Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9282

2026-09-11 Strafrecht 13/280914/25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/280914/25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Verdachte heeft samen met anderen geprobeerd om een minderjarige medeverdachte uit te lokken om op een woning in Rotterdam te schieten met een automatisch vuurwapen. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie van 146 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Ook wordt aan de verdachte opgelegd een werkstraf van 50 uren. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen en de telefoon van verdachte wordt verbeurd verklaard.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.248 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


Team Familie & Jeugd



Parketnummer: 10.280914.25



Datum uitspraak: 11 september 2026



Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen





[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[BRP-adres] .






1Onderzoek ter terechtzitting


De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 28 augustus 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S. Lodder naar voren hebben gebracht.



Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker de Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerker Jeugdbescherming] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [IFA-coach] als IFA-coach en de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.



Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de advocaat mr. N. Amine namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.






2Tenlastelegging


Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:




ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:





primair:

het medeplegen van het voorbereiden van moord en/of doodslag en/of het zonder erkenning ter beschikking stellen aan een ander en/of het verhandelen van wapens van categorie II en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, in de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, door- mobiele telefoon(s) om met anderen te communiceren over dit strafbare feit voor handen te hebben en/of van/aan anderen instructies en/of informatie te krijgen en/of te verstrekken met betrekking tot dit strafbare feit en/of- een vuurwapen en/of munitie en/of
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;




subsidiair:

het medeplegen om een ander proberen te bewegen tot moord en/of doodslag en/of bedreiging tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [benadeelde partij] en/of het beschadigen van het gebouw van [benadeelde partij] in de periode 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere door - een (groot) geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en/of- “op osso bokken/schieten” en/of “moet echt gefilmd”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, te zeggen en/of- een of meer goederen, te weten een (automatisch) vuurwapen en/of (bijbehorende munitie) heeft verschaft en/of ter beschikking te stellen en/of (daarbij) uit te leggen hoe je een (automatisch) vuurwapen moet gebruiken en/of- foto’s en/of afbeeldingen en/of adresgegevens van voornoemde [benadeelde partij] en/of de woning van voornoemde [benadeelde partij] te verschaffen en/of ter beschikking te stellen en/of- (contactgegevens van) een taxi te verschaffen en/of ter beschikking te stellen;




ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:




het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk IMI model Uzi kaliber 9x19mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de Wet wapens en munitie, van de categorie III, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm op 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere.



De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.





3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.






4Waardering van het bewijs



ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:





primair:

De rechtbank is, met de officier van justitie en raadsman, van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat sprake is geweest van het voorbereiden van moord, doodslag en het ter beschikking stellen en/of verhandelen van (een) wapen(s) van categorie II en munitie.




subsidiair:

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank is, tevens met de officier van justitie, van oordeel dat er alleen gedreigd is met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling van [benadeelde partij] en het beschadigen van een gebouw.




ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:




De rechtbank is met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte (op welke wijze dan ook) betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het doorgeven van een adres waar het vuurwapen moet worden opgehaald is in dit geval onvoldoende om te kunnen spreken van beschikkingsmacht over het betreffende op te halen wapen.






5Bewezenverklaring


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat




ten aanzien van het onder 1 (subsidiair) ten laste gelegde:




hij in de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gepoogd om [medeverdachte] door in artikel 47, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door beloften en door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen te bewegen tot al dan niet tezamen en in vereniging met anderen de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling van die [benadeelde partij] en het beschadigen van een gebouw, doordat hij

- een (groot) geldbedrag in het vooruitzicht heeft gesteld en
- “ op osso bokken/schieten” en “moet echt gefilmd”, heeft gezegd en
- heeft uitgelegd hoe je een (automatisch) vuurwapen moet gebruiken en
- afbeeldingen en adresgegevens van voornoemde [benadeelde partij] en/of de woning van voornoemde [benadeelde partij] heeft verschaft en
- contactgegevens van een taxi heeft verschaft.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.






6Bewijs


De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.



Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.






7Strafbaarheid van de feiten


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.






8Strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.






9Motivering van de straffen en maatregelen



De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir geëist om aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 146 dagen, met aftrek, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf moet volgens de officier van justitie alleen de algemene voorwaarde dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen worden gekoppeld. De officier van justitie eist daarnaast om aan de verdachte een werkstraf op te leggen van 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, zodat verdachte ook op dit moment nog de consequenties van zijn handelen ervaart.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest. Een voorwaardelijk gedeelte, zoals door de officier van justitie geëist, dient enkel als signaal voor de samenleving. Het gaat op dit moment heel goed met de verdachte en er is een laag recidiverisico. Ten aanzien van de hoogte van een mogelijk nog op te leggen werkstraf refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.




Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.




Ernst van de feiten

De verdachte heeft samen met anderen geprobeerd om de minderjarige medeverdachte [medeverdachte] uit te lokken om een woning in Rotterdam te beschieten met een automatisch vuurwapen. Hoewel de verdachte stelt slechts iemand gezocht te hebben om de opdracht uit te voeren die hij zelf had gekregen via Snapchat, en daarbij als doorgeefluik te hebben gefungeerd, komt uit het dossier een ander beeld naar voren. Uit het dossier blijkt dat verdachte een groot aantal berichten heeft verstuurd over wat er moest gaan gebeuren, waarbij hij de verdachte [medeverdachte] concrete en duidelijke instructies geeft en daarmee een actievere rol lijkt te hebben vervuld. De verdachte geeft in die berichten onder andere aan dat het de bedoeling is dat er op een huis geschoten moet worden, in plaats van op een knie, zoals [medeverdachte] aanvankelijk dacht. Ook is het verdachte die de minderjarige medeverdachte [medeverdachte] belooft dat hij, wanneer de verdachte en [medeverdachte] een dag later samen ‘meeten’ dat hij dan zijn ‘doekoe’ krijgt. Verdachte heeft dus duidelijk instructies aan [medeverdachte] gegeven. De rechtbank acht het opmerkelijk dat de verdachte tot een dergelijk ernstig feit is gekomen, terwijl hij ter zitting heeft verklaard niet te weten waarom juist deze woning het doelwit was. Deze verklaring acht de rechtbank moeilijk te rijmen met zijn betrokkenheid bij het feit. Dit soort feiten van grof vuurwapengeweld op bestelling veroorzaken angst en onveiligheid, in de eerste plaats bij de slachtoffers, maar ook voor de samenleving als geheel.




Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld. De verdachte zal worden aangemerkt als first offender.



De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder:



de rapportages van de Raad, waaronder het rapport van 27 mei 2026 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling;


de rapportages van de JBRA, waaronder het rapport van 14 augustus 2026 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling.




De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte een werkstraf op te leggen. De verdachte ervaart dan een directe consequentie van zijn daden. De Raad heeft vanwege de ernst van het feit een voorwaardelijke jeugddetentie overwogen, maar dit vindt de Raad vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte niet passend. De verdachte is een first offender en er zijn veel beschermende factoren aanwezig. Er is sprake van een betrokken gezin en een positieve houding van de verdachte. De verdachte houdt zich aan zijn schorsende voorwaarden en komt zijn afspraken met IFA netjes na. Daarnaast lijkt er sprake van een laag recidiverisico en is toezicht & begeleiding daarom niet aangewezen. Met een werkstraf kan de verdachte op een leerzame manier verantwoordelijkheid nemen en wordt tegelijkertijd een duidelijke norm gesteld, om te voorkomen dat er herhaling plaatsvindt.



De JBRA sluit zich aan bij het advies van de Raad. Het recidiverisico is laag en er worden verder geen zorgen gezien.




Straf

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie van 146 dagen passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank oordeelt dat 100 dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Aan dit voorwaardelijke gedeelte worden geen bijzondere voorwaarden verbonden. Dit betekent dat de verdachte, zolang hij zich aan de algemene voorwaarden houdt, niet opnieuw in detentie komt. Verder zal de rechtbank aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 50 uren opleggen, zodat de verdachte ook nu nog de consequenties van zijn handelen ervaart. Indien de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, zal vervangende jeugddetentie kunnen worden toegepast voor de duur van 25 dagen.



De rechtbank komt hiermee uit op een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie. Anders dan door de deskundigen geadviseerd, legt de rechtbank naast de werkstraf dus ook nog een forse voorwaardelijk jeugddetentie op. Hoewel verdachte zich sinds dit feit netjes heeft gedragen en zich aan de voorwaarden en afspraken heeft gehouden die bij zijn schorsing hoorden, en de rechtbank er vertrouwen in heeft dat de verdachte niet van plan is om opnieuw een strafbaar feit te plegen, vindt de rechtbank een voorwaardelijk gedeelte vanwege de ernst van het feit en zijn betrokkenheid hierbij wel passend. Het is de rechtbank namelijk onvoldoende duidelijk gebleven hoe het kan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zo’n ernstig feit. Verdachte is nooit eerder in aanraking gekomen met politie en justitie voor een strafbaar feit en de beschermende factoren die door de deskundigen worden genoemd, waren ten tijde van het feit ook al in zijn leven aanwezig. Eigenlijk is hier sprake van een verdachte die zijn leven op orde had, met wie het goed ging, die naar school ging, een baantje had en naar sport ging. De vraag waarom verdachte ondanks al die positieve omstandigheden toch deze keus heeft gemaakt is eigenlijk niet beantwoord. Dat maakt dat de zorgen om zijn persoon volgens de rechtbank des te groter zijn. De rechtbank acht het daarom van belang om aan verdachte een stok achter de deur te bieden en daarmee het risico op recidive zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat met de strafoplegging niet alleen een signaal wordt afgegeven aan de verdachte, maar ook aan de samenleving als geheel, waarmee wordt benadrukt dat op het plegen van dergelijke ernstige feiten een gedeeltelijke onvoorwaardelijke jeugddetentie volgt.






10Beslag


Onder de verdachte is het volgende goed in beslag genomen:



- iPhone (wit) met goednummer PL1700-2025358082-7041947.



De rechtbank is, conform het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat de iPhone verbeurd dient te worden verklaard. Uit het onderzoek is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van dit voorwerp, die aan verdachte op wijze als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, Sr, toebehoort, is begaan.






11De benadeelde partij



De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 16.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zitting heeft de advocaat onderbouwd dat er weldegelijk sprake is van een causaal verband tussen het handelen van verdachte en de schade van de benadeelde partij, aangezien verdachte via artikel 6:99 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die is ontstaan na beide incidenten op 15 en 16 oktober 2025 waarbij verdachte betrokken zou zijn bij het tweede incident. De benadeelde partij verwijst ter onderbouwing van die stelling naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 juli 2026 met kenmerk ECLI:NL:GHAMS:2026:2100.




Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank primair om ten aanzien van de vordering aan te sluiten bij het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van één van de medeverdachten met kenmerk ECLI:NL:RBMNE:2026:3430. De vordering is onvoldoende onderbouwd aangezien er een dag eerder ook een incident is geweest dat de schade kan hebben veroorzaakt. Daarom is onvoldoende onderbouwd dat er een causaal verband is tussen het feit waar verdachte bij betrokken is geweest en de immateriële schade die de benadeelde partij vordert. Subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank om, indien zij aanleiding ziet om een billijke vergoeding te bepalen zij een aanzienlijk lagere vergoeding bepaalt dan gevorderd.




Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst de vordering gedeeltelijk tot een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro) toe, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 16 oktober 2025, tot aan de dag van algehele voldoening. De vordering wordt hoofdelijk toegewezen. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.



De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade geleden. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat in dit verband de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat hij op andere wijze is aangetast in zijn persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Op grond van dit artikel heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.



De normschending heeft er in dit geval uit bestaan dat de verdachte heeft geprobeerd om een ander te bewegen om op 16 oktober 2025 op het huis van de benadeelde partij te schieten met een automatisch vuurwapen. Hoewel er uiteindelijk niet daadwerkelijk op de woning is geschoten, heeft er die nacht wel iemand met een automatisch vuurwapen voor de woning gestaan die mogelijk vanwege het aanwezige cameratoezicht uiteindelijk niet heeft geschoten, maar wel in de buurt van de woning is aangehouden. Deze situatie is voor de benadeelde partij zeer beangstigend geweest en levert evident een aantasting in zijn persoon op. De benadeelde partij heeft nadelige gevolgen ondervonden, mede vanwege de gebeurtenissen één dag voor dit incident die het gebeurde op 16 oktober nog hebben versterkt. Eén dag eerder is de benadeelde partij namelijk zelf geconfronteerd met een andere verdachte voor zijn woning die ook een automatisch wapen bij zich had. Daarbij is er op datzelfde moment een aan de benadeelde gerichte bedreiging op een briefje bij de ingang van het gebouw aangetroffen. De gebeurtenis op 16 oktober versterkte de door de eerdere gebeurtenis bestaande angstgevoelens van de benadeelde partij. De benadeelde partij leeft blijkens de toelichting sindsdien een geïsoleerd leven vol wantrouwen naar de buitenwereld. Door deze angstgevoelens slaapt hij slecht en kampt hij met een constant gevoel van alertheid. Dit maakt hem somber en prikkelbaar. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nadelige gevolgen gelet op de hiervoor opgenomen normschending zo voor de hand liggend dat er sprake is van een aantasting van de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 onder b BW.



Verder geldt dat de rechtbank wel kan vaststellen dat er immateriële schade is ontstaan bij de benadeelde partij door de opeenvolgende incidenten op 15 oktober 2025 en 16 oktober 2025, maar niet hoeveel per incident. Dit is echter ook niet noodzakelijk. Artikel 6:99 BW bepaalt dat, indien schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen waarvoor verschillende personen aansprakelijk zijn, en vaststaat dat ten minste één van die gebeurtenissen de schade heeft veroorzaakt, maar niet kan worden vastgesteld welke, ieder van die personen voor de gehele schade aansprakelijk is, tenzij hij bewijst dat de schade niet door zijn gebeurtenis is veroorzaakt. Verdachte heeft niet bewezen dat de gestelde schade niet door ‘zijn’ gebeurtenis is veroorzaakt, waardoor hij gelet op artikel 6:99 BW aansprakelijk is voor het geheel.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade billijk.



De rechtbank zal daarom de vordering tot een bedrag van € 1.000,- hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 16 oktober 2025.



In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.



De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.






12Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 46a, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 285 van het Wetboek van Strafrecht.






13Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde.



Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.



Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezenverklaarde levert op:




medeplegen van een poging om een ander door beloften en door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen te bewegen om een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, te begaan.




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 146 (honderdzesenveertig) dagen.



Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.



Bepaalt dat een gedeelte, groot 100 dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.



Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte:


- zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.


Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 50 uren.



Beveelt dat, als de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen.



Verklaart verbeurd:

- iPhone (wit) met goednummer PL1700-2025358082-7041947.



Benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 1.000,- (zegge: duizend euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 16 oktober 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.



Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.



Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.



Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij] ter hoogte van € 1.000,- (zegge: duizend euro), behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 16 oktober 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.



Betaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.



Bepaalt de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.



Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.



Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Dinjens, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2026.






















[…]