Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9354
2026-09-18
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/13/792254 KG ZA 26-721
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In lijn met de door partijen ingenomen stellingen oordeelt de voorzieningenrechter dat de vordering van eiser in beginsel toegewezen kan worden op grond van artikel 611a Rv. Als voorshands aannemelijk is dat gedaagde niet (volledig) aan het vonnis heeft voldaan, kan de voorzieningenrechter namelijk een nieuwe dwangsomveroordeling aan de hoofdveroordeling in het vonnis van deze rechtbank koppelen, nu de reeds opgelegde dwangsom in het vonnis is volgelopen – en bovendien betaald. Die vordering wordt toegewezen omdat van gedaagde meer verwacht had mogen worden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.293 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/792254 / KG ZA 26-721 MK/GR
Vonnis in kort geding van 18 september 2026
in de zaak van
L'ORTYE TRANSPORTBEDRIJF B.V.,
te Hoensbroek,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 20 augustus 2026,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: L'Ortye,
advocaat: mr. H.H.T. Beukers,
tegen
AMCS B.V.,
te Diemen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: AMCS,
advocaat: mr. M. Goorts.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 3 september 2026 heeft L’Ortye de dagvaarding toegelicht. AMCS heeft verweer gevoerd en een voorwaardelijke vordering in reconventie ingediend aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie. L’Ortye heeft de voorwaardelijke vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht, en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren, voor zover relevant, aanwezig:
namens L’Ortye: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Beukers; en
aan de zijde van AMCS: [naam 3] ( [functie 3] ) en [naam 4] ( [functie 4] ), bijgestaan door J.M. Steur als tolk Engels, met mrs. Goorts en J.L.T. ter Beek.
1.3.
Na aanhouding is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
L’Ortye maakt onderdeel uit van de L'Ortye Groep en houdt zich bedrijfsmatig bezig met onder andere de inzameling van afval, zand, grind en overige (bulk)goederen,
alsmede het vervoer daarvan.
2.2.
AMCS maakt onderdeel uit van de AMCS Groep, met haar hoofdkantoor in Ierland. Zij is een leverancier van standaard softwareoplossingen en is thans marktleider voor wat
betreft slimme resource-software en technologische oplossingen voor voertuigen in de
afval- en recyclingbranche, de branche waarin L'Ortye actief is.
2.3.
Partijen hebben in april 2018 een overeenkomst gesloten op basis waarvan AMCS een volledig geïntegreerd softwaresysteem diende te leveren, implementeren en onderhouden (hierna: de overeenkomst). De afspraken van partijen en de functionaliteiten van de software zijn onder meer uitgewerkt in een offerte van 28 maart 2018.
2.4.
Aan de overeenkomst is uitvoering gegeven. Tussen partijen is daarover discussie ontstaan.
2.5.
Partijen hebben een bodemprocedure gevoerd bij deze rechtbank wat heeft geresulteerd in een eindvonnis van 18 februari 2026 (zaaknummer C/13/766103 / HA ZA 25-842; hierna: het vonnis). In het vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat AMCS op meerdere punten is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen “dat op AMCS een resultaatsverbintenis rust en niet een inspanningsverbintenis.”
2.6.
Dictumonderdelen 6.1 tot en met 6.4 van het vonnis luiden als volgt.
6.1.
verklaart voor recht dat AMCS is tekortgeschoten in de nakoming van haar
verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst waarvan de
voorwaarden staan beschreven in de ondertekende offerte van 28 maart 2018, door:
- het niet (op)leveren van Route Planner en de koppeling voor Indaver en het niet
volledig opleveren van Pleet Planner en Costumer Portal;
- te adviseren tot een go-live op 25 maart 2019 in de vorm van een ‘big bang’;
- de vertraging in de uitvoering vanaf 26 november 2019;
6.2.
gebiedt AMCS tot nakoming van de overeenkomst met L'Ortye waarvan de
voorwaarden staan beschreven in de ondertekende offerte van 28 maart 2018 en volledig te
implementeren en op te leveren, binnen vier maanden na de betekening van dit vonnis: Fleet
Planner, Route Planner, de koppeling voor Indaver en Costumer Portal,
6.3.
veroordeelt AMCS om aan L'Ortye te betalen een dwangsom van € 5.000,00 per
dag(deel) dat zij na vier maanden na de betekening van dit vonnis niet voldoet aan haar
verplichting uit 6.2 tot volledige oplevering en implementatie, tot een maximum van
€ 50.000,00 is bereikt,
6.4.
veroordeelt AMCS tot vergoeding van de door L'Ortye geleden schade van € 533.452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2025 tot aan de dag
van algehele betaling,
2.7.
Het vonnis is op 2 maart 2026 aan AMCS betekend.
2.8.
Op 6 maart 2026 schrijft AMCS aan L’Ortye onder meer het volgende.
Los van het voorgaande: als AMCS aan het vonnis zou moeten voldoen, dan hoort zij graag concreet van L’Ortye welke specifieke functionaliteiten van de softwareonderdelen niet zouden werken of zouden ontbreken, opdat AMCS zo snel mogelijk kan beginnen.
2.9.
Op 12 maart 2026 schrijft AMCS vervolgens:
We hebben op [de e-mail van 6 maart 2026, vzr] nog geen reactie mogen ontvangen.
Kun je bevestigen dat L’Ortye het bedrag van € 594.947,43 heeft ontvangen en ons laten weten:
- Wat de positie van L’Ortye is ten opzichte van het staken van eventuele tenuitvoerleggingsmaatregelen hangende het hoger beroep; en
- Welke specifieke functionaliteiten van de softwareonderdelen niet zouden werken of ontbreken.
2.10.
Op 12 maart 2026 reageert L’Ortye onder meer als volgt.
Cliënte maakt aanspraak op nakoming van het vonnis. Zij is niet bereid om de tenuitvoerlegging van het vonnis hangende het hoger beroep op te schorten. Daartoe bestaat zowel feitelijk (cliënte wacht al vele jaren op behoorlijke nakoming) als juridisch (het vonnis bevat geen kennelijke misslagen) geen enkele reden.
De vraag naar niet functionerende softwareonderdelen is sprekend voor het handelen van AMCS in deze zaak. Zij weet als geen ander wat er nog aan schort; dat heeft de rechtbank in het vonnis ook opgenomen. Cliënte heeft als productie 93 in de procedure nog een lijst met ontbrekende/gebrekkige onderdelen in het geding gebracht. Verder blijkt uit de offerte precies wat AMCS moet leveren. Verder wordt verwezen naar de dagvaarding, spreekaantekeningen en eigen e-mailberichten van AMCS waarin zij opsomt welke functionaliteiten zij niet behoorlijk werkend krijgt.
2.11.
Ter zitting heeft AMCS bevestigd dat er na dit bericht geen contact meer is geweest op technisch niveau.
2.12.
AMCS is in hoger beroep gekomen van het vonnis en heeft daarbij een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ingesteld. Het Gerechtshof Amsterdam heeft de incidentele vordering tot schorsing op 30 juni 2026 afgewezen.
2.13.
Op 1 juli 2026 (de laatste dag van de viermaandentermijn (zie 2.6) voor nakoming) heeft AMCS diverse functionaliteiten aangekondigd en in werking gesteld. Daarbij berichtte AMCS L’Ortye onder meer als volgt.
AMCS stelt zich aldus op het standpunt dat zij volledig en tijdig uitvoering heeft gegeven aan onderdeel 6.2 van het dictum in het vonnis van de rechtbank Amsterdam, zodat L’Ortye geen recht heeft om dwangsommen te executeren. Mocht L’Ortye zich desondanks op het standpunt stellen dat AMCS niet voldoet aan de op haar rustende verbintenissen, dan verneemt AMCS graag wat L’Ortye precies nog van AMCS verlangt. Verder behoudt AMCS zich het recht voor om een executiegeschil aanhangig te maken tegenover L’Ortye, mocht L’Ortye overgaan tot het executeren van dwangsommen.
2.14.
L’Ortye heeft diezelfde dag als volgt gereageerd, voor zover van belang.
Met (niet gespeelde) verbazing neemt L’Ortye kennis van de aankondigingen die AMCS vandaag doet. Het vonnis van de rechtbank dateert van 18 februari 2026. Inmiddels heeft AMCS bijna 4,5 maand de tijd gehad om hieraan uitvoering te geven. AMCS deed niets, behalve aan het hof schorsing van de executie vragen. Nu het hof deze vordering gisteren heeft afgewezen, kondigt AMCS aan dat zij vandaag allerlei functionaliteiten in productie zal brengen met downtime tot gevolg. AMCS vraagt het niet eens, zoekt geen afstemming, heeft geen tests (door L’Ortye) laten uitvoeren en hanteert een aankondingsperiode van slechts enkele uren. L’Ortye kan zich niet aan de indruk onttrekken dat AMCS de boel flink op de spits wil drijven. Deze handelwijze – zonder afstemming, zonder tests en zonder goedkeuring – is in strijd met hetgeen partijen zijn overeengekomen en in strijd met de eigen implementation methodology (en CAB- procedures) van AMCS. Het druist ook in tegen de veroordeling in het vonnis.
AMCS kent de standpunten van L’Ortye aangaande wel/geen deugdelijke uitvoering van de overeenkomst en oplevering van functionaliteiten. Deze standpunten zijn door de rechtbank volledig gevolgd en in de incidentele procedure bij het hof ook nog eens naar voren gebracht. AMCS kan wel blijven herhalen dat de rechtbank het allemaal verkeerd heeft gezien, maar zij zou zich beter kunnen voegen naar het oordeel van de rechtbank. Het begint ook wat flauw te worden dat AMCS blijft herhalen dat zij niet weet wat nog van haar wordt verwacht. AMCS weet dit perfect; het zijn nota bene haar eigen softwareproducten. De rechtbank heeft het bovendien in het vonnis toegelicht, terwijl L’Ortye in eerste aanleg in productie 93 nog de ontbrekende/gebrekkige onderdelen heeft beschreven. AMCS heeft in diverse e-mailberichten – geciteerd in onze spreekaantekeningen in eerste aanleg – erkend dat zij nog een lange weg te gaan had met benoeming van diverse functionaliteiten die zij nog werkend zou moeten krijgen. AMCS kan echt niet volhouden dat alle onderdelen al jarenlang gereed zijn en dat zij geen idee heeft wat nog van haar wordt verwacht.
2.15.
Eén dag later (2 juli 2026) reageert AMCS weer op dit bericht, onder meer, als volgt.
Wat verwacht L’Ortye precies nog van AMCS en waarom heeft L’Ortye daar recht op, gelet op de contractuele afspraken die tussen partijen gelden? Dat kan L’Ortye niet uitleggen […] AMCS kan dan ook niet anders dan herhalen dat de rechtbank het verkeerd heeft gezien waar de rechtbank de totaal niet geconcretiseerde standpunten van L’Ortye volgt. Onderdeel 6.2 van het dictum van het vonnis spreekt in dat verband boekdelen: de rechtbank verwijst slechts in algemene zin naar de offerte van 28 maart 2018. Uit het dictum en uit het lichaam van het vonnis volgt echter niet wat AMCS op grond van die offerte moet doen. Ook gaat de rechtbank er, vreemd genoeg, vanuit dat de offerte het enige contractdocument is. Dat is natuurlijk niet het geval. De rechtbank heeft dus ook geen flauw idee wat L’Ortye precies nog wil en wat AMCS precies nog moet doen. Het is voor AMCS dus onmogelijk om zich “te voegen naar het oordeel van de rechtbank”.
2.16.
Op dezelfde dat schrijft de heer Somers, projectmanager bij L’Ortye, onder meer aan AMCS:
Gistermiddag hebben wij vanuit AMCS (zie bijgevoegde e-mail van Scott Barkla) bericht ontvangen dat gisteravond diverse zaken in productie zou worden geïnstalleerd. Het ging om aanpassingen in Clear, Webportals en FleetPlanner. Misschien ben jij hiervan ook op de hoogte. Ik heb hierover niets meer gehoord/gelezen, dus ik ga er voor nu vanuit dat dit is gebeurd.
Omdat het zeer summier omschreven was en wij vooraf ook niets hebben kunnen testen ben ik benieuwd of jij of een collega ons kan aangeven wat nu precies is opgeleverd, waar wij een en ander kunnen terugvinden en hoe wij dit kunnen testen en, indien het functioneert, kunnen gaan gebruiken.
2.17.
Op dit bericht is geen reactie gekomen van AMCS.
2.18.
Op 14 augustus 2026 heeft L’Ortye een bevel tot betaling van verbeurde dwangsommen aan AMCS laten betekenen. AMCS heeft onder uitdrukkelijk protest aan dat betalingsbevel voldaan.
2.19.
L’Ortye is dit kort geding gestart.
3Het geschil
in conventie
3.1.
L'Ortye vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
AMCS te veroordelen tot nakoming van dictumonderdeel 6.2 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2026 (zaaknummer C/13/766103 / HA ZA 25-842) en daarmee tot de volledige implementatie en oplevering van Fleet Planner (inclusief deugdelijk werkend semi-automatisch plannen), Route Planner, de koppeling voor Indaver en het Customer Portal conform de overeenkomst van partijen waarvan de voorwaarden staan beschreven in de ondertekende offerte van 28 maart 2018, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag(deel) dat AMCS niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000.000; en
AMCS te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
L'Ortye legt aan de vordering ten grondslag dat AMCS het vonnis niet nakomt en de opgelegde dwangsom te laag is gebleken waardoor deze onvoldoende prikkelwerking heeft gehad. Zij baseert haar vordering op artikel 611a Rv. Hetgeen AMCS op 1 juli 2026 heeft geleverd en gecommuniceerd is een schijnprestatie. AMCS heeft enkele optische wijzigingen doorgevoerd en functionaliteiten digitaal ‘over de schutting gegooid’, zonder enige toelichting of uitleg, waardoor L'Ortye daaraan (nog steeds) niets heeft. Bovendien functioneren diverse toepassingen nog steeds niet of niet naar behoren. Diverse door de rechtbank in het vonnis vastgestelde tekortkomingen zijn ongewijzigd.
3.3.
AMCS voert verweer. De in het vonnis opgelegde dwangsom heeft wél
voldoende prikkelwerking gehad; AMCS heeft namelijk correct, tijdig en volledig aan
het vonnis voldaan, ondanks dat zij van mening is, en blijft, dat zij reeds aan al haar
contractuele verplichtingen hád voldaan. Goed beschouwd toont L’Ortye ook niet aan dat AMCS niet aan het vonnis heeft voldaan, terwijl dat wel op haar weg lag en ligt. L’Ortye heeft dan ook ten onrechte op 14 augustus 2026 aanspraak gemaakt op betaling van de maximale dwangsom van € 50.000 (zie 2.6). AMCS heeft aan die sommatie voldaan om executiemaatregelen en schade aan haar bedrijfsvoering te voorkomen, maar zij heeft in scherpe bewoordingen bezwaar gemaakt. Ondanks herhaalde verzoeken – zowel tijdens de bodemprocedure als na het vonnis – weigert L'Ortye duidelijk te maken wat AMCS nog (meer) zou moeten doen. Ook het vonnis is met dit gebrek behept en daarom had AMCS geen andere mogelijkheid dan in hoger beroep te komen. Bovendien frustreert L’Ortye nakoming daarvan door noodzakelijke informatie niet te delen. Zonder nadere concretisering, die ontbreekt, kan AMCS simpelweg niet meer doen; ook al zou het oordeel luiden dan AMCS nog niet (volledig) aan het vonnis zou hebben voldaan. AMCS heeft namelijk te goeder trouw en naar beste vermogen geprobeerd dat te doen, wat L’Ortye en de rechtbank van haar verlangden. Als de voorzieningenrechter een nieuwe, hogere dwangsom oplegt, dan verandert dat niets aan de situatie. Met andere woorden: de noodzakelijke prikkelwerking zou ontbreken; oplegging van een hogere dwangsom dient geen enkel doel.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
AMCS vordert, als de voorzieningenrechter het met AMCS eens is dat het vonnis op 1 juli 2026 is nagekomen, L’Ortye te veroordelen tot betaling van € 50.242,70 aan AMCS binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met veroordeling van L’Ortye in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.5.
AMCS baseert haar vordering op artikel 6:203 lid 1 BW en stelt dat zij daarenboven een restiutierisico loopt, gelet op de gepubliceerde jaarrekening van L’Ortye over 2025; daaruit blijkt namelijk dat zij in dat jaar een verlies van € 184.971 heeft geleden.
3.6.
L’Ortye voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
4.1.
In lijn met de door partijen ingenomen stellingen oordeelt de voorzieningenrechter dat de vordering van L’Ortye in beginsel toegewezen kan worden op grond van artikel 611a Rv. Als voorshands aannemelijk is dat AMCS niet (volledig) aan het vonnis heeft voldaan, kan de voorzieningenrechter namelijk een nieuwe dwangsomveroordeling aan de hoofdveroordeling in het vonnis van deze rechtbank koppelen, nu de reeds opgelegde dwangsom in het vonnis is volgelopen – en bovendien betaald. Voor toewijzing is ook nodig dat voorshands aannemelijk is dat van AMCS meer verwacht had mogen worden dan zij tot nu toe heeft gedaan om aan het vonnis van de rechtbank te voldoen (nakoming nog mogelijk is).
4.2.
De voorzieningenrechter acht het voorshands aannemelijk dat AMCS niet volledig aan het vonnis heeft voldaan en dat van haar meer verwacht had mogen worden dan zij tot nu toe heeft gedaan. Dit wordt hierna toegelicht.
4.3.
Kern van het betoog van AMCS is dat (i) zij eigenlijk al volledig voldaan had aan haar contractuele verplichtingen en (ii) het dus niet duidelijk is wat zij nog moest doen en dit ook voor het vonnis in de bodemprocedure naar voren heeft gebracht, (iii) zij dit na het vonnis opnieuw gevraagd heeft aan L’Ortye maar geen helder antwoord kreeg, en (iv) met het verschaffen van de modaliteiten op 1 juli 2026 uiteindelijk alsnog aan het vonnis heeft voldaan.
4.4.
De punten (i) en (ii) zijn in de bodemprocedure aan de orde geweest maar voor de rechtbank geen reden geweest anders te oordelen dan zij heeft gedaan. Uit het dictum onder 6.1 volgt duidelijk dat de rechtbank oordeelt dat AMCS tekort is geschoten (en dus nog niet voldaan had aan haar verplichtingen). Uit 6.2 van het dictum volgt dat de rechtbank, ondanks de aangevoerde bezwaren van AMCS, AMCS veroordeelt vier met naam en (toenaam) genoemde projecten binnen vier maanden volledig te implementeren en op te leveren met verwijzing naar de ondertekende offerte van 28 maart 2018. De ingenomen stelling van AMCS dat onvoldoende duidelijk is wat zij nog moest is dus niet gevolgd door de rechtbank. Deze punten kunnen onderwerp van debat zijn in hoger beroep, maar leveren in dit kort geding geen reden op om ervan uit te gaan dat niet kan worden vastgesteld wat AMCS nog moet doen. Argument (iii) van AMCS wordt ook niet gevolgd. Op de vraag van AMCS, na het vonnis, wat L’Ortye nog van haar wenste, kon L’Ortye verwijzen naar het vonnis en een productie uit de bodemprocedure zoals zij dat heeft gedaan (zie2.11). Ten aanzien van argument (iv) geldt dat het verschaffen van modaliteiten, zonder nadere assistentie en toelichting, niet aansluit bij wat volledig implementeren en opleveren in het kader van de contractuele verhouding voorshands betekent. Waar AMCS op dit punt betwist dat zij haar eigen procedures heeft geschonden, verwijst L’Ortye terecht naar de standaardprocedures (waaronder de ‘Implementation Methodology’) die partijen volgden bij het reguliere, jarenlange traject van, bouwen, testen en implementeren. Op voorhand valt niet in te zien waarom de werkzaamheden die AMCS op basis van het vonnis nog moet uitvoeren niet langer zulke reguliere projectwerkzaamheden zouden omvatten. Op zijn minst had van AMCS verwacht mogen worden dat zij L’Ortye bijvoorbeeld uitleg zou verschaffen over de verschafte modaliteiten en overleg zou voeren over het gezamenlijk testen en de invoering van deze nieuwe modaliteiten. Dat heeft AMCS niet gedaan; ook is op de vragen van de projectmanager van L’Ortye van 2 juli 2026 (2.16) geen reactie gekomen.
4.5.
De slotsom is dat voorshands aannemelijk is dat AMCS nog niet volledig aan het vonnis heeft voldaan en dat van haar meer verwacht had mogen worden. De eisen van redelijkheid en billijkheid die contractspartijen jegens elkaar in acht moeten nemen gelden nog steeds, ook na het vonnis. Dat AMCS het niet eens is met het vonnis en in hoger beroep is gegaan maakt dit niet anders. Het is in dit verband opvallend dat er na 12 maart 2026 geen contact meer is geweest op technisch niveau (zie 2.11) en dat L'Ortye na drie en een halve maand praktische radiostilte zonder vooraankondiging op 1 juli 2026 nieuwe modaliteiten kreeg toegezonden. De offerte waar het vonnis naar verwijst noemt een stappenplan, waarbij met betrekking tot de installatie is aangegeven dat L'Ortye daarbij nauw wordt betrokken en dat de toepassing daarna wordt getest door beide partijen, hetgeen “verzekert dat de levering overeenkomt met de verwachtingen van de klant”, waarna de go-live voorbereiding en training plaatsvindt. De eerder genoemde Implementation Methodology werkt dit nader uit, waarbij wordt beschreven welke teststappen moeten worden gezet, alvorens functionaliteiten in productie te brengen. De implementatie moet kortom gecoördineerd, gedocumenteerd en door L’Ortye geaccordeerd plaatsvinden. Van enige afstemming met, voorafgaand testen door, of goedkeuring van L'Ortye na het vonnis is niet gebleken. Dit onderbouwt de stelling dat AMCS niet heeft gedaan wat van haar verwacht mocht worden.
4.6.
Bij deze stand van zaken past een nieuwe, hogere dwangsom nu de eerdere prikkel geen voldoende effect heeft gesorteerd. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.7.
AMCS is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van L'Ortye worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,65
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.229,65
in voorwaardelijke reconventie
4.8.
Nu de vordering in conventie wordt toegewezen is de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet vervuld. Die vordering behoeft geen verdere behandeling.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt AMCS vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis om aan L'Ortye een dwangsom te betalen van € 5.000 voor iedere dag dat AMCS niet aan dictumonderdeel 6.2. van het vonnis van 18 februari 2026 (zaaknummer C/13/766103 / HA ZA 25-842) voldoet, tot een maximum van € 500.000 is bereikt,
5.2.
veroordeelt AMCS in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.
Vonnis, r.o. 5.4.
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/792254 / KG ZA 26-721 MK/GR
Vonnis in kort geding van 18 september 2026
in de zaak van
L'ORTYE TRANSPORTBEDRIJF B.V.,
te Hoensbroek,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 20 augustus 2026,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: L'Ortye,
advocaat: mr. H.H.T. Beukers,
tegen
AMCS B.V.,
te Diemen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: AMCS,
advocaat: mr. M. Goorts.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 3 september 2026 heeft L’Ortye de dagvaarding toegelicht. AMCS heeft verweer gevoerd en een voorwaardelijke vordering in reconventie ingediend aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie. L’Ortye heeft de voorwaardelijke vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht, en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren, voor zover relevant, aanwezig:
namens L’Ortye: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Beukers; en
aan de zijde van AMCS: [naam 3] ( [functie 3] ) en [naam 4] ( [functie 4] ), bijgestaan door J.M. Steur als tolk Engels, met mrs. Goorts en J.L.T. ter Beek.
1.3.
Na aanhouding is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
L’Ortye maakt onderdeel uit van de L'Ortye Groep en houdt zich bedrijfsmatig bezig met onder andere de inzameling van afval, zand, grind en overige (bulk)goederen,
alsmede het vervoer daarvan.
2.2.
AMCS maakt onderdeel uit van de AMCS Groep, met haar hoofdkantoor in Ierland. Zij is een leverancier van standaard softwareoplossingen en is thans marktleider voor wat
betreft slimme resource-software en technologische oplossingen voor voertuigen in de
afval- en recyclingbranche, de branche waarin L'Ortye actief is.
2.3.
Partijen hebben in april 2018 een overeenkomst gesloten op basis waarvan AMCS een volledig geïntegreerd softwaresysteem diende te leveren, implementeren en onderhouden (hierna: de overeenkomst). De afspraken van partijen en de functionaliteiten van de software zijn onder meer uitgewerkt in een offerte van 28 maart 2018.
2.4.
Aan de overeenkomst is uitvoering gegeven. Tussen partijen is daarover discussie ontstaan.
2.5.
Partijen hebben een bodemprocedure gevoerd bij deze rechtbank wat heeft geresulteerd in een eindvonnis van 18 februari 2026 (zaaknummer C/13/766103 / HA ZA 25-842; hierna: het vonnis). In het vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat AMCS op meerdere punten is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen “dat op AMCS een resultaatsverbintenis rust en niet een inspanningsverbintenis.”
2.6.
Dictumonderdelen 6.1 tot en met 6.4 van het vonnis luiden als volgt.
6.1.
verklaart voor recht dat AMCS is tekortgeschoten in de nakoming van haar
verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst waarvan de
voorwaarden staan beschreven in de ondertekende offerte van 28 maart 2018, door:
- het niet (op)leveren van Route Planner en de koppeling voor Indaver en het niet
volledig opleveren van Pleet Planner en Costumer Portal;
- te adviseren tot een go-live op 25 maart 2019 in de vorm van een ‘big bang’;
- de vertraging in de uitvoering vanaf 26 november 2019;
6.2.
gebiedt AMCS tot nakoming van de overeenkomst met L'Ortye waarvan de
voorwaarden staan beschreven in de ondertekende offerte van 28 maart 2018 en volledig te
implementeren en op te leveren, binnen vier maanden na de betekening van dit vonnis: Fleet
Planner, Route Planner, de koppeling voor Indaver en Costumer Portal,
6.3.
veroordeelt AMCS om aan L'Ortye te betalen een dwangsom van € 5.000,00 per
dag(deel) dat zij na vier maanden na de betekening van dit vonnis niet voldoet aan haar
verplichting uit 6.2 tot volledige oplevering en implementatie, tot een maximum van
€ 50.000,00 is bereikt,
6.4.
veroordeelt AMCS tot vergoeding van de door L'Ortye geleden schade van € 533.452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2025 tot aan de dag
van algehele betaling,
2.7.
Het vonnis is op 2 maart 2026 aan AMCS betekend.
2.8.
Op 6 maart 2026 schrijft AMCS aan L’Ortye onder meer het volgende.
Los van het voorgaande: als AMCS aan het vonnis zou moeten voldoen, dan hoort zij graag concreet van L’Ortye welke specifieke functionaliteiten van de softwareonderdelen niet zouden werken of zouden ontbreken, opdat AMCS zo snel mogelijk kan beginnen.
2.9.
Op 12 maart 2026 schrijft AMCS vervolgens:
We hebben op [de e-mail van 6 maart 2026, vzr] nog geen reactie mogen ontvangen.
Kun je bevestigen dat L’Ortye het bedrag van € 594.947,43 heeft ontvangen en ons laten weten:
- Wat de positie van L’Ortye is ten opzichte van het staken van eventuele tenuitvoerleggingsmaatregelen hangende het hoger beroep; en
- Welke specifieke functionaliteiten van de softwareonderdelen niet zouden werken of ontbreken.
2.10.
Op 12 maart 2026 reageert L’Ortye onder meer als volgt.
Cliënte maakt aanspraak op nakoming van het vonnis. Zij is niet bereid om de tenuitvoerlegging van het vonnis hangende het hoger beroep op te schorten. Daartoe bestaat zowel feitelijk (cliënte wacht al vele jaren op behoorlijke nakoming) als juridisch (het vonnis bevat geen kennelijke misslagen) geen enkele reden.
De vraag naar niet functionerende softwareonderdelen is sprekend voor het handelen van AMCS in deze zaak. Zij weet als geen ander wat er nog aan schort; dat heeft de rechtbank in het vonnis ook opgenomen. Cliënte heeft als productie 93 in de procedure nog een lijst met ontbrekende/gebrekkige onderdelen in het geding gebracht. Verder blijkt uit de offerte precies wat AMCS moet leveren. Verder wordt verwezen naar de dagvaarding, spreekaantekeningen en eigen e-mailberichten van AMCS waarin zij opsomt welke functionaliteiten zij niet behoorlijk werkend krijgt.
2.11.
Ter zitting heeft AMCS bevestigd dat er na dit bericht geen contact meer is geweest op technisch niveau.
2.12.
AMCS is in hoger beroep gekomen van het vonnis en heeft daarbij een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ingesteld. Het Gerechtshof Amsterdam heeft de incidentele vordering tot schorsing op 30 juni 2026 afgewezen.
2.13.
Op 1 juli 2026 (de laatste dag van de viermaandentermijn (zie 2.6) voor nakoming) heeft AMCS diverse functionaliteiten aangekondigd en in werking gesteld. Daarbij berichtte AMCS L’Ortye onder meer als volgt.
AMCS stelt zich aldus op het standpunt dat zij volledig en tijdig uitvoering heeft gegeven aan onderdeel 6.2 van het dictum in het vonnis van de rechtbank Amsterdam, zodat L’Ortye geen recht heeft om dwangsommen te executeren. Mocht L’Ortye zich desondanks op het standpunt stellen dat AMCS niet voldoet aan de op haar rustende verbintenissen, dan verneemt AMCS graag wat L’Ortye precies nog van AMCS verlangt. Verder behoudt AMCS zich het recht voor om een executiegeschil aanhangig te maken tegenover L’Ortye, mocht L’Ortye overgaan tot het executeren van dwangsommen.
2.14.
L’Ortye heeft diezelfde dag als volgt gereageerd, voor zover van belang.
Met (niet gespeelde) verbazing neemt L’Ortye kennis van de aankondigingen die AMCS vandaag doet. Het vonnis van de rechtbank dateert van 18 februari 2026. Inmiddels heeft AMCS bijna 4,5 maand de tijd gehad om hieraan uitvoering te geven. AMCS deed niets, behalve aan het hof schorsing van de executie vragen. Nu het hof deze vordering gisteren heeft afgewezen, kondigt AMCS aan dat zij vandaag allerlei functionaliteiten in productie zal brengen met downtime tot gevolg. AMCS vraagt het niet eens, zoekt geen afstemming, heeft geen tests (door L’Ortye) laten uitvoeren en hanteert een aankondingsperiode van slechts enkele uren. L’Ortye kan zich niet aan de indruk onttrekken dat AMCS de boel flink op de spits wil drijven. Deze handelwijze – zonder afstemming, zonder tests en zonder goedkeuring – is in strijd met hetgeen partijen zijn overeengekomen en in strijd met de eigen implementation methodology (en CAB- procedures) van AMCS. Het druist ook in tegen de veroordeling in het vonnis.
AMCS kent de standpunten van L’Ortye aangaande wel/geen deugdelijke uitvoering van de overeenkomst en oplevering van functionaliteiten. Deze standpunten zijn door de rechtbank volledig gevolgd en in de incidentele procedure bij het hof ook nog eens naar voren gebracht. AMCS kan wel blijven herhalen dat de rechtbank het allemaal verkeerd heeft gezien, maar zij zou zich beter kunnen voegen naar het oordeel van de rechtbank. Het begint ook wat flauw te worden dat AMCS blijft herhalen dat zij niet weet wat nog van haar wordt verwacht. AMCS weet dit perfect; het zijn nota bene haar eigen softwareproducten. De rechtbank heeft het bovendien in het vonnis toegelicht, terwijl L’Ortye in eerste aanleg in productie 93 nog de ontbrekende/gebrekkige onderdelen heeft beschreven. AMCS heeft in diverse e-mailberichten – geciteerd in onze spreekaantekeningen in eerste aanleg – erkend dat zij nog een lange weg te gaan had met benoeming van diverse functionaliteiten die zij nog werkend zou moeten krijgen. AMCS kan echt niet volhouden dat alle onderdelen al jarenlang gereed zijn en dat zij geen idee heeft wat nog van haar wordt verwacht.
2.15.
Eén dag later (2 juli 2026) reageert AMCS weer op dit bericht, onder meer, als volgt.
Wat verwacht L’Ortye precies nog van AMCS en waarom heeft L’Ortye daar recht op, gelet op de contractuele afspraken die tussen partijen gelden? Dat kan L’Ortye niet uitleggen […] AMCS kan dan ook niet anders dan herhalen dat de rechtbank het verkeerd heeft gezien waar de rechtbank de totaal niet geconcretiseerde standpunten van L’Ortye volgt. Onderdeel 6.2 van het dictum van het vonnis spreekt in dat verband boekdelen: de rechtbank verwijst slechts in algemene zin naar de offerte van 28 maart 2018. Uit het dictum en uit het lichaam van het vonnis volgt echter niet wat AMCS op grond van die offerte moet doen. Ook gaat de rechtbank er, vreemd genoeg, vanuit dat de offerte het enige contractdocument is. Dat is natuurlijk niet het geval. De rechtbank heeft dus ook geen flauw idee wat L’Ortye precies nog wil en wat AMCS precies nog moet doen. Het is voor AMCS dus onmogelijk om zich “te voegen naar het oordeel van de rechtbank”.
2.16.
Op dezelfde dat schrijft de heer Somers, projectmanager bij L’Ortye, onder meer aan AMCS:
Gistermiddag hebben wij vanuit AMCS (zie bijgevoegde e-mail van Scott Barkla) bericht ontvangen dat gisteravond diverse zaken in productie zou worden geïnstalleerd. Het ging om aanpassingen in Clear, Webportals en FleetPlanner. Misschien ben jij hiervan ook op de hoogte. Ik heb hierover niets meer gehoord/gelezen, dus ik ga er voor nu vanuit dat dit is gebeurd.
Omdat het zeer summier omschreven was en wij vooraf ook niets hebben kunnen testen ben ik benieuwd of jij of een collega ons kan aangeven wat nu precies is opgeleverd, waar wij een en ander kunnen terugvinden en hoe wij dit kunnen testen en, indien het functioneert, kunnen gaan gebruiken.
2.17.
Op dit bericht is geen reactie gekomen van AMCS.
2.18.
Op 14 augustus 2026 heeft L’Ortye een bevel tot betaling van verbeurde dwangsommen aan AMCS laten betekenen. AMCS heeft onder uitdrukkelijk protest aan dat betalingsbevel voldaan.
2.19.
L’Ortye is dit kort geding gestart.
3Het geschil
in conventie
3.1.
L'Ortye vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
AMCS te veroordelen tot nakoming van dictumonderdeel 6.2 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2026 (zaaknummer C/13/766103 / HA ZA 25-842) en daarmee tot de volledige implementatie en oplevering van Fleet Planner (inclusief deugdelijk werkend semi-automatisch plannen), Route Planner, de koppeling voor Indaver en het Customer Portal conform de overeenkomst van partijen waarvan de voorwaarden staan beschreven in de ondertekende offerte van 28 maart 2018, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag(deel) dat AMCS niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000.000; en
AMCS te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
L'Ortye legt aan de vordering ten grondslag dat AMCS het vonnis niet nakomt en de opgelegde dwangsom te laag is gebleken waardoor deze onvoldoende prikkelwerking heeft gehad. Zij baseert haar vordering op artikel 611a Rv. Hetgeen AMCS op 1 juli 2026 heeft geleverd en gecommuniceerd is een schijnprestatie. AMCS heeft enkele optische wijzigingen doorgevoerd en functionaliteiten digitaal ‘over de schutting gegooid’, zonder enige toelichting of uitleg, waardoor L'Ortye daaraan (nog steeds) niets heeft. Bovendien functioneren diverse toepassingen nog steeds niet of niet naar behoren. Diverse door de rechtbank in het vonnis vastgestelde tekortkomingen zijn ongewijzigd.
3.3.
AMCS voert verweer. De in het vonnis opgelegde dwangsom heeft wél
voldoende prikkelwerking gehad; AMCS heeft namelijk correct, tijdig en volledig aan
het vonnis voldaan, ondanks dat zij van mening is, en blijft, dat zij reeds aan al haar
contractuele verplichtingen hád voldaan. Goed beschouwd toont L’Ortye ook niet aan dat AMCS niet aan het vonnis heeft voldaan, terwijl dat wel op haar weg lag en ligt. L’Ortye heeft dan ook ten onrechte op 14 augustus 2026 aanspraak gemaakt op betaling van de maximale dwangsom van € 50.000 (zie 2.6). AMCS heeft aan die sommatie voldaan om executiemaatregelen en schade aan haar bedrijfsvoering te voorkomen, maar zij heeft in scherpe bewoordingen bezwaar gemaakt. Ondanks herhaalde verzoeken – zowel tijdens de bodemprocedure als na het vonnis – weigert L'Ortye duidelijk te maken wat AMCS nog (meer) zou moeten doen. Ook het vonnis is met dit gebrek behept en daarom had AMCS geen andere mogelijkheid dan in hoger beroep te komen. Bovendien frustreert L’Ortye nakoming daarvan door noodzakelijke informatie niet te delen. Zonder nadere concretisering, die ontbreekt, kan AMCS simpelweg niet meer doen; ook al zou het oordeel luiden dan AMCS nog niet (volledig) aan het vonnis zou hebben voldaan. AMCS heeft namelijk te goeder trouw en naar beste vermogen geprobeerd dat te doen, wat L’Ortye en de rechtbank van haar verlangden. Als de voorzieningenrechter een nieuwe, hogere dwangsom oplegt, dan verandert dat niets aan de situatie. Met andere woorden: de noodzakelijke prikkelwerking zou ontbreken; oplegging van een hogere dwangsom dient geen enkel doel.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
AMCS vordert, als de voorzieningenrechter het met AMCS eens is dat het vonnis op 1 juli 2026 is nagekomen, L’Ortye te veroordelen tot betaling van € 50.242,70 aan AMCS binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met veroordeling van L’Ortye in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.5.
AMCS baseert haar vordering op artikel 6:203 lid 1 BW en stelt dat zij daarenboven een restiutierisico loopt, gelet op de gepubliceerde jaarrekening van L’Ortye over 2025; daaruit blijkt namelijk dat zij in dat jaar een verlies van € 184.971 heeft geleden.
3.6.
L’Ortye voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
4.1.
In lijn met de door partijen ingenomen stellingen oordeelt de voorzieningenrechter dat de vordering van L’Ortye in beginsel toegewezen kan worden op grond van artikel 611a Rv. Als voorshands aannemelijk is dat AMCS niet (volledig) aan het vonnis heeft voldaan, kan de voorzieningenrechter namelijk een nieuwe dwangsomveroordeling aan de hoofdveroordeling in het vonnis van deze rechtbank koppelen, nu de reeds opgelegde dwangsom in het vonnis is volgelopen – en bovendien betaald. Voor toewijzing is ook nodig dat voorshands aannemelijk is dat van AMCS meer verwacht had mogen worden dan zij tot nu toe heeft gedaan om aan het vonnis van de rechtbank te voldoen (nakoming nog mogelijk is).
4.2.
De voorzieningenrechter acht het voorshands aannemelijk dat AMCS niet volledig aan het vonnis heeft voldaan en dat van haar meer verwacht had mogen worden dan zij tot nu toe heeft gedaan. Dit wordt hierna toegelicht.
4.3.
Kern van het betoog van AMCS is dat (i) zij eigenlijk al volledig voldaan had aan haar contractuele verplichtingen en (ii) het dus niet duidelijk is wat zij nog moest doen en dit ook voor het vonnis in de bodemprocedure naar voren heeft gebracht, (iii) zij dit na het vonnis opnieuw gevraagd heeft aan L’Ortye maar geen helder antwoord kreeg, en (iv) met het verschaffen van de modaliteiten op 1 juli 2026 uiteindelijk alsnog aan het vonnis heeft voldaan.
4.4.
De punten (i) en (ii) zijn in de bodemprocedure aan de orde geweest maar voor de rechtbank geen reden geweest anders te oordelen dan zij heeft gedaan. Uit het dictum onder 6.1 volgt duidelijk dat de rechtbank oordeelt dat AMCS tekort is geschoten (en dus nog niet voldaan had aan haar verplichtingen). Uit 6.2 van het dictum volgt dat de rechtbank, ondanks de aangevoerde bezwaren van AMCS, AMCS veroordeelt vier met naam en (toenaam) genoemde projecten binnen vier maanden volledig te implementeren en op te leveren met verwijzing naar de ondertekende offerte van 28 maart 2018. De ingenomen stelling van AMCS dat onvoldoende duidelijk is wat zij nog moest is dus niet gevolgd door de rechtbank. Deze punten kunnen onderwerp van debat zijn in hoger beroep, maar leveren in dit kort geding geen reden op om ervan uit te gaan dat niet kan worden vastgesteld wat AMCS nog moet doen. Argument (iii) van AMCS wordt ook niet gevolgd. Op de vraag van AMCS, na het vonnis, wat L’Ortye nog van haar wenste, kon L’Ortye verwijzen naar het vonnis en een productie uit de bodemprocedure zoals zij dat heeft gedaan (zie2.11). Ten aanzien van argument (iv) geldt dat het verschaffen van modaliteiten, zonder nadere assistentie en toelichting, niet aansluit bij wat volledig implementeren en opleveren in het kader van de contractuele verhouding voorshands betekent. Waar AMCS op dit punt betwist dat zij haar eigen procedures heeft geschonden, verwijst L’Ortye terecht naar de standaardprocedures (waaronder de ‘Implementation Methodology’) die partijen volgden bij het reguliere, jarenlange traject van, bouwen, testen en implementeren. Op voorhand valt niet in te zien waarom de werkzaamheden die AMCS op basis van het vonnis nog moet uitvoeren niet langer zulke reguliere projectwerkzaamheden zouden omvatten. Op zijn minst had van AMCS verwacht mogen worden dat zij L’Ortye bijvoorbeeld uitleg zou verschaffen over de verschafte modaliteiten en overleg zou voeren over het gezamenlijk testen en de invoering van deze nieuwe modaliteiten. Dat heeft AMCS niet gedaan; ook is op de vragen van de projectmanager van L’Ortye van 2 juli 2026 (2.16) geen reactie gekomen.
4.5.
De slotsom is dat voorshands aannemelijk is dat AMCS nog niet volledig aan het vonnis heeft voldaan en dat van haar meer verwacht had mogen worden. De eisen van redelijkheid en billijkheid die contractspartijen jegens elkaar in acht moeten nemen gelden nog steeds, ook na het vonnis. Dat AMCS het niet eens is met het vonnis en in hoger beroep is gegaan maakt dit niet anders. Het is in dit verband opvallend dat er na 12 maart 2026 geen contact meer is geweest op technisch niveau (zie 2.11) en dat L'Ortye na drie en een halve maand praktische radiostilte zonder vooraankondiging op 1 juli 2026 nieuwe modaliteiten kreeg toegezonden. De offerte waar het vonnis naar verwijst noemt een stappenplan, waarbij met betrekking tot de installatie is aangegeven dat L'Ortye daarbij nauw wordt betrokken en dat de toepassing daarna wordt getest door beide partijen, hetgeen “verzekert dat de levering overeenkomt met de verwachtingen van de klant”, waarna de go-live voorbereiding en training plaatsvindt. De eerder genoemde Implementation Methodology werkt dit nader uit, waarbij wordt beschreven welke teststappen moeten worden gezet, alvorens functionaliteiten in productie te brengen. De implementatie moet kortom gecoördineerd, gedocumenteerd en door L’Ortye geaccordeerd plaatsvinden. Van enige afstemming met, voorafgaand testen door, of goedkeuring van L'Ortye na het vonnis is niet gebleken. Dit onderbouwt de stelling dat AMCS niet heeft gedaan wat van haar verwacht mocht worden.
4.6.
Bij deze stand van zaken past een nieuwe, hogere dwangsom nu de eerdere prikkel geen voldoende effect heeft gesorteerd. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.7.
AMCS is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van L'Ortye worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,65
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.229,65
in voorwaardelijke reconventie
4.8.
Nu de vordering in conventie wordt toegewezen is de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet vervuld. Die vordering behoeft geen verdere behandeling.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt AMCS vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis om aan L'Ortye een dwangsom te betalen van € 5.000 voor iedere dag dat AMCS niet aan dictumonderdeel 6.2. van het vonnis van 18 februari 2026 (zaaknummer C/13/766103 / HA ZA 25-842) voldoet, tot een maximum van € 500.000 is bereikt,
5.2.
veroordeelt AMCS in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.
Vonnis, r.o. 5.4.