Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9254
2026-09-15
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12115246 \ CV EXPL 26-2608
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
50/50-betalingsregeling in relatie tot de door partijen gemaakte vakantiekosten. Voormalige affectieve relatie. Vorderingen worden grotendeels toegewezen. Eiser heeft voldoende onderbouwd dat partijen een regeling met elkaar overeen zijn gekomen. Kantonrechter mag voorts niet datgene toewijzen wat niet in het petitum gevorderd wordt, ook niet als het lichaam van de dagvaarding voor een dergelijke vordering aanknopingspunten aanreikt.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2015:3195 Hoge Raad 30-10-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.975 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12115246 \ CV EXPL 26-2608
Vonnis van 15 september 2026
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederende in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen van 5 februari 2026 van [eiser];
- het proces-verbaal van de mondeling genomen conclusie van antwoord van [gedaagde];
- het tussenvonnis van 17 maart 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. [eiser] is in persoon verschenen zonder zijn gemachtigde. [gedaagde] is eveneens in persoon verschenen, samen met haar partner en de heer [naam] ter juridische ondersteuning. Partijen hebben hun zaak toegelicht. [eiser] heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en deze overgelegd. Ter zitting is geconstateerd dat [gedaagde] producties had ingediend bij de rechtbank, maar dat deze niet waren doorgekomen. De kantonrechter heeft [gedaagde] hierop toegestaan deze stukken na de zitting opnieuw toe te sturen aan de rechtbank. De griffie heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verklaard en gebeurd.
1.3.
vervolgens zijn de volgende stukken ingediend:
- het op 29 juli 2026 nagezonden Verweerschrift / Persoonlijke verklaring met bijlagen van [gedaagde];
- de reactie met bijlagen op het Verweerschrift / Persoonlijke verklaring van [eiser];
- de akte uitlating met productie 8 van 17 augustus 2026 van [eiser].
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben vanaf februari 2020 tot en met juli 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Partijen zijn in juli 2024 met elkaar op vakantie gegaan naar [plaats] te Griekenland. De kosten voor deze reis bedroegen in totaal € 3.861,65. Kort na deze vakantie hebben partijen hun affectieve relatie beëindigd.
2.3.
Partijen hebben nadien via WhatsApp met elkaar gecorrespondeerd over de aflossing van een openstaande schuld en de tenaamstelling van een scooter. Hierover hebben zij, voor zover van belang, het navolgende aan elkaar bericht:
[gedaagde]: “Mag ik van jou de ten naam stelling code? Ik ga m’n scooter verkopen namelijk.”
[eiser]: “Uhhm ja kan, krijg ik dat geld dan?”
[eiser]: “Dan heb je gelijk al een groot deel afgelost, zou wel mooi zijn”
[gedaagde]: “Nee ik ga een auto kopen.”
[…]
[eiser]: “Zou netjes en beter zijn als je eerst je schuld aflost toch?”
[gedaagde]: “Dan ga ik ook m’n scooter niet verkopen ”
[…]
[eiser]: “Ik moet hier even over nadenken”
[gedaagde]: “Snap niet helemaal waarom aangezien het mijn scooter is en ik die volledig betaald heb.”
[…]
[gedaagde]: “Plus ik zou jou gewoon toch elke maand betalen zoals afgesproken wat ik kon missen.”
[…]
[gedaagde]: “Jaa ik heb al aangegeven je 100 euro per maand sowieso te kunnen geven.”
[…]
[eiser]: “Ik vind 100euro eigenlijk te weinig. Ik wil 200 euro per maand. Denk er maar even over na.”
[gedaagde]: “Naja dat gaat hem helaas niet worden […]”
[gedaagde]: “Mocht het geld ook lenen van oma, betaal ik die 100 per maand terug.”
[eiser]: “Ook goed. Ik heb een voorstel. Dan neem ik de scooter wel over en dan trek ik het van de schuld af.”
[gedaagde]: “Ook niet x”
[gedaagde]: “Is al geregeld fijne avond x”
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] vanaf 29 september 2024 meerdere betaalverzoeken verstuurd onder vermelding van “Vakantie”. [gedaagde] heeft op 1 oktober 2024 aan één betaalverzoek voldaan en daarbij € 100,- onder deze vermelding overgemaakt aan [eiser]. Daarnaast heeft [gedaagde] in december 2024 een contante betaling van € 100,- verricht aan [eiser].
2.5.
De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] op 6 maart 2025 via e-mail gesommeerd om € 1.806,40 te betalen. [eiser] heeft [gedaagde] er daarbij op gewezen dat dit bedrag verhoogd zou worden met de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 270,96 en wettelijke rente ad € 3,01, indien betaling zou uitblijven. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.830,85, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2025, althans de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding. Voorts vordert [eiser] dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 274,63, en in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [gedaagde] de helft betaalt van de gemaakte vakantiekosten. [eiser] heeft de vakantiekosten namelijk voorgeschoten. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] € 100,- per maand aflost totdat het volledige bedrag is terugbetaald. Na twee deelbetalingen resteert thans nog een bedrag van € 1.830,33. Verder heeft [eiser] kosten moeten maken om zijn vordering te kunnen verhalen op [gedaagde]. [gedaagde] moet [eiser] daarom de daarvoor gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoeden, aldus [eiser].
3.3.
[gedaagde] betwist de vorderingen van [eiser]. [gedaagde] voert hiertoe aan dat de afspraak juist luidde dat [eiser] alle kosten voor de vakantie zelf zou dragen, omdat [gedaagde] destijds krap bij kas zat. De twee betalingen van € 100,- heeft zij verricht omdat zij zich onder druk gezet voelde door [eiser]. Hij had aangegeven dat hij alleen wilde meewerken aan het op haar naam zetten van haar scooter indien zij de helft van de door hem betaalde vakantie zou terugbetalen.. Na de twee betalingen is zij in overleg met haar nieuwe vriend gestopt met betalen. Partijen zijn dus helemaal niet overeengekomen dat [gedaagde] de helft van de vakantiekosten voor haar rekening zou nemen. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Nagezonden stukken
4.1.
Alvorens de kantonrechter in de beoordeling van dit geschil treedt, wordt het volgende opgemerkt. De kantonrechter heeft ter zitting geconstateerd dat [gedaagde] bijlagen naar de rechtbank had gestuurd, maar dat deze niet waren aangekomen. De kantonrechter heeft [gedaagde] daarom in staat gesteld om deze stukken na de mondelinge behandeling alsnog na te zenden. [gedaagde] heeft dit gedaan, maar wel pas op 29 juli 2026, terwijl de mondelinge behandeling op 20 juli 2026 heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft zich bij het overleggen van deze stukken bediend van een uitgebreide reactie op de punten die [eiser] ter zitting naar voren heeft gebracht. [eiser] heeft op zijn beurt een omvangrijk antwoord op de reactie van [gedaagde] aan de rechtbank verstuurd.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] hiermee buiten de grenzen is getreden van de haar gegeven mogelijkheid om enkel de niet-binnengekomen stukken alsnog aan de rechtbank voor te leggen. De kantonrechter verbindt hieraan het gevolg dat niet alle stukken die [gedaagde] heeft nagezonden mee worden genomen in de beoordeling van het geschil. Concreet worden het “Verweerschrift / Persoonlijke verklaring” en de e-mail van de moeder van [gedaagde] buiten beschouwing gelaten, omdat uit de data die in deze stukken zijn opgenomen volgt dat zij pas ná de mondelinge behandeling zijn opgesteld en daardoor niet eerder door [gedaagde] kunnen zijn toegestuurd aan de rechtbank. De overige nagezonden stukken van [gedaagde] worden wél meegenomen in de beoordeling.
4.3.
Het voorgaande brengt met zich dat de reactie van [eiser] op het “Verweerschrift / Persoonlijke verklaring” evenmin mee kan worden genomen in de beoordeling van dit geschil, omdat [eiser] anders een extra schriftelijke ronde zou worden gegund waar [gedaagde] niet op heeft kunnen reageren. De Akte uitlating van [eiser] wordt wél meegenomen in de beoordeling van dit geschil, doch enkel voor zover het een reactie op de toelaatbare, nagezonden stukken van [gedaagde] betreft.
Betaling van de vakantiekosten
4.4.
Het voor de beoordeling van dit geschil relevante geschilpunt ziet op de vraag of partijen met elkaar zijn overeengekomen dat [gedaagde] de helft van de gemaakte vakantiekosten vergoedt aan [eiser].
4.5.
De kantonrechter overweegt dat [eiser] aan de hand van de overgelegde WhatsApp-correspondentie voldoende heeft onderbouwd dat partijen een betalingsregeling met elkaar zijn aangegaan in het kader van de vakantiekosten, waarbij [gedaagde] € 100,- per maand aflost. Zo heeft [gedaagde] blijkens deze correspondentie onder meer verklaard:
“Plus ik zou jou gewoon toch elke maand betalen zoals afgesproken wat ik kon missen.”;
“Jaa ik heb al aangegeven je 100 euro per maand sowieso te kunnen geven.”;
“Mocht het geld ook lenen van oma, betaal ik die 100 per maand terug.”
4.6.
Uit deze verklaringen volgt niet alleen afdoende dat [gedaagde] heeft erkend dat een betalingsregeling bestond, maar ook dat zij bereid was om deze na te komen. Daar komt bij dat [gedaagde] eenmaal een “Tikkie” heeft betaald met de vermelding “Vakantie” en daarnaast ook eenmaal eenzelfde bedrag cash heeft betaald. Dit alles draagt bij aan het oordeel dat deze betalingsregeling is aangegaan in het kader van de afhandeling van de door [eiser] gemaakte kosten voor hun gezamenlijke vakantie.
4.7.
[gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat zij zich onder druk gezet voelde door [eiser] en dat de door haar gedane betalingen moeten worden geplaatst in de context van het (terug)krijgen van de scooter. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen namelijk verklaard dat de WhatsApp-berichten die zijn overgelegd en waarin wordt gesproken over de scooter, van december 2024 (en januari 2025) dateren. Dit is ruimschoots ná juli 2024 toen de vakantiereis was afgelopen en de betalingsafspraak voor de vakantiekosten al tussen partijen was gemaakt. Daarnaast volgt uit het appverkeer tussen partijen dat reeds overeenstemming bestond over de afbetalingsregeling (voor de vakantie) op het moment dat voor het eerst over de scooter gesproken werd. De betalingsregeling kan daarom niet hebben gezien op de scooter, maar enkel op de vakantiekosten.
4.8.
Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] haar verweer inhoudende dat [eiser] de volledige kosten voor de vakantie zelf zou dragen en dat de door haar gedane betalingen niet kunnen worden uitgelegd als een bevestiging van de door [eiser] gestelde afspraak onvoldoende heeft onderbouwd. Het verweer zal dan ook worden afgewezen.
Conclusie
4.9.
Op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom moet worden toegewezen, doch niet volledig. [eiser] heeft namelijk bij zijn Akte uitlaten verklaard dat [gedaagde] tweemaal € 100,- aan hem heeft betaald. Ter zitting heeft [eiser] verduidelijkt dat [gedaagde] de helft van het vakantiegeld moet betalen. Dit betekent dat [gedaagde] in totaal € 1.730,83 moet betalen aan [eiser] (= € 3.861,65 / 2 - € 200,-) en niet € 1.830,83 zoals [eiser] in de dagvaarding suggereert. De kantonrechter wijst het door [eiser] gevorderde daarom na vermindering tot dit bedrag toe.
Wettelijke rente over de hoofdsom
4.10.
De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar vanaf 21 maart 2025, gelet op de termijn die [gedaagde] in de sommatiebrief van 6 maart 2025 is gegund voor nakoming van haar betalingsverplichting, en betaling binnen die termijn is uitgebleven.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
[eiser] vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
4.12.
[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] is in zijn sommatiebrief van 6 maart 2025 echter uitgegaan van een te hoog bedrag waarover de buitengerechtelijke kosten moeten worden geheven, nu de daadwerkelijk hoofdsom neerkomt op € 1.730,83. Gelet hierop worden de gevorderde buitengerechtelijke na correctie toegewezen tot een bedrag van € 259,62.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden tot op heden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
325,50
(1,5 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
852,77
Wettelijke rente over de proceskosten
4.14.
[eiser] heeft in de dagvaarding uiteengezet waarom hij van mening is dat de wettelijke rente over de proceskosten in deze zou moeten worden toegewezen, maar een daartoe strekkende vordering ontbreekt in het petitum.
4.15.
Gelet hierop wijst de kantonrechter deze vordering van [eiser] af. Het staat de kantonrechter immers niet vrij om een vordering toe te wijzen die niet in het petitum staat, ook niet als in het lichaam van de dagvaarding of in een andere fase van het geding de vordering als zodanig wel ter sprake is gekomen.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.730,83, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 maart 2025 tot de dag der algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 259,62 te betalen;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 852,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Mulderije en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.
HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3195, rov. 3.4.1 & 3.4.2.
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12115246 \ CV EXPL 26-2608
Vonnis van 15 september 2026
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederende in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen van 5 februari 2026 van [eiser];
- het proces-verbaal van de mondeling genomen conclusie van antwoord van [gedaagde];
- het tussenvonnis van 17 maart 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. [eiser] is in persoon verschenen zonder zijn gemachtigde. [gedaagde] is eveneens in persoon verschenen, samen met haar partner en de heer [naam] ter juridische ondersteuning. Partijen hebben hun zaak toegelicht. [eiser] heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en deze overgelegd. Ter zitting is geconstateerd dat [gedaagde] producties had ingediend bij de rechtbank, maar dat deze niet waren doorgekomen. De kantonrechter heeft [gedaagde] hierop toegestaan deze stukken na de zitting opnieuw toe te sturen aan de rechtbank. De griffie heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verklaard en gebeurd.
1.3.
vervolgens zijn de volgende stukken ingediend:
- het op 29 juli 2026 nagezonden Verweerschrift / Persoonlijke verklaring met bijlagen van [gedaagde];
- de reactie met bijlagen op het Verweerschrift / Persoonlijke verklaring van [eiser];
- de akte uitlating met productie 8 van 17 augustus 2026 van [eiser].
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben vanaf februari 2020 tot en met juli 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Partijen zijn in juli 2024 met elkaar op vakantie gegaan naar [plaats] te Griekenland. De kosten voor deze reis bedroegen in totaal € 3.861,65. Kort na deze vakantie hebben partijen hun affectieve relatie beëindigd.
2.3.
Partijen hebben nadien via WhatsApp met elkaar gecorrespondeerd over de aflossing van een openstaande schuld en de tenaamstelling van een scooter. Hierover hebben zij, voor zover van belang, het navolgende aan elkaar bericht:
[gedaagde]: “Mag ik van jou de ten naam stelling code? Ik ga m’n scooter verkopen namelijk.”
[eiser]: “Uhhm ja kan, krijg ik dat geld dan?”
[eiser]: “Dan heb je gelijk al een groot deel afgelost, zou wel mooi zijn”
[gedaagde]: “Nee ik ga een auto kopen.”
[…]
[eiser]: “Zou netjes en beter zijn als je eerst je schuld aflost toch?”
[gedaagde]: “Dan ga ik ook m’n scooter niet verkopen ”
[…]
[eiser]: “Ik moet hier even over nadenken”
[gedaagde]: “Snap niet helemaal waarom aangezien het mijn scooter is en ik die volledig betaald heb.”
[…]
[gedaagde]: “Plus ik zou jou gewoon toch elke maand betalen zoals afgesproken wat ik kon missen.”
[…]
[gedaagde]: “Jaa ik heb al aangegeven je 100 euro per maand sowieso te kunnen geven.”
[…]
[eiser]: “Ik vind 100euro eigenlijk te weinig. Ik wil 200 euro per maand. Denk er maar even over na.”
[gedaagde]: “Naja dat gaat hem helaas niet worden […]”
[gedaagde]: “Mocht het geld ook lenen van oma, betaal ik die 100 per maand terug.”
[eiser]: “Ook goed. Ik heb een voorstel. Dan neem ik de scooter wel over en dan trek ik het van de schuld af.”
[gedaagde]: “Ook niet x”
[gedaagde]: “Is al geregeld fijne avond x”
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] vanaf 29 september 2024 meerdere betaalverzoeken verstuurd onder vermelding van “Vakantie”. [gedaagde] heeft op 1 oktober 2024 aan één betaalverzoek voldaan en daarbij € 100,- onder deze vermelding overgemaakt aan [eiser]. Daarnaast heeft [gedaagde] in december 2024 een contante betaling van € 100,- verricht aan [eiser].
2.5.
De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] op 6 maart 2025 via e-mail gesommeerd om € 1.806,40 te betalen. [eiser] heeft [gedaagde] er daarbij op gewezen dat dit bedrag verhoogd zou worden met de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 270,96 en wettelijke rente ad € 3,01, indien betaling zou uitblijven. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.830,85, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2025, althans de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding. Voorts vordert [eiser] dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 274,63, en in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [gedaagde] de helft betaalt van de gemaakte vakantiekosten. [eiser] heeft de vakantiekosten namelijk voorgeschoten. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] € 100,- per maand aflost totdat het volledige bedrag is terugbetaald. Na twee deelbetalingen resteert thans nog een bedrag van € 1.830,33. Verder heeft [eiser] kosten moeten maken om zijn vordering te kunnen verhalen op [gedaagde]. [gedaagde] moet [eiser] daarom de daarvoor gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoeden, aldus [eiser].
3.3.
[gedaagde] betwist de vorderingen van [eiser]. [gedaagde] voert hiertoe aan dat de afspraak juist luidde dat [eiser] alle kosten voor de vakantie zelf zou dragen, omdat [gedaagde] destijds krap bij kas zat. De twee betalingen van € 100,- heeft zij verricht omdat zij zich onder druk gezet voelde door [eiser]. Hij had aangegeven dat hij alleen wilde meewerken aan het op haar naam zetten van haar scooter indien zij de helft van de door hem betaalde vakantie zou terugbetalen.. Na de twee betalingen is zij in overleg met haar nieuwe vriend gestopt met betalen. Partijen zijn dus helemaal niet overeengekomen dat [gedaagde] de helft van de vakantiekosten voor haar rekening zou nemen. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Nagezonden stukken
4.1.
Alvorens de kantonrechter in de beoordeling van dit geschil treedt, wordt het volgende opgemerkt. De kantonrechter heeft ter zitting geconstateerd dat [gedaagde] bijlagen naar de rechtbank had gestuurd, maar dat deze niet waren aangekomen. De kantonrechter heeft [gedaagde] daarom in staat gesteld om deze stukken na de mondelinge behandeling alsnog na te zenden. [gedaagde] heeft dit gedaan, maar wel pas op 29 juli 2026, terwijl de mondelinge behandeling op 20 juli 2026 heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft zich bij het overleggen van deze stukken bediend van een uitgebreide reactie op de punten die [eiser] ter zitting naar voren heeft gebracht. [eiser] heeft op zijn beurt een omvangrijk antwoord op de reactie van [gedaagde] aan de rechtbank verstuurd.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] hiermee buiten de grenzen is getreden van de haar gegeven mogelijkheid om enkel de niet-binnengekomen stukken alsnog aan de rechtbank voor te leggen. De kantonrechter verbindt hieraan het gevolg dat niet alle stukken die [gedaagde] heeft nagezonden mee worden genomen in de beoordeling van het geschil. Concreet worden het “Verweerschrift / Persoonlijke verklaring” en de e-mail van de moeder van [gedaagde] buiten beschouwing gelaten, omdat uit de data die in deze stukken zijn opgenomen volgt dat zij pas ná de mondelinge behandeling zijn opgesteld en daardoor niet eerder door [gedaagde] kunnen zijn toegestuurd aan de rechtbank. De overige nagezonden stukken van [gedaagde] worden wél meegenomen in de beoordeling.
4.3.
Het voorgaande brengt met zich dat de reactie van [eiser] op het “Verweerschrift / Persoonlijke verklaring” evenmin mee kan worden genomen in de beoordeling van dit geschil, omdat [eiser] anders een extra schriftelijke ronde zou worden gegund waar [gedaagde] niet op heeft kunnen reageren. De Akte uitlating van [eiser] wordt wél meegenomen in de beoordeling van dit geschil, doch enkel voor zover het een reactie op de toelaatbare, nagezonden stukken van [gedaagde] betreft.
Betaling van de vakantiekosten
4.4.
Het voor de beoordeling van dit geschil relevante geschilpunt ziet op de vraag of partijen met elkaar zijn overeengekomen dat [gedaagde] de helft van de gemaakte vakantiekosten vergoedt aan [eiser].
4.5.
De kantonrechter overweegt dat [eiser] aan de hand van de overgelegde WhatsApp-correspondentie voldoende heeft onderbouwd dat partijen een betalingsregeling met elkaar zijn aangegaan in het kader van de vakantiekosten, waarbij [gedaagde] € 100,- per maand aflost. Zo heeft [gedaagde] blijkens deze correspondentie onder meer verklaard:
“Plus ik zou jou gewoon toch elke maand betalen zoals afgesproken wat ik kon missen.”;
“Jaa ik heb al aangegeven je 100 euro per maand sowieso te kunnen geven.”;
“Mocht het geld ook lenen van oma, betaal ik die 100 per maand terug.”
4.6.
Uit deze verklaringen volgt niet alleen afdoende dat [gedaagde] heeft erkend dat een betalingsregeling bestond, maar ook dat zij bereid was om deze na te komen. Daar komt bij dat [gedaagde] eenmaal een “Tikkie” heeft betaald met de vermelding “Vakantie” en daarnaast ook eenmaal eenzelfde bedrag cash heeft betaald. Dit alles draagt bij aan het oordeel dat deze betalingsregeling is aangegaan in het kader van de afhandeling van de door [eiser] gemaakte kosten voor hun gezamenlijke vakantie.
4.7.
[gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat zij zich onder druk gezet voelde door [eiser] en dat de door haar gedane betalingen moeten worden geplaatst in de context van het (terug)krijgen van de scooter. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen namelijk verklaard dat de WhatsApp-berichten die zijn overgelegd en waarin wordt gesproken over de scooter, van december 2024 (en januari 2025) dateren. Dit is ruimschoots ná juli 2024 toen de vakantiereis was afgelopen en de betalingsafspraak voor de vakantiekosten al tussen partijen was gemaakt. Daarnaast volgt uit het appverkeer tussen partijen dat reeds overeenstemming bestond over de afbetalingsregeling (voor de vakantie) op het moment dat voor het eerst over de scooter gesproken werd. De betalingsregeling kan daarom niet hebben gezien op de scooter, maar enkel op de vakantiekosten.
4.8.
Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] haar verweer inhoudende dat [eiser] de volledige kosten voor de vakantie zelf zou dragen en dat de door haar gedane betalingen niet kunnen worden uitgelegd als een bevestiging van de door [eiser] gestelde afspraak onvoldoende heeft onderbouwd. Het verweer zal dan ook worden afgewezen.
Conclusie
4.9.
Op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom moet worden toegewezen, doch niet volledig. [eiser] heeft namelijk bij zijn Akte uitlaten verklaard dat [gedaagde] tweemaal € 100,- aan hem heeft betaald. Ter zitting heeft [eiser] verduidelijkt dat [gedaagde] de helft van het vakantiegeld moet betalen. Dit betekent dat [gedaagde] in totaal € 1.730,83 moet betalen aan [eiser] (= € 3.861,65 / 2 - € 200,-) en niet € 1.830,83 zoals [eiser] in de dagvaarding suggereert. De kantonrechter wijst het door [eiser] gevorderde daarom na vermindering tot dit bedrag toe.
Wettelijke rente over de hoofdsom
4.10.
De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar vanaf 21 maart 2025, gelet op de termijn die [gedaagde] in de sommatiebrief van 6 maart 2025 is gegund voor nakoming van haar betalingsverplichting, en betaling binnen die termijn is uitgebleven.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
[eiser] vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
4.12.
[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] is in zijn sommatiebrief van 6 maart 2025 echter uitgegaan van een te hoog bedrag waarover de buitengerechtelijke kosten moeten worden geheven, nu de daadwerkelijk hoofdsom neerkomt op € 1.730,83. Gelet hierop worden de gevorderde buitengerechtelijke na correctie toegewezen tot een bedrag van € 259,62.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden tot op heden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
325,50
(1,5 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
852,77
Wettelijke rente over de proceskosten
4.14.
[eiser] heeft in de dagvaarding uiteengezet waarom hij van mening is dat de wettelijke rente over de proceskosten in deze zou moeten worden toegewezen, maar een daartoe strekkende vordering ontbreekt in het petitum.
4.15.
Gelet hierop wijst de kantonrechter deze vordering van [eiser] af. Het staat de kantonrechter immers niet vrij om een vordering toe te wijzen die niet in het petitum staat, ook niet als in het lichaam van de dagvaarding of in een andere fase van het geding de vordering als zodanig wel ter sprake is gekomen.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.730,83, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 maart 2025 tot de dag der algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 259,62 te betalen;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 852,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Mulderije en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.
HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3195, rov. 3.4.1 & 3.4.2.