Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9450

2026-09-18 Strafrecht 13/093681-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/093681-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (opzet)witwassen. Verdachte wordt partieel vrijgesproken van medeplegen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.592 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/093681-25



Datum uitspraak: 18 september 2026



Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende op het adres [BRP-adres]





1Onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Lobregt, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.T.M. Eijsbouts, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 20 maart 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (opzet)witwassen.



De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.





3Waardering van het bewijs


3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.




3.2

Standpunt van de verdediging



De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het geldbedrag van € 13.000,- niet kan worden bewezen dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is en heeft daarvoor vrijspraak bepleit. De raadsvrouw voert aan dat het genoemde bedrag spaargeld betreft en afkomstig is uit verschillende bronnen. Het financieel onderzoek, dat door de politie is uitgevoerd, weerlegt de verklaring van verdachte met betrekking tot de herkomst van het contante geldbedrag niet.



Ten aanzien van het geldbedrag van € 19.950,- heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van de opzetvariant van het ten laste gelegde witwassen, omdat uit geen enkele omstandigheid volgt dat verdachte wist dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. Voor het overige refereert de verdediging zich met betrekking tot dit geldbedrag aan het oordeel van de rechtbank.




3.3

Het oordeel van de rechtbank



De rechtbank komt ten aanzien van beide ten laste gelegde bedragen tot een veroordeling voor opzetwitwassen. Zij zal verdachte partieel vrijspreken van het medeplegen. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.




Wettelijk kader witwassen geldbedragen uit onbekend misdrijf




De rechtbank stelt voorop dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen geldbedragen in rechtstreeks verband zijn te brengen met een specifiek aangeduid misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan in zo’n geval niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.



Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet uit misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet uit misdrijf afkomstig is.



Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).



Tegen de achtergrond van dit kader wordt het volgende overwogen.




Vermoeden van witwassen




Op 20 maart 2025, omstreeks 05:11, uur zag [moeder verdachte] , de moeder van verdachte, dat een onbekende man haar woning aan de [adres] aan het filmen was met zijn telefoon. Vervolgens meldde de man zich via de beveiligingsdeurbel aan de deur. De man gaf aan dat hij een tas met geld op kwam halen, omdat verdachte aangehouden zou zijn. [moeder verdachte] vertrouwde het niet en belde de politie.



De gearriveerde agenten hebben vervolgens met toestemming van [moeder verdachte] de kamer van verdachte doorzocht, waarbij een contant geldbedrag van € 13.000,- werd aangetroffen in een koffertje. Het geldbedrag bestond uit 13 pakketjes met elastiek bij elkaar gebundelde biljetten van € 50,-. Volgens [moeder verdachte] lag dit geld er twee dagen daarvoor nog niet.



Later die dag ontving de politie de informatie dat verdachte in de nacht van 19 op 20 maart 2025 is aangehouden in Antwerpen. Uit het dossier volgt dat deze aanhouding plaatsvond op verdenking van ontvoering en zware mishandeling. Om deze reden heeft, in opdracht van de Belgische politie, nogmaals een doorzoeking in de woning plaatsgevonden. Daarbij werd opnieuw een grote hoeveelheid contant geld, te weten € 19.950,-, aangetroffen in een zak van een jas die toebehoorde aan verdachte.



Verder is uit financieel onderzoek naar verdachte gebleken dat verdachte over zowel een betaalrekening als een spaarrekening beschikte en dat verdachte in de periode 2020 tot 2025, voor zover bekend in de beschikbare systemen, slechts geringe (girale) inkomsten heeft gehad. Ook heeft verdachte in deze periode bij de Belastingdienst geen grote bedragen aan spaargeld opgegeven.



Tot slot is in het Belgische politieonderzoek de telefoon van [naam] uitgelezen. Hierbij is het volgende bericht aangetroffen: “Zie gistere ik zei gewoon die bagga moeten we pakken die bagga toch, daar zat 35000 doezoe in weet je wat die ma heeft gedaan uiteindelijk. Ze heeft gewoon skotoe gebeld, ze heeft die baggou gewoon aan skotoe gegeven bro, ongelofelijk bro. We hebben gewoon allemaal een klap in ons gezicht nu, daar zat onze pap in. (…) doezoe is gewoon weg gewoon. Niemand van ons heeft nu gewoon pap (…).”



De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leveren, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privépersonen hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal. Verdachte had in totaal een bedrag van bijna € 33.000,- aan contant geld in huis, terwijl hij ook beschikte over een betaal- en spaarrekening, en er geen legale inkomstenbronnen bekend zijn die het bezit van een dergelijk geldbedrag zouden kunnen verklaren. Verder ondersteunen de wijze van bundelen van de pakketten met enkel briefjes van € 50,-, de onbekende man die zich midden in de nacht bij het ouderlijk huis van verdachte meldde om geld op te halen na een strafrechtelijke aanhouding van verdachte en de inhoud van het bericht op de telefoon van [naam] , waarbij wordt gesproken over ‘onze pap’ ter waarde van ‘35000’, het vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van voornoemd geldbedrag, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.




Verklaring verdachte en onderzoek door het Openbaar Ministerie




Met betrekking tot het bedrag van € 19.950,- heeft verdachte verklaard dit bedrag in bewaring te hebben genomen voor iemand anders. Verdachte heeft geen nadere gegevens over deze persoon willen verstrekken en op verdere vragen over dit bedrag heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen, waardoor hier geen verder onderzoek naar heeft kunnen plaatsvinden.



Verdachte heeft over het bedrag van € 13.000,- verklaard, dat het bedrag bestaat uit schenkingen van zijn ouders, een erfenis van zijn opa, studiefinanciering en oud spaargeld. Hij bewaarde dit in contanten, omdat hij spaarde voor een auto waarmee hij taxiritten zou kunnen gaan rijden. Deze auto wilde hij in Duitsland, waar contant geld gangbaar is, aanschaffen.



Door het Openbaar Ministerie is naar aanleiding van deze verklaring van verdachte nader onderzoek verricht. Financieel onderzoek, in combinatie met door de verdediging aangeleverde stukken, wijzen uit dat de ouders van verdachte in de periode van januari 2020 tot en met maart 2025 in totaal € 20.813,- giraal naar verdachte hebben overgemaakt. Verder blijkt dat verdachte middels telefonisch berichtenverkeer met zijn ouders heeft gecommuniceerd over de zoektocht naar een auto met een aankoopprijs van rond de € 15.000,-. Daarnaast heeft de vader van verdachte schriftelijk bevestigd dat verdachte € 2.500,- contant van zijn opa heeft gekregen.



Verder blijkt verdachte in de periode van januari 2020 tot en met maart 2025 in totaal € 9.417,65 aan contant geld te hebben opgenomen van zijn bankrekening en een bedrag van € 9.185,- te hebben gestort. Tot slot blijkt uit het onderzoek dat verdachte in dezelfde periode door middel van drie transacties via Money Transfer in totaal € 5.965,- aan contanten heeft overgemaakt. Deze transacties, een bedrag van € 2.000,- op 15 oktober 2023, een bedrag van € 1.490,- op 22 april 2024 en een bedrag van € 2.475,- op 5 maart 2025, zijn door de Financial Intelligence Unit (FIU) als verdacht aangemerkt.




Conclusie




Op basis van de resultaten van dit onderzoek zal de rechtbank moeten beoordelen of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aangetroffen geldbedragen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. De rechtbank stelt hiertoe het volgende vast.



De rechtbank stelt vast dat verdachte ten aanzien van de herkomst van het bedrag van € 19.950,- geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Nader onderzoek naar deze herkomst is dan ook niet mogelijk. Gelet hierop is er redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk dan dat het voornoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit ook wist.



Anders is het ten aanzien van het geldbedrag van € 13.000,-. De verklaring van verdachte, dat hij kon beschikken over contant spaargeld met een legale herkomst uit verschillende bronnen, acht de rechtbank concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.



Desondanks komt de rechtbank tot de conclusie dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat dit geldbedrag een legale herkomst heeft. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.



Allereerst blijkt uit het onderzoek dat het Openbaar Ministerie heeft gedaan naar aanleiding van de verklaring van verdachte, dat verdachte € 9.185,- aan contant geld heeft gestort op zijn bankrekening. Ook heeft verdachte € 5.965,- aan contant geld via Money Transfer overgemaakt. Tot slot is in de slaapkamer van verdachte een bedrag van in totaal € 32.950,- aan contant geld aangetroffen. Er is niet gebleken dat verdachte beschikte over legale contante inkomsten, anders dan de contante opnames van zijn rekening (€ 9.417,65) en het bedrag dat hij van zijn opa zou hebben ontvangen (€2.500,-). Gelet hierop is sprake van een onbekende contante inkomstenbron van ruim € 36.000,-. Voor zover verdachte in dit verband heeft verklaard dat een deel van zijn spaargeld afkomstig was uit contant betaalde taxiritten, heeft te gelden dat hij deze verklaring onvoldoende heeft geconcretiseerd. Verdachte heeft in zijn politieverhoor verklaard dat hij enkele maanden als taxichauffeur heeft gewerkt, maar dat hij hier geen enkele documentatie van heeft. Op de zitting heeft verdachte vervolgens onvoldoende inzicht geboden in deze gestelde contante inkomstenbron, zodat een nader onderzoek naar deze bron niet mogelijk is.



Verdachte heeft verder niet duidelijk gemaakt waarom hij zijn spaargeld contant bewaarde met alle risico’s van dien, terwijl hij beschikte over een betaal- en spaarrekening. Dit klemt te meer, omdat het geld uit een deel van de door verdachte genoemde inkomstenbronnen, zoals studiefinanciering en de schenkingen van zijn ouders, giraal naar hem is overgemaakt, zodat het een extra handeling vergt om dit geld contant te maken. Zelfs als hij daadwerkelijk van plan was om contant te betalen voor een auto, had hij het benodigde bedrag kort voor de aanschaf kunnen opnemen. Evenmin heeft verdachte een verklaring gegeven voor de voor spaargeld ongebruikelijke, maar in het criminele circuit juist vaak gehanteerde, specifieke wijze van bundelen van de biljetten van € 50,- met elastiekjes in pakketjes van € 1.000,- met één biljet eromheen gevouwen en het bewaren daarvan in een koffertje. Daarnaast heeft verdachte nimmer bedragen aan spaargeld boven de meldgrens opgegeven bij de Belastingdienst.



Daarnaast heeft de moeder van verdachte op 20 maart 2025, toen de politie het koffertje met € 13.000,- aantrof, verklaard dat dit geld er twee dagen daarvoor niet lag, hetgeen zich niet zonder meer verhoudt met een geldbedrag dat verdachte gedurende een langere periode aan het sparen was.



Tevens is het aantreffen van een rond geldbedrag in 260 coupures van € 50,- (€ 13.000,-) niet zonder meer passend bij de verklaring dat het om accumulerend spaargeld uit verschillende bronnen gaat.



Het totaalbedrag dat verdachte in zijn ouderlijk huis bewaarde (€32.950,-) is tot slot in hoogte niet ver verwijderd van het bedrag dat genoemd is in het eerdergenoemde bericht op de telefoon van [naam] (35.000), zodat het ophalen door een onbekende derde in de nacht van de aanhouding van verdachte kan passen bij de overige opmerkingen in dat bericht over “onze pap”.



Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank het niet aannemelijk geworden dat de aangetroffen € 13.000,- afkomstig is uit legale bron. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat ook dit aangetroffen geldbedrag uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist.




Partiële vrijspraak medeplegen




De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte op de ten laste gelegde datum nauw en bewust heeft samengewerkt met een of meer anderen, zodat verdachte van het ten laste gelegde medeplegen zal worden vrijgesproken.






4Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte



op 20 maart 2025 te Amsterdam, een voorwerp, te weten:

- een geldbedrag van 13.000,-- euro en,
- een geldbedrag van 19.950,-- euro,
voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.





5De strafbaarheid van het feit


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





7Motivering van de straffen en maatregelen


7.1.

Eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken.




7.2.

Standpunt van de verdediging



De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte lange tijd in België vast heeft gezeten en pas recent is vrijgekomen. Verdachte moet zijn leven opnieuw opbouwen en is hier hard mee bezig. Gelet hierop verzoekt de raadsvrouw de rechtbank aan verdachte een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.




7.3.

Oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetwitwassen. Verdachte heeft grote contante geldbedragen voorhanden gehad, terwijl hij wist dat deze door misdrijf waren verkregen. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend met het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving.



De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 juli 2026. Hieruit blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan witwassen.



Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgestelde oriëntatiepunten, ofwel de afspraken die de gerechten onderling maken over gelijke bestraffing van soortgelijke zaken. Hieruit volgt dat bij fraude met betrekking tot een bedrag tussen € 10.000,- en € 70.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de twee en vijf maanden of (een combinatie met) een taakstraf het uitgangspunt is. Dit uitgangspunt is ook van toepassing op witwassen, mits dit is gepleegd in een frauduleuze context. Hoewel in deze zaak de criminele context van het witwassen niet is vast te stellen, zal de rechtbank toch uitgaan van dit uitgangspunt bij gebrek aan een ander passend oriëntatiepunt.



Met name in de jonge leeftijd van verdachte, het feit dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en het gegeven dat hij zijn leven weer vorm probeert te geven na vast te hebben gezeten, ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een taakstraf van 150 uur.






8Beslag


Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:




260 stuks Geld 13000 EUR (PL1300-2025066384-6633362);


1 stuks Geld 19950 EUR (PL1300-2025066384-6633557).




8.1

Standpunten



De officier van justitie heeft gevorderd dat de geldbedragen moeten worden verbeurdverklaard.



De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.




Verbeurdverklaring




De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Aangezien met betrekking tot die voorwerpen het bewezengeachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.






9Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.





10Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




witwassen




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 (vijfenzeventig) dagen.




Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen:





Verklaart verbeurd:

260 stuks Geld 13000 EUR (PL1300-2025066384-6633362);

1. stuks Geld 19950 EUR (PL1300-2025066384-6633557).



Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mr. M. Wiewel en mr. G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Essink, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2026.


[…]