is het standpunt van verweerder deugdelijk gemotiveerd?
22. Gelet op hetgeen op de zitting is besproken, de vernietiging van de eerdere beslissing op bezwaar van 19 januari 2024 (in de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2024) en wat is overwogen in rechtsoverweging 4, vindt de rechtbank het van belang om deze zaak verder vooruit te helpen en zich uit te laten over de vraag of eiseres is aangewezen op praktische- of specialistische begeleiding. Daartoe zal de rechtbank beoordelen of het standpunt van verweerder berust op een deugdelijke motivering.
22.1.
De rechtbank oordeelt dat de genoemde conclusies in de bestreden besluiten 1 en 3 niet logisch volgen uit de beschikbare informatie. Daarmee mist het standpunt een deugdelijke motivering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
22.2.
Uit de brief van 12 maart 2024 volgt dat eiseres begeleiding ontvangt vanuit de afdeling Revalidatie en Advies van Visio. Daarnaast is inzichtelijk uiteengezet hoe eiseres functioneert op het gebied van zelfredzaamheid (zelfverzorging, oriëntatie en mobiliteit) en in haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Er zijn uitdagingen voor eiseres als het gaat om: het aanleren van dagelijkse activiteiten ten aanzien van zelfredzaamheid, het generaliseren van het geleerde in een nieuwe situatie of een veranderende situatie (bijvoorbeeld bij verandering van personen, verandering in locatie, verandering van materiaal), het oriënteren / exploreren in een nieuwe (fysieke) omgeving of bij veranderingen in de (fysieke) omgeving, het contact maken en onderhouden in een dynamische sociale omgeving zoals in groepen met ziende kinderen en volwassenen en het leren vertrouwen op haar vaardigheden en zich comfortabel voelen om deze ook toe te passen in verschillende situaties. De behandelaren hebben vervolgens benoemd dat eiseres baat heeft bij specialistische begeleiding voor het stap voor stap aanleren van activiteiten en het gebruik van andere zintuigen. Daarnaast heeft zij specialistische begeleiding nodig om sociaal emotioneel goed tot ontwikkeling te komen in dynamische groepen met ziende kinderen. Eiseres moet sociale situaties en gebeurtenissen om haar heen leren herkennen.
22.3.
In antwoord op de vraag van verweerder waarom eiseres specialistische begeleiding nodig heeft naast de begeleiding die zij al ontvangt vanuit Visio heeft [naam 4] (ergotherapeut) geantwoord dat:
“We observeren dat (naam eiseres) in nieuwe situaties en bij nieuwe mensen voorzichtig en soms angstig is, zowel praktisch als sociaal. Ze gaat dan niet in op initiatieven in contact en spel van anderen en blijft afhankelijk van anderen die dichtbij zijn (vriendinnen, moeder, bekende begeleiding). Ze exploreert zich niet uit zichzelf en wanneer ze anderen meer vertrouwt gaat ze mee met anderen die haar op sleeptouw neemt. Ze is daarmee erg afhankelijk van haar omgeving en maakt een beperkte ontwikkeling door op het gebied van praktische en sociale vaardigheden die ze in zou kunnen zetten in een andere situatie. Ze heeft hier specialistische begeleiding bij nodig.”
22.4.
Daarnaast heeft [naam 5] , coördinator bij Visio, toegelicht waarom specialistische begeleiding nodig is naast school. Zij schrijft dat eiseres “niet vanzelfsprekend de transitie maakt van aangeleerde vaardigheden naar een andere situatie en zij heeft het nodig dat ook in de thuissituatie specialistische begeleiding nodig is. Als dat niet zo is mist zij leer- en ontwikkelmomenten.” En zij benadrukt dat: “(naam eiseres) zal vaardigheden moeten leren om sociaal emotioneel weerbaar te zijn. (Naam eiseres) heeft op dat vlak specialistische begeleiding nodig om haar sociale vaardigheden te optimaliseren. Dit is niet alleen op school te ondervangen.”
23.1.
De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van verweerder dat de vaardigheden al zijn aangeleerd, maar alleen in een andere situatie dienen te worden toegepast en eigen gemaakt te worden, niet logisch volgt uit de informatie vanuit Visio. Uit die informatie volgt immers dat de uitdagingen van eiseres liggen op het gebied van zelfstandig en sociaal functioneren in steeds veranderende situaties. Juist door haar visuele beperking kan zij aangeleerde vaardigheden niet eenvoudig toepassen in nieuwe situaties en heeft zij daarvoor specifieke begeleiding nodig. Eiseres moet vaardigheden als het ware steeds opnieuw aanleren.
23.2.
Daarnaast trekt verweerder naar het oordeel van de rechtbank te gemakkelijk de conclusie dat de ergotherapeut enkel over de visuele beperking van eiseres schrijft. Zij heeft in antwoord op de vraag of eiseres nog andere beperkingen heeft in haar ontwikkeling aangegeven dat “(naam eiseres) blind is en een zeer beperkt licht- donker perceptie heeft. Blinde kinderen hebben per definitie meer ondersteuning nodig dan slechtziende kinderen. De wereld is daarmee onvoorspelbaar. Het duurt vaak lang voordat blinde kinderen zich veilig voelen in een nieuwe omgeving. Daarbij komt dat (naam eiseres) oriëntatie (zowel in de ruimte als binnen een taak) niet heel sterk ontwikkeld is.”
23.3.
Dat uit het OPP onder andere volgt dat het ontwikkelingsniveau van eiseres leeftijdsadequaat is, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat bij eiseres geen andere beperkingen spelen. Het is de rechtbank opgevallen dat verweerder in zijn motivering op dit punt de bevorderende factoren onder het kopje “leren en ontwikkelen” van het OPP heeft betrokken zonder daarbij de belemmerende factoren te betrekken die ook in het OPP staan genoemd.
24. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat om van specialistische begeleiding te spreken de zorgverlener specifieke kennis moet hebben over visuele beperkingen en methodieken moet hanteren die hierop aansluiten. Deze motivering komt er echter op neer dat de vraag welke jeugdhulp wordt toegekend (mede) afhankelijk is van hoe deze in de praktijk wordt gerealiseerd. Door deze manier van beoordelen wordt naar het oordeel van de rechtbank te veel de nadruk gelegd op hoe de zorg in de praktijk is georganiseerd en te weinig op het vooraf bepalen welke hulp inhoudelijk nodig is. De redenering van verweerder is ook niet overeenkomstig het stappenplan van de Raad. De aard en omvang van de hulp moet immers in stap 3 worden bepaald. In stap 5 moet uitsluitend de vraag worden beantwoord of de zorg kan worden verleend door de inzet van zorg in natura of door middel van een pgb. In het perspectiefplan van 6 augustus 2021 staan de resultaten genoemd voor de inzet van jeugdhulp. Het gaat onder andere om: eiseres ontwikkelt haar sociale vaardigheden, de moeder van eiseres wordt ontlast en eiseres is zelfstandiger (op een reguliere bso). Hieruit blijkt niet welke jeugdhulp per doel noodzakelijk is in aard en omvang (stap 3) om dit doel te bereiken. Verweerder heeft dit ook niet vastgelegd in zijn besluitvorming. Voor zover verweerder op de zitting heeft betoogd dat het niet aan (een) professionele zorgverlener(s) is om een “etiket” op de hulpvraag te plakken, stelt de rechtbank vast dat verweerder de medewerkers van Visio niet (nader) heeft gevraagd om hun antwoorden te verduidelijken aan de hand van genoemde definities in de Verordening.
Praktische- of specialistische begeleiding?
25. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar beroep het rapport van de deskundige dr. Heus ingebracht. Na het beschrijven van de medische situatie van eiseres is onder het kopje analyse door dr. Heus inzichtelijk gemotiveerd waarom aanvullende begeleiding objectief medisch gezien noodzakelijk is. De aard van die begeleiding zal in deze levensfase vooral specialistisch zijn gelet op het belang van de zelfstandigheidsontwikkeling van eiseres en dit geen vastliggend patroon kent.
26. Dat er door de deskundige geen contact is opgenomen met het OKT is geen reden om dit rapport onzorgvuldig te achten. Uit het rapport volgt dat dossieronderzoek heeft plaatsgevonden op basis van de stukken van verweerder en de (nader) door verweerder opgevraagde informatie is bestudeerd en betrokken in het onderzoek. Hierdoor was het standpunt van verweerder voldoende bekend bij de deskundige. Daarnaast heeft de deskundige een huisbezoek afgelegd, gesproken met eiseres (kort) en haar moeder.
27. Alles overwegende vindt de rechtbank op basis van de genoemde informatie in rechtsoverweging 20.1 en het rapport van de deskundige, het meer voor de hand liggend dat eiseres destijds maar ook nu - naast de begeleiding door Visio - in haar thuissituatie en op de bso is aangewezen op ambulante specialistische begeleiding. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd waarom, ondanks al deze adviezen van deskundigen, geen specialistische begeleiding nodig zou zijn.
Dwangsom – oordeel over bestreden besluit 2
28. Eiseres bestrijdt dat de e-mail van 24 mei 2024 een besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het betreft slechts een toezegging tot tijdelijke voortzetting
van de bestaande situatie.
29. De rechtbank volgt het betoog van eiseres in zoverre dat uit de e-mail van 24 mei 2024 slechts volgt dat het huidige pgb wordt verlengd. Weliswaar is daarmee sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb maar hiermee is geen beslissing op de aanvraag van 5 maart 2024 genomen waarbij om een uitbreiding van het aantal uren is verzocht. Dat besluit volgde pas op 22 juli 2024.
30. Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, verbeurt het bestuursorgaan als een beschikking niet tijdig wordt gegeven een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, maar ten hoogste voor 42 dagen. Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Op grond van het derde lid van artikel 4:17 van de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
31. Uit het dossier volgt niet wanneer de ingebrekestelling is ontvangen. Ervan uitgaande dat de ingebrekestelling in ieder geval op 24 mei 2024 is ontvangen, zijn de twee weken op 7 juni 2024 verstreken. Het besluit op de aanvraag is gedateerd op 22 juli 2024. Dat is 45 dagen na de dag waarop de termijn voor het geven van een beschikking is verstreken. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag zijnde € 1.442,-.
Conclusie en gevolgen
Over bestreden besluit 1 en 3
32. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de bestreden besluiten 1 en 3 niet berusten op een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering missen, zal de rechtbank deze beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten 1 en 3 vernietigen. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de bezwaren alsnog gegrond te verklaren, de primaire besluiten gedeeltelijk te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de gedeeltelijk herroepen primaire besluiten. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat aan eiseres over de perioden zoals genoemd in de primaire besluiten specialistische begeleiding wordt toegekend in plaats van praktische begeleiding, waarbij de rechtbank geen aanleiding ziet om de omvang van de jeugdhulp en het daarbij behorende tarief te wijzigen. De reden daarvoor is dat op de zitting is besproken dat er niet meer uren zijn gewerkt tegen een hoger tarief.
Over bestreden besluit 2
33. De rechtbank zal ook in deze zaak het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit 2 vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Dat betekent dat de rechtbank zelf de verbeurde dwangsom zal vaststellen.
In alle beroepen
34. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond zal verklaren, krijgt eiseres het griffierecht in alle drie de beroepen terug en een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet dit aan eiseres betalen. Deze vergoeding bedraagt in totaal € 4.670,-. De gemachtigde van eiseres heeft drie keer een bezwaarschrift ingediend, drie keer een beroepschrift ingediend en één keer aan de zitting deelgenomen. Ten aanzien van de bestreden besluiten 1 en 3 is de rechtbank van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken. Dit heeft tot gevolg dat de proceskostenvergoeding is gebaseerd op in totaal vijf punten. De vergoeding voor het verschijnen op de zitting in beroep vindt plaats in de procedure 25/3653.
Kosten deskundige
35. Gelet op de motivering van verweerder in het bestreden besluit 1, heeft eiseres zich terecht tot een deskundige gewend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige, bedragen € 1.533,68. Deze kosten vindt de rechtbank redelijk. Ook deze kosten moeten worden vergoed door verweerder.
Beslissing
AMS 25/3653
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 1 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit 1;
- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 10 maart 2023 gegrond, herroept het primaire besluit in de zin dat de rechtbank bepaalt dat eiseres recht heeft op specialistische begeleiding;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.533,68 aan eiseres voor de kosten van de deskundige.
AMS 25/4430
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 2 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2;
- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 22 november 2024 gegrond en herroept het primaire besluit;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.442,- en dat verweerder dit bedrag aan eiseres moet betalen;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
AMS 25/6550
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 3 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 3;
- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 22 juli 2024 gegrond, herroept het primaire besluit in de zin dat de rechtbank bepaalt dat eiseres recht heeft op specialistische begeleiding;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzitter, en mr. L. Dolfing en
mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De begrippen praktische- en specialistische begeleiding worden gedefinieerd in artikel 3.13, tweede lid, onderdeel a, categorie I en II van Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021. Met ingang van 1 juli 2025 is de Verordening jeugdhulp Amsterdam van toepassing. Voornoemde begrippen staan genoemd in artikel 3.14 van deze Verordening. De inhoud van de definities is niet gewijzigd.
Dit wordt ook ondersteund in een brief van Ambiant Zorg en een e-mail van de stichting MEE Amstel en Zaan van 2 augustus 2023.
ECLI:NL:RVS:2018:518.
Deze uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2024:5299.
Op de zitting is besproken dat deze brief ontbreekt bij de door verweerder overgelegde stukken.
Deze uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
Zie rechtsoverweging 4.1. van de uitspraak van 1 mei 2017.
Zie rechtsoverweging 4.3.1. van de uitspraak van 1 mei 2017.
De rechtbank wijst in dit kader ook op haar uitspraak van 11 december 2025 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:RBAMS:2025:9953.
Zie ook de genoemde rechtspraak onder voetnoot 6 en 9.
Op grond van artikel 4:18 van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/3653, 25/4430 en 25/6550
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
wettelijk vertegenwoordigd door [naam moeder]
(gemachtigde: mr. K.M.J. Schrijver),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aard en omvang van de toegekende jeugdhulp aan eiseres op grond van de Jeugdwet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Eiseres is 11 jaar oud en zij heeft een visuele beperking. Zij voert aan dat zij overwegend specialistische begeleiding nodig heeft van een professionele zorgverlener in plaats van praktische begeleiding. Het gaat om begeleiding na schooltijd, op de buitenschoolse opvang voor ziende kinderen en meer incidenteel in de weekenden en tijdens vakanties. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres het bezwaar tegen het afwijzen van een dwangsom ten onrechte ongegrond verklaard. Zij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het uitgevoerde onderzoek onvoldoende is en verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd waarom eiseres volgens hem is aangewezen op praktische begeleiding, nu uit de beschikbare informatie van de betrokken professionals volgt dat zij specialistische begeleiding nodig heeft. Gelet op deze informatie, het rapport van de deskundige van eiseres, de gehele duur van de gevoerde procedures en in het licht van de toekomst van eiseres, ziet de rechtbank aanleiding om zelf te voorzien door te beslissen dat eiseres specialistische begeleiding nodig heeft (gehad). Daarnaast heeft verweerder niet op tijd besloten op de aanvraag van eiseres waardoor verweerder een dwangsom heeft verbeurd. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft zich in 2021 tot verweerder gewend en in de periodes daarna om verlenging en/of uitbreiding van de jeugdhulp gevraagd. Verweerder heeft de aanvragen in 2023 en 2024 met de primaire besluiten van 10 maart 2023 en 22 juli 2024 toegewezen, in de zin dat praktische begeleiding is toegekend. Hiervoor geldt een lager tarief dan voor specialistische begeleiding. Met de herziene beslissing op bezwaar van 6 mei 2025 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder, na een uitspraak van deze rechtbank van 22 augustus 2024, het bezwaar van eiseres (opnieuw) ongegrond verklaard en het primaire besluit van 10 maart 2023 gehandhaafd. Met de beslissing op bezwaar van 18 juni 2025 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom ongegrond verklaard. Met de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiseres - onder verwijzing naar de motivering in het bestreden besluit 1 - ongegrond verklaard en het primaire besluit van 22 juli 2024 gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 juni 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mevrouw [naam moeder] , de moeder en wettelijk vertegenwoordiger van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder vergezeld door mevrouw [naam 1] werkzaam bij het Ouder- en Kindteam (OKT) /Pgb-jeugdteam van de gemeente Amsterdam.
Beoordeling door de rechtbank
Verzoek om schadevergoeding
3. Eiseres heeft haar verzoek om schadevergoeding op de zitting ingetrokken, zodat de rechtbank dit punt onbesproken laat.
Procesbelang
4. De rechtbank heeft met partijen op zitting besproken dat deze procedures zien op periodes in het verleden, te weten van 1 februari 2023 tot en met 31 maart 2024 en 30 april 2024 tot en met 31 juli 2025. De begeleiding waar het in deze procedures over gaat, kan daarom niet meer aan eiseres worden verleend. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting bevestigd dat eiseres geen financiële schade heeft geleden als gevolg van de bestreden besluiten 1 en 3. De begeleiding is destijds verleend door mevrouw [naam 2] en zij heeft gewerkt tegen het door verweerder toegekende uurtarief. Er zijn geen openstaande vorderingen. Op dit moment ontvangt eiseres geen ambulante hulp na schooltijd of in het weekend van een professionele zorgverlener. De moeder van eiseres heeft opnieuw jeugdhulp aangevraagd, omdat haar dochter blijvend zorg nodig heeft en in haar ontwikkeling stagneert. Op deze aanvraag is nog niet beslist. Op de zitting heeft de moeder van eiseres toegelicht dat zij in de zoektocht naar de juiste hulp voor haar dochter en bijpassende professionele zorgverlener(s) er tegenaan loopt dat de discussie over de vraag of eiseres praktische dan wel specialistische begeleiding nodig heeft, nog niet is beslecht. Een uitspraak van de rechtbank op dit punt is, gelet op de toekomst van eiseres, daarom gewenst. De rechtbank ziet hierin een actueel en reëel belang, dat niet louter principieel van aard is.
Achtergrond van eiseres
5. Eiseres is 11 jaar oud en zij is vanaf haar geboorte blind. Zij woont samen met haar moeder, oudere broer en zus in [woonplaats] . Zij komt ook bij haar vader, die in [woonplaats] woont. Eiseres gaat vijf dagen per week naar een Visio-school voor blinde en slechtziende kinderen en drie middagen per week naar een reguliere bso (buitenschoolse opvang). Op de zitting heeft de moeder van eiseres verteld dat haar dochter nog steeds specialistische begeleiding nodig heeft van een professionele zorgverlener, die beschikt over de vaardigheden om haar dochter te leren hoe zij in steeds veranderende situaties op de juiste manier kan omgaan met haar visuele beperking en hoe zij bijvoorbeeld gebruik moet maken van een blindegeleidestok.
25/3653
6. De moeder van eiseres heeft zich tot verweerder gewend met het verzoek om jeugdhulp voor haar dochter. Zij heeft in de zomer van 2021 een gesprek gehad met een medewerker van het OKT. De uitkomsten van het gesprek, de doelen, resultaten en afspraken zijn vastgelegd in het perspectiefplan van 6 augustus 2021.
7. Uit het Pgb-plan Jeugd van 13 januari 2023 volgt dat een pgb is aangevraagd in verband met een herbeoordeling. Een eerdere pgb-beschikking liep af op 31 januari 2023. Eiseres vraagt in het Pgb-plan om een pgb voor de begeleiding van mevrouw [naam 2] voor 49 uur per maand en tegen een tarief van € 45,- per uur. Voor de motivering om een pgb aan te vragen wordt verwezen naar de resultaten uit het perspectiefplan. Dit Pgb-plan is aangevuld onder vermelding van “Toevoeging 2023”. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens inhoudelijk beoordeeld en de analyse daarvan neergelegd in een document ‘her-aanvraag pgb’.
8. Met het primaire besluit van 10 maart 2023 is aan eiseres een pgb toegekend voor ambulante jeugdhulp in de vorm van praktische begeleiding en ondersteuning voor 15 uur en 30 minuten per week voor de periode van 1 februari 2023 tot en met 31 maart 2024. Het totale budget is € 27.512,10 en is gebaseerd op een uurtarief van € 37,20.
9. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In haar aanvullende bezwaargronden heeft zij onder meer aangevoerd dat zij specialistische begeleiding nodig heeft. Zij heeft mevrouw [naam 2] van Goedendag Zorg ingehuurd als begeleider. Mevrouw [naam 2] heeft een achtergrond als MMZ-gehandicapten begeleider en zij heeft een SKJ-registratie als Jeugd- en gezinsprofessional. In bezwaar heeft mevrouw [naam 2] toegelicht welke specialistische taken nodig zijn in de begeleiding van eiseres waaronder het aanleren en versterken van fysieke vaardigheden en het aanleren van sociale vaardigheden.
10. Met de beslissing op bezwaar van 19 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft het beroep met een uitspraak van 22 augustus 2024 gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 19 januari 2024 vernietigd. In de uitspraak is (kort samengevat) geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van 19 januari 2024 niet berust op een zorgvuldig onderzoek. Uit artikel 3.13 van de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 en de toelichting daarop volgt dat onder praktische begeleiding en ondersteuning het (langdurig) aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen wordt verstaan. Onder specialistische begeleiding wordt verstaan: specialistische begeleiding gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag. De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet duidelijk is, gelet op de informatie van de begeleiders van eiseres, hoe verweerder zonder advies van een deskundige in te winnen, tot de conclusie is gekomen dat het zwaartepunt in de zorg voor eiseres ligt bij het aansturen en/of inslijten van gedrag en niet bij het aanleren van vaardigheden en gedrag.
11. Na deze uitspraak heeft verweerder het bestreden besluit 1 afgegeven. Verweerder heeft hierin overwogen dat het Pgb-jeugdteam aanvullende informatie heeft opgevraagd bij specialisten en de behandelaren van eiseres en ook bestaande informatie heeft betrokken in zijn onderzoek. Dit heeft niet geleid tot een ander standpunt. Met het bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard en het primaire besluit van 10 maart 2023 gehandhaafd.
25/6550 en 25/4430
12. Uit een opvolgend Pgb-plan Jeugd van 5 maart 2024 volgt dat eiseres een pgb heeft aangevraagd in verband met een herbeoordeling en omdat de eerdere pgb-beschikking afloopt op 31 maart 2024. Eiseres vraagt om een pgb voor begeleiding door mevrouw [naam 2] voor 40 uur per maand en een tarief van € 50,- per uur en om begeleiding door mevrouw [naam 3] voor 60 uur per maand en tarief van € 20,- per uur. Voor de motivering om een pgb aan te vragen wordt verwezen naar de resultaten uit het perspectiefplan. Daarnaast heeft verweerder in dit kader een document her-aanvraag pgb overgelegd waaruit volgt dat de aanvraag, na een huisbezoek, inhoudelijk is beoordeeld en dat er om uitbreiding van het aantal uren is gevraagd. Onderaan dit document is een stuk toegevoegd waarin de vastgestelde doelen worden geëvalueerd.
13. Op 15 mei 2024 heeft eiseres verweerder een ingebrekestelling gestuurd wegens het uitblijven van een besluit op de aanvraag.
14. In een e-mail van 24 mei 2024 van verweerder is bevestigd dat de ingebrekestelling in goede orde is ontvangen en dat de pgb-aanvraag in behandeling is genomen. In de e-mail staat verder vermeld:
“Ik ga mij inlezen in de aanvraag en neem hier volgende week donderdag of vrijdag contact met je over op (ik ben maandag tm woensdag afwezig). We zullen dan ook het tijdspad bespreken.
Tot die tijd geef ik je via deze weg de toezegging voor het inzetten van de 15:30 uur per week die tot en met eind maart beschikt was. Wij zullen deze uren aansluitend aan 31 maart beschikken, tot aan de datum waarop wij het nieuwe besluit nemen. Tot het besluit er is, kan je dus de huidige uren in blijven zetten.”
15. Met het primaire besluit van 22 juli 2024 heeft verweerder aan eiseres een pgb toegekend voor ambulante jeugdhulp in de vorm van praktische begeleiding en ondersteuning voor 6 uur per week voor de periode van 30 april 2024 tot en met 31 juli 2025. Het totale budget over de periode 30 april 2024 tot en met 31 december 2024 is
€ 8.602,97 en dit is gebaseerd op een uurtarief van € 40,80. Daarnaast is een pgb toegekend voor ambulante jeugdhulp in de vorm van niet professionele inzet voor 15 uur en 50 minuten per week. Dit besluit geldt van 30 april 2024 tot en met 31 juli 2025. Voor de periode 30 april 2024 tot en met 31 december 2024 is het budget € 11.128,60 en dit is gebaseerd op een uurtarief van € 20,-. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
16. Met het primaire besluit van 22 november 2024 heeft verweerder beslist op het verzoek van eiseres om een dwangsom wegens het uitblijven van een besluit over haar aanvraag. Het verzoek is afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
17. Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar van eiseres over het niet tijdig nemen van een besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het OKT op 24 mei 2024 per e-mail heeft gereageerd op de ingebrekestelling. In die e-mail is aangegeven dat er een tijdelijke verlenging van het vorige besluit komt. Volgens verweerder is hiermee alsnog een besluit genomen en binnen de in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling. Volgens verweerder mag de e-mail worden beschouwd als een besluit in de zin van de Awb. Volgens verweerder is er dus negen dagen na de ontvangst van de ingebrekestelling en dus binnen de termijn van twee weken op 24 mei 2024 een besluit genomen. Op 3 juni 2024 is dit ook formeel vastgelegd in het tijdelijke verlengingsbesluit. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat hij niet in verzuim is zoals bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb en er geen sprake is van het verbeuren van een dwangsom.
18. Met het bestreden besluit 3 heeft verweerder het bezwaar van eiseres, gericht tegen de toekenning van praktische begeleiding, ongegrond verklaard en het primaire besluit van 22 juli 2024 gehandhaafd. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er tussen partijen discussie is over de vraag wat onder specialistische begeleiding moet worden verstaan. Verweerder verwijst naar de herziene beslissing op bezwaar van 6 mei 2025 (het bestreden besluit 1) op basis van een aanvullend onderzoek. Volgens verweerder staat hierin duidelijk beschreven wanneer zorgtaken aangeleerd kunnen worden, wat specialistisch van aard is, en welke taken kunnen worden aangestuurd, wat niet altijd specialistische zorg is. Verweerder is van mening dat zijn standpunt - naar aanleiding van dit uitgebreide onderzoek - duidelijk is. Verweerder merkt op dat er een beroepsprocedure aanhangig is in de rechtbank Amsterdam. Als dat beroep slaagt, zal de gemeente Amsterdam met terugwerkende kracht alsnog specialistische zorg toekennen.
Het standpunt van eiseres
19. Eiseres voert aan dat zij specialistische hulp nodig heeft gelet op haar visuele beperking. Met het toegekende tarief voor praktische begeleiding is de moeder van eiseres financieel niet in staat om de juiste begeleiding in te kopen. Hierdoor krijgt eiseres niet de juiste ondersteuning en kan er niet aan haar doelen worden gewerkt.
Het standpunt van verweerder dat het bij eiseres slechts zou gaan om het “toepassen van aangeleerde vaardigheden in nieuwe situaties” en dat dit gelijk zou staan aan het inslijten van gedrag, is een onjuiste lezing van de verklaringen van de professionals. De zorg is niet gericht op herhaling, maar op het leren toepassen in nieuwe contexten. Juist door de visuele beperking van eiseres is elke situatie weer anders en daarvoor is telkens opnieuw specialistische begeleiding nodig, met specialistische methodieken en voortdurende afstemming.
De verklaringen van de behandelende professionals zijn eenduidig: eiseres heeft in de thuissituatie specialistische begeleiding nodig om haar ontwikkeling te kunnen voortzetten.
Verweerder erkent weliswaar dat de betrokken professionals de term “specialistisch” gebruiken, maar stelt dat de inhoud van hun beschrijvingen niet aan die kwalificatie voldoet. Daarmee wordt het oordeel van de inhoudelijke professionals ten onrechte terzijde geschoven zonder inhoudelijke motivering.
Verweerder miskent daarnaast de kern van de zorgbehoefte van eiseres. Zij heeft niet alleen een visuele beperking, maar zij is ook sociaal emotioneel kwetsbaar. Zij heeft begeleiding nodig die is afgestemd op haar specifieke ontwikkelingsprofiel en die haar actief ondersteunt bij het verwerven van nieuwe vaardigheden in wisselende contexten.
Omdat eiseres twijfelde over de zorgvuldigheid van het uitgevoerde onderzoek door verweerder na de uitspraak van 22 augustus 2024, heeft zij zelf een deskundige ingeschakeld. Zij verwijst ter onderbouwing van haar beroep naar het advies van 20 februari 2026 van M.C. Heus, arts en werkzaam als sociaal medisch adviseur bij Trompetter & Partners.
Eiseres voert tot slot aan dat de bestreden besluiten 1 en 3 in strijd zijn met het zorgvuldigheids-, en het motiveringsbeginsel uit de Awb en het maatwerkbeginsel uit de Jeugdwet. Daarnaast stelt verweerder zich in het bestreden besluit 2 ten onrechte op het standpunt dat er geen dwangsom is verbeurd. Volgens eiseres kan de e-mail van 24 mei 2024 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb worden gezien.
Het oordeel van de rechtbank
De bestreden besluiten 1 en 3
20. In het bestreden besluit 3 verwijst verweerder voor de motivering van zijn standpunt naar het bestreden besluit 1. De rechtbank bespreekt deze motivering hierna.
20.1.
Verweerder heeft na de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2024 contact opgenomen met Visio en een jeugdpsycholoog vanuit het OKT. Verweerder heeft van Visio een Ontwikkelingsperspectief (OPP) van 1 juli 2024 ontvangen. Daarnaast hebben
[naam 4] werkzaam als Ergotherapeut Revalidatie & Advies Kind Jeugd bij Visio en [naam 5] werkzaam als coördinator SO bij de Visio-school aanvullende vragen van verweerder beantwoord. Verweerder heeft deze informatie betrokken in het nieuwe onderzoek net als de eerdere informatie uit de brief van 12 maart 2024 van de genoemde ergotherapeut en van S. van der Meijden, gezondheidszorgpsycholoog bij Visio.
20.2.
Verweerder heeft op basis van deze informatie in het bestreden besluit 1 geconcludeerd dat:
“Wanneer wordt gekeken naar de definitie van 'Praktische begeleiding & ondersteuning', zoals de gemeente Amsterdam deze omschrijft, past de hierboven benoemde informatie hierbij. Het gaat om het toepassen van aangeleerde vaardigheden in nieuwe situaties en het goed eigen maken hiervan. De vaardigheden zijn hierbij al aangeleerd, maar dienen alleen in een andere situatie te worden toegepast en eigen gemaakt te worden. Dit kan door het college niet anders worden gezien dan als het oefenen en inslijten van aangeleerde vaardigheden.”
20.3.
Volgens verweerder ontvangt eiseres vanuit Visio de (specialistische) zorg die is gericht op het aanleren van vaardigheden. Het gaat om deelname aan een revalidatiegroep, een Oriëntatie & mobiliteit training, een ICT-training en vanaf januari 2025 een traject bij een GZ-psycholoog. Volgens verweerder schrijft de ergotherapeut in antwoord op de vraag of er sprake is van meer/andere beperkingen in de ontwikkeling van eiseres enkel over de visuele beperking. Daarnaast citeert verweerder uit het OPP voor wat betreft het ontwikkelingsniveau en de ondersteuningsbehoefte van eiseres. Verweerder schrijft:
“Hieruit trekt het college de conclusie dat er geen andere beperkingen spelen en (naam eiseres) in staat is om net als ieder andere jeugdige met een visuele beperking vaardigheden aan te leren. Zij ontvangt, zoals hierboven genoemd, verschillende vormen van zorg, gericht op het aanleren van vaardigheden. Er wordt geen noodzaak gezien voor méér zorg gericht op het aanleren van vaardigheden, dan wat de Visio vanuit hun reguliere aanbod al aanbiedt.”
De zorgvuldigheid van het aanvullende onderzoek
21. De beroepsgrond dat het onderzoek door verweerder onzorgvuldig is uitgevoerd, slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
21.1.
De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in zijn uitspraak van 1 mei 2017 voor de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp het stappenplan geïntroduceerd. Daarnaast heeft de Raad onder andere overwogen dat uit de wetsgeschiedenis van de Jeugdwet volgt dat de gemeente gehouden is om te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is en welke voorziening dit dan is. Indien in het onderzoek naar de nodige jeugdhulp specifieke deskundigheid is vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De gemeente moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.
21.2.
Op de zitting is besproken dat verweerder bij de uitvoering van de Jeugdwet niet met een extern indicatieadviesbureau, zoals bijvoorbeeld Argonaut bij Wmo aanvragen, samenwerkt. De deskundigheid is belegd bij het OKT en als wordt gekozen voor een pgb, bij het Pgb-jeugdteam.
21.3.
Uit het bestreden besluit 1 volgt dat het OKT/Pgb-jeugdteam na de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2024 ervoor heeft gekozen om aanvullende informatie op te vragen. Hoewel het opvragen van aanvullende informatie past binnen het doen van een zorgvuldig onderzoek, is hierna niet inzichtelijk gemaakt door welke afdeling binnen de gemeente, door wie of op welke manier de aanvullende informatie is gewogen. Er is geen aanvullend onderzoeksrapport overgelegd. Er is evenmin een (externe) deskundige ingeschakeld. In het bestreden besluit 1 staat vermeld dat ook contact is opgenomen met een jeugdpsycholoog van het OKT. Wat zijn of haar bevindingen zijn, staat nergens expliciet genoemd. Het onderzoek lijkt nu in het bestreden besluit 1 te zijn verricht door het opnemen van enkele citaten uit de beschikbare informatie en het trekken van conclusies daaruit door de opsteller van het bestreden besluit. Door voor deze werkwijze te kiezen heeft verweerder niet voldoende uitvoering gegeven aan de uitspraak van 22 augustus 2024.
Is het standpunt van verweerder deugdelijk gemotiveerd?
22. Gelet op hetgeen op de zitting is besproken, de vernietiging van de eerdere beslissing op bezwaar van 19 januari 2024 (in de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2024) en wat is overwogen in rechtsoverweging 4, vindt de rechtbank het van belang om deze zaak verder vooruit te helpen en zich uit te laten over de vraag of eiseres is aangewezen op praktische- of specialistische begeleiding. Daartoe zal de rechtbank beoordelen of het standpunt van verweerder berust op een deugdelijke motivering.
22.1.
De rechtbank oordeelt dat de genoemde conclusies in de bestreden besluiten 1 en 3 niet logisch volgen uit de beschikbare informatie. Daarmee mist het standpunt een deugdelijke motivering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
22.2.
Uit de brief van 12 maart 2024 volgt dat eiseres begeleiding ontvangt vanuit de afdeling Revalidatie en Advies van Visio. Daarnaast is inzichtelijk uiteengezet hoe eiseres functioneert op het gebied van zelfredzaamheid (zelfverzorging, oriëntatie en mobiliteit) en in haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Er zijn uitdagingen voor eiseres als het gaat om: het aanleren van dagelijkse activiteiten ten aanzien van zelfredzaamheid, het generaliseren van het geleerde in een nieuwe situatie of een veranderende situatie (bijvoorbeeld bij verandering van personen, verandering in locatie, verandering van materiaal), het oriënteren / exploreren in een nieuwe (fysieke) omgeving of bij veranderingen in de (fysieke) omgeving, het contact maken en onderhouden in een dynamische sociale omgeving zoals in groepen met ziende kinderen en volwassenen en het leren vertrouwen op haar vaardigheden en zich comfortabel voelen om deze ook toe te passen in verschillende situaties. De behandelaren hebben vervolgens benoemd dat eiseres baat heeft bij specialistische begeleiding voor het stap voor stap aanleren van activiteiten en het gebruik van andere zintuigen. Daarnaast heeft zij specialistische begeleiding nodig om sociaal emotioneel goed tot ontwikkeling te komen in dynamische groepen met ziende kinderen. Eiseres moet sociale situaties en gebeurtenissen om haar heen leren herkennen.
22.3.
In antwoord op de vraag van verweerder waarom eiseres specialistische begeleiding nodig heeft naast de begeleiding die zij al ontvangt vanuit Visio heeft [naam 4] (ergotherapeut) geantwoord dat:
“We observeren dat (naam eiseres) in nieuwe situaties en bij nieuwe mensen voorzichtig en soms angstig is, zowel praktisch als sociaal. Ze gaat dan niet in op initiatieven in contact en spel van anderen en blijft afhankelijk van anderen die dichtbij zijn (vriendinnen, moeder, bekende begeleiding). Ze exploreert zich niet uit zichzelf en wanneer ze anderen meer vertrouwt gaat ze mee met anderen die haar op sleeptouw neemt. Ze is daarmee erg afhankelijk van haar omgeving en maakt een beperkte ontwikkeling door op het gebied van praktische en sociale vaardigheden die ze in zou kunnen zetten in een andere situatie. Ze heeft hier specialistische begeleiding bij nodig.”
22.4.
Daarnaast heeft [naam 5] , coördinator bij Visio, toegelicht waarom specialistische begeleiding nodig is naast school. Zij schrijft dat eiseres “niet vanzelfsprekend de transitie maakt van aangeleerde vaardigheden naar een andere situatie en zij heeft het nodig dat ook in de thuissituatie specialistische begeleiding nodig is. Als dat niet zo is mist zij leer- en ontwikkelmomenten.” En zij benadrukt dat: “(naam eiseres) zal vaardigheden moeten leren om sociaal emotioneel weerbaar te zijn. (Naam eiseres) heeft op dat vlak specialistische begeleiding nodig om haar sociale vaardigheden te optimaliseren. Dit is niet alleen op school te ondervangen.”
23.1.
De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van verweerder dat de vaardigheden al zijn aangeleerd, maar alleen in een andere situatie dienen te worden toegepast en eigen gemaakt te worden, niet logisch volgt uit de informatie vanuit Visio. Uit die informatie volgt immers dat de uitdagingen van eiseres liggen op het gebied van zelfstandig en sociaal functioneren in steeds veranderende situaties. Juist door haar visuele beperking kan zij aangeleerde vaardigheden niet eenvoudig toepassen in nieuwe situaties en heeft zij daarvoor specifieke begeleiding nodig. Eiseres moet vaardigheden als het ware steeds opnieuw aanleren.
23.2.
Daarnaast trekt verweerder naar het oordeel van de rechtbank te gemakkelijk de conclusie dat de ergotherapeut enkel over de visuele beperking van eiseres schrijft. Zij heeft in antwoord op de vraag of eiseres nog andere beperkingen heeft in haar ontwikkeling aangegeven dat “(naam eiseres) blind is en een zeer beperkt licht- donker perceptie heeft. Blinde kinderen hebben per definitie meer ondersteuning nodig dan slechtziende kinderen. De wereld is daarmee onvoorspelbaar. Het duurt vaak lang voordat blinde kinderen zich veilig voelen in een nieuwe omgeving. Daarbij komt dat (naam eiseres) oriëntatie (zowel in de ruimte als binnen een taak) niet heel sterk ontwikkeld is.”
23.3.
Dat uit het OPP onder andere volgt dat het ontwikkelingsniveau van eiseres leeftijdsadequaat is, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat bij eiseres geen andere beperkingen spelen. Het is de rechtbank opgevallen dat verweerder in zijn motivering op dit punt de bevorderende factoren onder het kopje “leren en ontwikkelen” van het OPP heeft betrokken zonder daarbij de belemmerende factoren te betrekken die ook in het OPP staan genoemd.
24. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat om van specialistische begeleiding te spreken de zorgverlener specifieke kennis moet hebben over visuele beperkingen en methodieken moet hanteren die hierop aansluiten. Deze motivering komt er echter op neer dat de vraag welke jeugdhulp wordt toegekend (mede) afhankelijk is van hoe deze in de praktijk wordt gerealiseerd. Door deze manier van beoordelen wordt naar het oordeel van de rechtbank te veel de nadruk gelegd op hoe de zorg in de praktijk is georganiseerd en te weinig op het vooraf bepalen welke hulp inhoudelijk nodig is. De redenering van verweerder is ook niet overeenkomstig het stappenplan van de Raad. De aard en omvang van de hulp moet immers in stap 3 worden bepaald. In stap 5 moet uitsluitend de vraag worden beantwoord of de zorg kan worden verleend door de inzet van zorg in natura of door middel van een pgb. In het perspectiefplan van 6 augustus 2021 staan de resultaten genoemd voor de inzet van jeugdhulp. Het gaat onder andere om: eiseres ontwikkelt haar sociale vaardigheden, de moeder van eiseres wordt ontlast en eiseres is zelfstandiger (op een reguliere bso). Hieruit blijkt niet welke jeugdhulp per doel noodzakelijk is in aard en omvang (stap 3) om dit doel te bereiken. Verweerder heeft dit ook niet vastgelegd in zijn besluitvorming. Voor zover verweerder op de zitting heeft betoogd dat het niet aan (een) professionele zorgverlener(s) is om een “etiket” op de hulpvraag te plakken, stelt de rechtbank vast dat verweerder de medewerkers van Visio niet (nader) heeft gevraagd om hun antwoorden te verduidelijken aan de hand van genoemde definities in de Verordening.
Praktische- of specialistische begeleiding?
25. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar beroep het rapport van de deskundige dr. Heus ingebracht. Na het beschrijven van de medische situatie van eiseres is onder het kopje analyse door dr. Heus inzichtelijk gemotiveerd waarom aanvullende begeleiding objectief medisch gezien noodzakelijk is. De aard van die begeleiding zal in deze levensfase vooral specialistisch zijn gelet op het belang van de zelfstandigheidsontwikkeling van eiseres en dit geen vastliggend patroon kent.
26. Dat er door de deskundige geen contact is opgenomen met het OKT is geen reden om dit rapport onzorgvuldig te achten. Uit het rapport volgt dat dossieronderzoek heeft plaatsgevonden op basis van de stukken van verweerder en de (nader) door verweerder opgevraagde informatie is bestudeerd en betrokken in het onderzoek. Hierdoor was het standpunt van verweerder voldoende bekend bij de deskundige. Daarnaast heeft de deskundige een huisbezoek afgelegd, gesproken met eiseres (kort) en haar moeder.
27. Alles overwegende vindt de rechtbank op basis van de genoemde informatie in rechtsoverweging 20.1 en het rapport van de deskundige, het meer voor de hand liggend dat eiseres destijds maar ook nu - naast de begeleiding door Visio - in haar thuissituatie en op de bso is aangewezen op ambulante specialistische begeleiding. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd waarom, ondanks al deze adviezen van deskundigen, geen specialistische begeleiding nodig zou zijn.
Dwangsom – oordeel over bestreden besluit 2
28. Eiseres bestrijdt dat de e-mail van 24 mei 2024 een besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het betreft slechts een toezegging tot tijdelijke voortzetting
van de bestaande situatie.
29. De rechtbank volgt het betoog van eiseres in zoverre dat uit de e-mail van 24 mei 2024 slechts volgt dat het huidige pgb wordt verlengd. Weliswaar is daarmee sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb maar hiermee is geen beslissing op de aanvraag van 5 maart 2024 genomen waarbij om een uitbreiding van het aantal uren is verzocht. Dat besluit volgde pas op 22 juli 2024.
30. Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, verbeurt het bestuursorgaan als een beschikking niet tijdig wordt gegeven een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, maar ten hoogste voor 42 dagen. Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Op grond van het derde lid van artikel 4:17 van de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
31. Uit het dossier volgt niet wanneer de ingebrekestelling is ontvangen. Ervan uitgaande dat de ingebrekestelling in ieder geval op 24 mei 2024 is ontvangen, zijn de twee weken op 7 juni 2024 verstreken. Het besluit op de aanvraag is gedateerd op 22 juli 2024. Dat is 45 dagen na de dag waarop de termijn voor het geven van een beschikking is verstreken. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag zijnde € 1.442,-.
Conclusie en gevolgen
Over bestreden besluit 1 en 3
32. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de bestreden besluiten 1 en 3 niet berusten op een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering missen, zal de rechtbank deze beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten 1 en 3 vernietigen. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de bezwaren alsnog gegrond te verklaren, de primaire besluiten gedeeltelijk te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de gedeeltelijk herroepen primaire besluiten. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat aan eiseres over de perioden zoals genoemd in de primaire besluiten specialistische begeleiding wordt toegekend in plaats van praktische begeleiding, waarbij de rechtbank geen aanleiding ziet om de omvang van de jeugdhulp en het daarbij behorende tarief te wijzigen. De reden daarvoor is dat op de zitting is besproken dat er niet meer uren zijn gewerkt tegen een hoger tarief.
Over bestreden besluit 2
33. De rechtbank zal ook in deze zaak het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit 2 vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Dat betekent dat de rechtbank zelf de verbeurde dwangsom zal vaststellen.
In alle beroepen
34. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond zal verklaren, krijgt eiseres het griffierecht in alle drie de beroepen terug en een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet dit aan eiseres betalen. Deze vergoeding bedraagt in totaal € 4.670,-. De gemachtigde van eiseres heeft drie keer een bezwaarschrift ingediend, drie keer een beroepschrift ingediend en één keer aan de zitting deelgenomen. Ten aanzien van de bestreden besluiten 1 en 3 is de rechtbank van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken. Dit heeft tot gevolg dat de proceskostenvergoeding is gebaseerd op in totaal vijf punten. De vergoeding voor het verschijnen op de zitting in beroep vindt plaats in de procedure 25/3653.
Kosten deskundige
35. Gelet op de motivering van verweerder in het bestreden besluit 1, heeft eiseres zich terecht tot een deskundige gewend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige, bedragen € 1.533,68. Deze kosten vindt de rechtbank redelijk. Ook deze kosten moeten worden vergoed door verweerder.
Beslissing
AMS 25/3653
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 1 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit 1;
- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 10 maart 2023 gegrond, herroept het primaire besluit in de zin dat de rechtbank bepaalt dat eiseres recht heeft op specialistische begeleiding;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.533,68 aan eiseres voor de kosten van de deskundige.
AMS 25/4430
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 2 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2;
- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 22 november 2024 gegrond en herroept het primaire besluit;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.442,- en dat verweerder dit bedrag aan eiseres moet betalen;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
AMS 25/6550
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 3 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 3;
- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 22 juli 2024 gegrond, herroept het primaire besluit in de zin dat de rechtbank bepaalt dat eiseres recht heeft op specialistische begeleiding;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzitter, en mr. L. Dolfing en
mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De begrippen praktische- en specialistische begeleiding worden gedefinieerd in artikel 3.13, tweede lid, onderdeel a, categorie I en II van Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021. Met ingang van 1 juli 2025 is de Verordening jeugdhulp Amsterdam van toepassing. Voornoemde begrippen staan genoemd in artikel 3.14 van deze Verordening. De inhoud van de definities is niet gewijzigd.
Dit wordt ook ondersteund in een brief van Ambiant Zorg en een e-mail van de stichting MEE Amstel en Zaan van 2 augustus 2023.
ECLI:NL:RVS:2018:518.
Deze uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2024:5299.
Op de zitting is besproken dat deze brief ontbreekt bij de door verweerder overgelegde stukken.
Deze uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
Zie rechtsoverweging 4.1. van de uitspraak van 1 mei 2017.
Zie rechtsoverweging 4.3.1. van de uitspraak van 1 mei 2017.
De rechtbank wijst in dit kader ook op haar uitspraak van 11 december 2025 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:RBAMS:2025:9953.
Zie ook de genoemde rechtspraak onder voetnoot 6 en 9.
Op grond van artikel 4:18 van de Awb.