Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9490

2026-09-09 Strafrecht; Europees strafrecht 13-120367-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-120367-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Executie-EAB uit België. Artikel 12 OLW: de gegeven verklaring voldoet aan de eisen van artikel 12, onder d, OLW. De weigeringsgrond doet zich niet voor. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.177 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER


Parketnummer: 13-120367-26




Datum uitspraak: 9 september 2026







UITSPRAAK





op de vordering van 2 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2026 door de advocaat-generaal bij het Hof van Beroep Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Marokko),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,
nu gedetineerd in het [detentieplaats] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.F.J. Smeets, advocaat in Amsterdam.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.






3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, C2-kamer van 30 oktober 2025 met kenmerk 25PGA1765 (griffienummer: 1609/2025).



De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in België. Van de straf resteren volgens het EAB nog 730 dagen.



De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.





4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW



Standpunten van de partijen

De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB een onvoorwaardelijke verzetgarantie heeft gegeven voor de opgeëiste persoon. Hiermee is sprake van een situatie als genoemd in artikel 12, onder d, OLW. Artikel 12 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.




Oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van Hof van Beroep Antwerpen, C2-kamer van 30 oktober 2025 toetsen aan artikel 12 OLW.



De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De rechtbank mag in dit geval de overlevering niet weigeren als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:




de beslissing na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend; én


de opgeëiste persoon uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep; én


de opgeëiste persoon het recht heeft aanwezig te zijn bij de verzetprocedure of de procedure in hoger beroep; én


de zaak in die procedure opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten; én


die procedure kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; én


de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de in het EAB vermelde termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep moet aantekenen.




Het EAB vermeldt in onderdeel d):




"de beslissing is niet persoonlijk aan betrokkene betekend, maar

- de beslissing zal hem na overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en

- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing, en

- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet aan te tekenen, namelijk 15 dagen."




Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de hierboven weergegeven eisen van artikel 12, sub d, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.





5Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist


De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.



De feiten leveren naar Nederlands recht op:




poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;





diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.






6Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden



Inleiding

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.



Bij brief van 30 juli 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:




“
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?



[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.





2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?


België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.


In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:


- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.


- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.


o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm


o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.


- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.


- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.







3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”



Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB, omdat de detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. De raadsman heeft in dit kader verwezen naar een arrest van het Hof van Cassatie van België van 18 augustus 2026. In dit arrest heeft het Hof van Cassatie vastgesteld dat de omstandigheden in de gevangenis van Gent slecht zijn en dat aldaar sprake is van schending van mensenrechten. Hoewel voor de opgeëiste persoon een detentiegarantie is verstrekt voor de gevangenis in Brugge en niet voor de gevangenis in Gent, geeft dit arrest aanleiding voor zorgen over de detentie in alle gevangenissen in België. Het Hof van Cassatie kan in één arrest geen uitspraken doen over alle gevangenissen in België. De Belgische autoriteiten waren ervan overtuigd dat de omstandigheden in de gevangenis in Gent toereikend waren. Het Hof van Cassatie heeft vervolgens geoordeeld dat dit feitelijk niet het geval is. De rechtbank kan daarom niet uitgaan van de inhoud van de gegeven garantie.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. Het arrest waarnaar de raadsman verwijst, onderbouwt het eerder vastgestelde algemene gevaar. Daarom hebben de Belgische autoriteiten voor de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt, die het algemene gevaar voor hem wegneemt. De ervaring van het Openbaar Ministerie is dat detentiegaranties worden nageleefd. De officier van justitie verwijst in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank van 4 augustus 2026, waarbij de rechtbank de overlevering heeft toegestaan met een detentiegarantie voor de gevangenis in Brugge.




Oordeel van de rechtbank

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 30 juli 2026.



De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).



Naar het oordeel van de rechtbank onderbouwt hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de omstandigheden in de gevangenis in Gent het al vastgestelde algemene gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in de Belgische detentie-instellingen. De omstandigheid dat er tot op heden nog steeds sprake is van een – ook door de rechtbank onderkende – zorgelijke situatie in Belgische detentie-instellingen, leidt echter niet tot de vaststelling dat de rechtbank niet langer uit kan gaan van de geboden zekerheid in de garantie. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.





7Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.





8Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.





9Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de advocaat-generaal bij het Hof van Beroep Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.




Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026.





































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


Zie onderdeel e) van het EAB.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.


Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW.


Zie artikel 12, sub d, OLW.


ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.


Hof van Cassatie van België 18 augustus 2026, 26/CAS/0495/1.


Rb. Amsterdam 4 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7862.


HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije)), punt 114.