Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9382
2026-09-17
Strafrecht
81.062799.22
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een kapitein wordt veroordeeld voor het niet-opzettelijk lozen van een oliehoudend mengsel in de Noordzee. Ook heeft hij het oliejournaal niet goed bijgehouden. Geheel voorwaardelijke geldboetes van 2.000 en 1.000 euro.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1999:ZD1313 Hoge Raad 02-02-1999
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.242 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.062799.22
Datum uitspraak: 17 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 februari 2024 en 20 augustus 2026 en 17 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Visser, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Jumelet, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 8 februari 2024 ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1: het (mede)plegen van het op 29 december 2020 (opzettelijk) lozen van olie in de Noordzee vanaf een schip (de [naam schip]).
Feit 2: het op 29 december 2020 (opzettelijk) niet ervoor zorgen dat het Oliejournaal deel II werd bijgehouden, doordat dit niet onverwijld is ingevuld nadat water was geloosd.
De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte het tenlastegelegde opzettelijk heeft begaan.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide tenlastegelegde feiten. Voor feit 1 stelt de verdediging allereerst dat niet is bewezen dat het waargenomen spoor olie of een oliehoudend mengsel betreft. Voor zover dat wel is bewezen, is verdachte als kapitein van het schip niet de normaddressaat van het toepasselijke voorschrift uit het Marpol-verdrag. Ook stelt de verdediging dat van medeplegen geen sprake is, zodat verdachte langs die deelnemingsvorm ook niet verantwoordelijk is voor het tenlastegelegde.
Voor feit 2 stelt de verdediging dat het oliejournaal niet ingevuld hoefde te worden, omdat de ‘Annex I’-procedure klaar was. Ook stelt de verdediging dat sprake was van een ladingtank en niet van een sloptank. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat in elk geval het opzettelijk handelen niet is bewezen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 29 december 2020 zag de bemanning van een kustwachtvliegtuig de [naam schip] op de Noordzee varen met daarachter een spoor op het wateroppervlak. Het was een spoor met daarin regenboog- en metalickleuren die wijzen op minerale olie. Zij stelden met behulp van een opname van de Side Looking Airborne Radar (SLAR) vast dat het spoor verbonden was met de [naam schip]. Het spoor had een lengte van ongeveer 13,7 kilometer en een breedte van ongeveer 50 meter. Het wateroppervlak voor de boeg en aan beide zijden van de [naam schip] was niet verontreinigd.
Verdachte, de kapitein van de [naam schip], is gehoord. Op het moment dat de [naam schip] door de Kustwacht werd aangeroepen, waren ze bezig met het wassen van één sloptank, waar Annex I slops in hadden gezeten. Ze maakten op dat moment gebruik van een schoonmaakmiddel, KT-degreaser. Tank 6 stuurboord werd als sloptank gebruikt. Het wassen van de sloptank was bedoeld om het schip commercieel klaar te maken voor de volgende lading, dit was een standaardprocedure. De vorige lading van het schip betrof verschillende soorten smeerolie. Verdachte heeft ook verklaard dat de stuurman de tank open heeft gemaakt en gekeken heeft of er nog residu in de tank aanwezig was en dat de stuurman heeft verklaard dat de tank helemaal schoon was. Verdachte heeft indirect de opdracht gegeven om de sloptank te ontzouten. Feitelijk heeft de eerste stuurman dit gedaan. Na het ontzouten zou het waswater via de udo [underwater discharge opening] overboord gaan.
De [naam schip] vaart onder de Nederlandse vlag en het schip heeft een inhoud van 5.642 GT.
Door de verdediging is een ‘Explanatory note on procedures and policies [naam bedrijf] GmbH’ overgelegd. Hierin is onder meer vermeld:
“The tank cleaning plan concerning Annex I products, should include the intended cleaning process in line with MARPOL requirements and safety requirements. In regard to cleanliness this means the planned cleaning process: estimated cleaning time, medium water temperature and slops arrangements. It is Ch. Officers responsibility to develop the plan, and the Master will approve it. (…)
Any additional cleaning after the tank is confirmed cleaned, is not regarded as Annex I cleaning, but cleaning to meet cargo tank(s) cleanliness requirements for next cargo (removal of contaminants). In this case, cargo tank 6 starboard was enroute cleaned by use of a cleaning chemical to ensure readiness to load higher purity cargo. When water is mixed with small amounts of cleaning additives (detergent products) that are approved (…), the mixture may be discharged no less than 12 nautical miles from the nearest land and in water not less than 25 meters deep.”
De producent van KT-degreaser heeft aangegeven dat het product geen kleurenspoor achterlaat als het in zee geloosd wordt.
In het oliejournaal deel II van de [naam schip] is na 27 december 2020 niets ingevuld.
Overwegingen
Feit 1
De rechtbank gaat uit van de waarnemingen van verbalisanten die vanuit een kustwachtvliegtuig de verontreiniging hebben waargenomen. Daaruit leidt de rechtbank af dat op 29 december 2020 vanuit de [naam schip] een oliehoudend mengsel in de Noordzee is geloosd.
De verdediging heeft met een beroep op een rapport van [persoon], marine consultant, betoogd dat onvoldoende vaststaat dat het waargenomen spoor oliehoudend was. De rechtbank acht, tegen de achtergrond van de waarnemingen van de verbalisanten en de mededeling van de fabrikant van het gebruikte schoonmaakmiddel, de bevindingen tijdens een experimentele setting van zeer beperkte omvang onvoldoende om aannemelijk te achten dat geen sprake was van een oliehoudend spoor.
De waarnemingen van de kustwacht dat het spoor afkomstig was van de [naam schip] en dat het om een oliehoudend mengsel ging worden bevestigd door de omstandigheden dat het schip als laatste lading minerale olie heeft vervoerd en dat ze aan boord ten tijde van de waarneming bezig waren met het wassen van de sloptank, waarbij het de procedure was dat het waswater in zee geloosd werd.
Op zichzelf is het niet verboden om waswater in zee te lozen. Dit wordt echter anders als het waswater minerale olie bevat. Dan moet bij lozen in zee voldaan worden aan de voorschriften uit Annex 1 bij het Marpol-verdrag. Eén van die voorschriften is dat het lozen van oliehoudende mengsels verboden is in aangewezen bijzondere gebieden en de Noordzee is zo’n bijzonder gebied.
De voorschriften gelden voor eenieder en dus ook voor verdachte als de kapitein van de [naam schip]. Verdachte had als kapitein een eigen verantwoordelijk voor de gang van zaken aan boord, waaronder het naleven van de voorschriften uit het Marpol-verdrag. Hij was daarbij eindverantwoordelijk voor al hetgeen aan boord van de [naam schip] gebeurde. Hij was ook in de positie om ervoor te zorgen dat het waswater dat in zee geloosd werd niet oliehoudend was. De rechtbank overweegt hierbij dat juist gelet op de omstandigheid dat een extra wassing op zee werd uitgevoerd en waarbij waswater werd geloosd in een bijzonder gebied, alertheid op datgene wat werd geloosd geboden was. De visuele inspectie die door de stuurman is uitgevoerd (door na het wassen van bovenaf in de tank te kijken) is hierbij onvoldoende gebleken om op basis daarvan de conclusie te trekken dat tank ‘schoon’ was.
Vrijspraak opzet
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van het opzet is vereist dat vast komt te staan dat verdachte opzettelijk een oliehoudend mengsel heeft geloosd. De rechtbank kan niet vaststellen dat door verdachte een aanmerkelijke kans op het lozen van een oliehoudend mengsel is aanvaard. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft uitvoering gegeven aan het beleid en de procedures die door de rederij zijn ontwikkeld en die gericht zijn op het voorkomen van het lozen van olie of oliehoudende mengsels nadat een olielading is vervoerd. De tanks moeten volgens het opgestelde tank cleaning plan gewassen worden en het waswater wordt in de haven afgegeven. Daarna wordt de inhoud van de tank (van bovenaf) bekeken om te zien of deze schoon is van olieresten. Verdachte heeft erop gerekend dat na het uitvoeren van het tank cleaning plan en de mededeling van de stuurman dat de tanks ‘schoon’ waren, geen olie meer in de tank aanwezig was. Niet vastgesteld kan worden dat na het uitvoeren van het gemaakte tank cleaning plan en de visuele waarneming dat de tank schoon is, regelmatig olie in de tank achterbleef en dat verdachte dat wist. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat door verdachte een aanmerkelijke kans op het lozen van olie wordt aanvaard.
Medeplegen
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het niet-opzettelijke feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd. Voor het medeplegen van een overtreding is vereist dat sprake is van een bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen. Niet vereist is dat verdachte opzet heeft op het gronddelict. Dat sprake was van een samenwerking tussen in elk geval verdachte en de stuurman blijkt uit de verklaring van verdachte.
Feit 2
Uit wat de rechtbank hiervoor met betrekking tot feit 1 heeft overwogen en uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, volgt dat de op 29 december 2020 vanuit de als sloptank in gebruik zijnde tank van de [naam schip] een oliehoudend mengsel met waswater is geloosd in de Noordzee. Deze lozing had in het oliejournaal deel II ingevuld moeten worden, maar dat is niet gebeurd. Dat dit gebeurt, is de verantwoordelijkheid van de kapitein. Het niet-invullen is ook opzettelijk gebeurd.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
op 29 december 2020 op de Noordzee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
vanaf een schip, te weten het onder Nederlandse vlag varend schip ‘[naam schip]’, een oliehoudend mengsel als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage 1 van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1972 (Marpol-verdrag), in zee heeft geloosd, anders dan met inachtneming van de in Bijlage 1 van
het Marpol-verdrag gegeven voorschriften,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) in strijd met voorschrift 34 paragraaf B lid 3 van Bijlage 1 van het Marpol-verdrag een oliehoudend mengsel, uit het ladinggedeelte van voornoemd olietankschip geloosd in zee, terwijl dit schip zich in een (ingevolge voorschrift 1 lid 11.8 van Bijlage I van het Marpol-verdrag aangewezen) bijzonder gebied bevond;
Feit 2
op 29 december 2020 op de Noordzee,
als kapitein van het onder Nederlandse vlag varend schip ‘[naam schip]’, zijnde een olietankschip van 5642 GT,
opzettelijk,
er geen zorg voor heeft gedragen dat aan boord het Oliejournaal Deel II, bedoeld in voorschrift 36 van Bijlage I van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1972 (Marpol-verdrag), werd bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in voornoemde bijlage is bepaald,
immers heeft hij, verdachte, in strijd met voorschrift 36 lid 2.7, het Oliejournaal Deel II niet onverwijld ingevuld nadat toen aldaar water uit sloptank 6 stuurboord was geloosd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
De verdediging heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van feit 1 niet strafbaar is, omdat hem een beroep toekomt op ‘afwezigheid van alle schuld’. Naar het oordeel van de rechtbank is echter geen sprake van een situatie waarin verdachte alles gedaan heeft of heeft laten doen wat van hem verwacht mocht worden in deze situatie. Zoals hiervoor is overwogen, was juist bijzondere alertheid geboden omdat waswater werd geloosd in een bijzonder gebied. In het bijzonder is niet gebleken dat gecontroleerd is of het waswater van de wassing op zee inderdaad ‘schoon’ was.
Er is ook verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Motivering van de straffen en maatregelen
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 6.500,-.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan verdachte een voorwaardelijke geldboetes op van € 2.000,- (feit 1) en € 1.000,- (feit 1). Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft als kapitein van een schip een oliehoudend mengsel in de Noordzee geloosd. Bovendien heeft verdachte in strijd met de regels de lozing van het olie/watermengsel niet in het oliejournaal opgenomen. Daarmee is verdachte tekortgeschoten in zijn verplichtingen als kapitein. Het lozen van olie kan grote schade veroorzaken aan het milieu, zeker in een kwetsbaar en al sterk verontreinigd gebied als de Noordzee. Het niet goed bijhouden van het oliejournaal belemmert de autoriteiten in de controle in de zeevaart geldende milieuvoorschriften.
Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat ten aanzien van feit 1 in de eerste plaats de rederij beter(e) beleid en procedures had moeten hebben en ten tweede dat verdachte conform de procedures van de rederij heeft gehandeld. Dat neemt niet weg dat verdachte als kapitein een eigen verantwoordelijkheid had en dat hem ook zelfstandig een verwijt gemaakt kan worden. Ook neemt de rechtbank mee dat zij – anders dan de officier van justitie – uitgaat van de niet-opzettelijke overtredingsvariant.
De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat verdachte inmiddels met pensioen is, dat het directe herhalingsgevaar daardoor beperkt is en dat verdachte ondanks een lange carrière in de scheepvaart een schoon strafblaf heeft. De hoogte van de op te leggen geldboetes dienen in de eerste plaats om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen.
De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beschouwt de oproeping voor het OM-hoorgesprek van 22 april 2022 als eerste daad van vervolging. De redelijke termijn is met een vonnis op 17 september 2026 daarom met 2 jaar en (bijna) 5 maanden overschreden. Deze overschrijding neemt de rechtbank in strafmatigende zin mee en maakt dat de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke straf niet meer passend acht.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op:
de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24c, 47 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
artikelen 5 en 11 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;
artikelen 29 en 36 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen.
9Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Feit 2
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 11, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, opzettelijk begaan.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Feit 1
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.000,- (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen.
Bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Feit 2
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen.
Bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. M. Wiewel en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.
[...]
Het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147), en met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188).
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Proces-verbaal van waarneming, pag. 10-11.
Proces-verbaal van verhoor, pag. 18-22.
Proces-verbaal economisch delict, pag. 2.
Proces-verbaal van waarneming, pag. 12.
Een geschrift (Explanatory note), pag. 6-7 van 9 van een aanvullend proces-verbaal.
Een geschrift (een e-mailbericht), pag. 3 van 3 van een aanvullend proces-verbaal.
Een geschrift (kopieën uit het oliejournaal deel II), pag. 43.
ECLI:NL:HR:1999:ZD1313.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.062799.22
Datum uitspraak: 17 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 februari 2024 en 20 augustus 2026 en 17 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Visser, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Jumelet, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 8 februari 2024 ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1: het (mede)plegen van het op 29 december 2020 (opzettelijk) lozen van olie in de Noordzee vanaf een schip (de [naam schip]).
Feit 2: het op 29 december 2020 (opzettelijk) niet ervoor zorgen dat het Oliejournaal deel II werd bijgehouden, doordat dit niet onverwijld is ingevuld nadat water was geloosd.
De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte het tenlastegelegde opzettelijk heeft begaan.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide tenlastegelegde feiten. Voor feit 1 stelt de verdediging allereerst dat niet is bewezen dat het waargenomen spoor olie of een oliehoudend mengsel betreft. Voor zover dat wel is bewezen, is verdachte als kapitein van het schip niet de normaddressaat van het toepasselijke voorschrift uit het Marpol-verdrag. Ook stelt de verdediging dat van medeplegen geen sprake is, zodat verdachte langs die deelnemingsvorm ook niet verantwoordelijk is voor het tenlastegelegde.
Voor feit 2 stelt de verdediging dat het oliejournaal niet ingevuld hoefde te worden, omdat de ‘Annex I’-procedure klaar was. Ook stelt de verdediging dat sprake was van een ladingtank en niet van een sloptank. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat in elk geval het opzettelijk handelen niet is bewezen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 29 december 2020 zag de bemanning van een kustwachtvliegtuig de [naam schip] op de Noordzee varen met daarachter een spoor op het wateroppervlak. Het was een spoor met daarin regenboog- en metalickleuren die wijzen op minerale olie. Zij stelden met behulp van een opname van de Side Looking Airborne Radar (SLAR) vast dat het spoor verbonden was met de [naam schip]. Het spoor had een lengte van ongeveer 13,7 kilometer en een breedte van ongeveer 50 meter. Het wateroppervlak voor de boeg en aan beide zijden van de [naam schip] was niet verontreinigd.
Verdachte, de kapitein van de [naam schip], is gehoord. Op het moment dat de [naam schip] door de Kustwacht werd aangeroepen, waren ze bezig met het wassen van één sloptank, waar Annex I slops in hadden gezeten. Ze maakten op dat moment gebruik van een schoonmaakmiddel, KT-degreaser. Tank 6 stuurboord werd als sloptank gebruikt. Het wassen van de sloptank was bedoeld om het schip commercieel klaar te maken voor de volgende lading, dit was een standaardprocedure. De vorige lading van het schip betrof verschillende soorten smeerolie. Verdachte heeft ook verklaard dat de stuurman de tank open heeft gemaakt en gekeken heeft of er nog residu in de tank aanwezig was en dat de stuurman heeft verklaard dat de tank helemaal schoon was. Verdachte heeft indirect de opdracht gegeven om de sloptank te ontzouten. Feitelijk heeft de eerste stuurman dit gedaan. Na het ontzouten zou het waswater via de udo [underwater discharge opening] overboord gaan.
De [naam schip] vaart onder de Nederlandse vlag en het schip heeft een inhoud van 5.642 GT.
Door de verdediging is een ‘Explanatory note on procedures and policies [naam bedrijf] GmbH’ overgelegd. Hierin is onder meer vermeld:
“The tank cleaning plan concerning Annex I products, should include the intended cleaning process in line with MARPOL requirements and safety requirements. In regard to cleanliness this means the planned cleaning process: estimated cleaning time, medium water temperature and slops arrangements. It is Ch. Officers responsibility to develop the plan, and the Master will approve it. (…)
Any additional cleaning after the tank is confirmed cleaned, is not regarded as Annex I cleaning, but cleaning to meet cargo tank(s) cleanliness requirements for next cargo (removal of contaminants). In this case, cargo tank 6 starboard was enroute cleaned by use of a cleaning chemical to ensure readiness to load higher purity cargo. When water is mixed with small amounts of cleaning additives (detergent products) that are approved (…), the mixture may be discharged no less than 12 nautical miles from the nearest land and in water not less than 25 meters deep.”
De producent van KT-degreaser heeft aangegeven dat het product geen kleurenspoor achterlaat als het in zee geloosd wordt.
In het oliejournaal deel II van de [naam schip] is na 27 december 2020 niets ingevuld.
Overwegingen
Feit 1
De rechtbank gaat uit van de waarnemingen van verbalisanten die vanuit een kustwachtvliegtuig de verontreiniging hebben waargenomen. Daaruit leidt de rechtbank af dat op 29 december 2020 vanuit de [naam schip] een oliehoudend mengsel in de Noordzee is geloosd.
De verdediging heeft met een beroep op een rapport van [persoon], marine consultant, betoogd dat onvoldoende vaststaat dat het waargenomen spoor oliehoudend was. De rechtbank acht, tegen de achtergrond van de waarnemingen van de verbalisanten en de mededeling van de fabrikant van het gebruikte schoonmaakmiddel, de bevindingen tijdens een experimentele setting van zeer beperkte omvang onvoldoende om aannemelijk te achten dat geen sprake was van een oliehoudend spoor.
De waarnemingen van de kustwacht dat het spoor afkomstig was van de [naam schip] en dat het om een oliehoudend mengsel ging worden bevestigd door de omstandigheden dat het schip als laatste lading minerale olie heeft vervoerd en dat ze aan boord ten tijde van de waarneming bezig waren met het wassen van de sloptank, waarbij het de procedure was dat het waswater in zee geloosd werd.
Op zichzelf is het niet verboden om waswater in zee te lozen. Dit wordt echter anders als het waswater minerale olie bevat. Dan moet bij lozen in zee voldaan worden aan de voorschriften uit Annex 1 bij het Marpol-verdrag. Eén van die voorschriften is dat het lozen van oliehoudende mengsels verboden is in aangewezen bijzondere gebieden en de Noordzee is zo’n bijzonder gebied.
De voorschriften gelden voor eenieder en dus ook voor verdachte als de kapitein van de [naam schip]. Verdachte had als kapitein een eigen verantwoordelijk voor de gang van zaken aan boord, waaronder het naleven van de voorschriften uit het Marpol-verdrag. Hij was daarbij eindverantwoordelijk voor al hetgeen aan boord van de [naam schip] gebeurde. Hij was ook in de positie om ervoor te zorgen dat het waswater dat in zee geloosd werd niet oliehoudend was. De rechtbank overweegt hierbij dat juist gelet op de omstandigheid dat een extra wassing op zee werd uitgevoerd en waarbij waswater werd geloosd in een bijzonder gebied, alertheid op datgene wat werd geloosd geboden was. De visuele inspectie die door de stuurman is uitgevoerd (door na het wassen van bovenaf in de tank te kijken) is hierbij onvoldoende gebleken om op basis daarvan de conclusie te trekken dat tank ‘schoon’ was.
Vrijspraak opzet
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van het opzet is vereist dat vast komt te staan dat verdachte opzettelijk een oliehoudend mengsel heeft geloosd. De rechtbank kan niet vaststellen dat door verdachte een aanmerkelijke kans op het lozen van een oliehoudend mengsel is aanvaard. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft uitvoering gegeven aan het beleid en de procedures die door de rederij zijn ontwikkeld en die gericht zijn op het voorkomen van het lozen van olie of oliehoudende mengsels nadat een olielading is vervoerd. De tanks moeten volgens het opgestelde tank cleaning plan gewassen worden en het waswater wordt in de haven afgegeven. Daarna wordt de inhoud van de tank (van bovenaf) bekeken om te zien of deze schoon is van olieresten. Verdachte heeft erop gerekend dat na het uitvoeren van het tank cleaning plan en de mededeling van de stuurman dat de tanks ‘schoon’ waren, geen olie meer in de tank aanwezig was. Niet vastgesteld kan worden dat na het uitvoeren van het gemaakte tank cleaning plan en de visuele waarneming dat de tank schoon is, regelmatig olie in de tank achterbleef en dat verdachte dat wist. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat door verdachte een aanmerkelijke kans op het lozen van olie wordt aanvaard.
Medeplegen
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het niet-opzettelijke feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd. Voor het medeplegen van een overtreding is vereist dat sprake is van een bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen. Niet vereist is dat verdachte opzet heeft op het gronddelict. Dat sprake was van een samenwerking tussen in elk geval verdachte en de stuurman blijkt uit de verklaring van verdachte.
Feit 2
Uit wat de rechtbank hiervoor met betrekking tot feit 1 heeft overwogen en uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, volgt dat de op 29 december 2020 vanuit de als sloptank in gebruik zijnde tank van de [naam schip] een oliehoudend mengsel met waswater is geloosd in de Noordzee. Deze lozing had in het oliejournaal deel II ingevuld moeten worden, maar dat is niet gebeurd. Dat dit gebeurt, is de verantwoordelijkheid van de kapitein. Het niet-invullen is ook opzettelijk gebeurd.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
op 29 december 2020 op de Noordzee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
vanaf een schip, te weten het onder Nederlandse vlag varend schip ‘[naam schip]’, een oliehoudend mengsel als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage 1 van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1972 (Marpol-verdrag), in zee heeft geloosd, anders dan met inachtneming van de in Bijlage 1 van
het Marpol-verdrag gegeven voorschriften,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) in strijd met voorschrift 34 paragraaf B lid 3 van Bijlage 1 van het Marpol-verdrag een oliehoudend mengsel, uit het ladinggedeelte van voornoemd olietankschip geloosd in zee, terwijl dit schip zich in een (ingevolge voorschrift 1 lid 11.8 van Bijlage I van het Marpol-verdrag aangewezen) bijzonder gebied bevond;
Feit 2
op 29 december 2020 op de Noordzee,
als kapitein van het onder Nederlandse vlag varend schip ‘[naam schip]’, zijnde een olietankschip van 5642 GT,
opzettelijk,
er geen zorg voor heeft gedragen dat aan boord het Oliejournaal Deel II, bedoeld in voorschrift 36 van Bijlage I van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1972 (Marpol-verdrag), werd bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in voornoemde bijlage is bepaald,
immers heeft hij, verdachte, in strijd met voorschrift 36 lid 2.7, het Oliejournaal Deel II niet onverwijld ingevuld nadat toen aldaar water uit sloptank 6 stuurboord was geloosd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
De verdediging heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van feit 1 niet strafbaar is, omdat hem een beroep toekomt op ‘afwezigheid van alle schuld’. Naar het oordeel van de rechtbank is echter geen sprake van een situatie waarin verdachte alles gedaan heeft of heeft laten doen wat van hem verwacht mocht worden in deze situatie. Zoals hiervoor is overwogen, was juist bijzondere alertheid geboden omdat waswater werd geloosd in een bijzonder gebied. In het bijzonder is niet gebleken dat gecontroleerd is of het waswater van de wassing op zee inderdaad ‘schoon’ was.
Er is ook verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Motivering van de straffen en maatregelen
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 6.500,-.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan verdachte een voorwaardelijke geldboetes op van € 2.000,- (feit 1) en € 1.000,- (feit 1). Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft als kapitein van een schip een oliehoudend mengsel in de Noordzee geloosd. Bovendien heeft verdachte in strijd met de regels de lozing van het olie/watermengsel niet in het oliejournaal opgenomen. Daarmee is verdachte tekortgeschoten in zijn verplichtingen als kapitein. Het lozen van olie kan grote schade veroorzaken aan het milieu, zeker in een kwetsbaar en al sterk verontreinigd gebied als de Noordzee. Het niet goed bijhouden van het oliejournaal belemmert de autoriteiten in de controle in de zeevaart geldende milieuvoorschriften.
Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat ten aanzien van feit 1 in de eerste plaats de rederij beter(e) beleid en procedures had moeten hebben en ten tweede dat verdachte conform de procedures van de rederij heeft gehandeld. Dat neemt niet weg dat verdachte als kapitein een eigen verantwoordelijkheid had en dat hem ook zelfstandig een verwijt gemaakt kan worden. Ook neemt de rechtbank mee dat zij – anders dan de officier van justitie – uitgaat van de niet-opzettelijke overtredingsvariant.
De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat verdachte inmiddels met pensioen is, dat het directe herhalingsgevaar daardoor beperkt is en dat verdachte ondanks een lange carrière in de scheepvaart een schoon strafblaf heeft. De hoogte van de op te leggen geldboetes dienen in de eerste plaats om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen.
De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beschouwt de oproeping voor het OM-hoorgesprek van 22 april 2022 als eerste daad van vervolging. De redelijke termijn is met een vonnis op 17 september 2026 daarom met 2 jaar en (bijna) 5 maanden overschreden. Deze overschrijding neemt de rechtbank in strafmatigende zin mee en maakt dat de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke straf niet meer passend acht.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op:
de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24c, 47 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
artikelen 5 en 11 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;
artikelen 29 en 36 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen.
9Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Feit 2
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 11, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, opzettelijk begaan.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Feit 1
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.000,- (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen.
Bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Feit 2
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen.
Bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. M. Wiewel en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.
[...]
Het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147), en met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188).
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Proces-verbaal van waarneming, pag. 10-11.
Proces-verbaal van verhoor, pag. 18-22.
Proces-verbaal economisch delict, pag. 2.
Proces-verbaal van waarneming, pag. 12.
Een geschrift (Explanatory note), pag. 6-7 van 9 van een aanvullend proces-verbaal.
Een geschrift (een e-mailbericht), pag. 3 van 3 van een aanvullend proces-verbaal.
Een geschrift (kopieën uit het oliejournaal deel II), pag. 43.
ECLI:NL:HR:1999:ZD1313.