Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9128

2026-07-29 Civiel recht C/13/730893 / HA ZA 23-233
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/13/730893 / HA ZA 23-233
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis verzoeken gedaagde partijen, en deels herstelvonnis van (tussen)vonnis 29 april 2026

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.533 tekens)
RECHTBANK Amsterdam


Civiel recht



Zaaknummer: C/13/730893 / HA ZA 23-233




Vonnis van 29 juli 2026




in de zaak van




ESPERAZA HOLDING B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Esperaza,
advocaat: mr. M.J. Drop,



tegen





1 [gedaagde 1] ,

te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. J.Ph. de Korte,4. [gedaagde 4],
te [woonplaats 2] (Portugal),
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
advocaat: mr. A. Oorthuys,

5. [gedaagde 5],

te [woonplaats 3] (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna te noemen: [gedaagde 5] ,
advocaat: mr. S.M.Y. van de Graaff,7. de rechtspersoon naar buitenlands recht

URÍA MENÉNDEZ ABOGADOS, SLP,
te Madrid (Spanje),
hierna te noemen: Uría,
advocaat: mr. R. de Bree,

8. [gedaagde 8],

te [woonplaats 4] (Portugal),
hierna te noemen: [gedaagde 8] ,
advocaat: mr. R.A. Kronenberg,

9. TRUST COMPANY AMSTERDAM B.V.,

te Amsterdam,
hierna te noemen: TCA,
advocaat: mr. L.J.J. Kerstens,

11. [gedaagde 11],

te [woonplaats 5] ,
hierna te noemen: [gedaagde 11] ,
advocaat: mr. W.A. Vader,

12. [gedaagde 12],

te [woonplaats 6] (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna te noemen: [gedaagde 12] ,
advocaat: mr. J.Ph. de Korte,13. de rechtspersoon naar buitenlands recht

BANCO BIC PORTUGUÊS, S.A.,
te Lissabon (Portugal),
hierna te noemen: Eurobic,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan,14. de rechtspersoon naar buitenlands recht

BANCO BIC CABO VERDE, S.A.,
te Praia (Kaapverdië),
hierna te noemen: BBCV,
advocaat: mr. S.J.A. van Gils,15. [gedaagde 15],
te [woonplaats 7] (Angola),
hierna te noemen: [gedaagde 15] ,
advocaat: mr. M.P. Vink,16. de rechtspersoon naar buitenlands recht

TERRA PEREGRIN, S.A.,
te Lissabon (Portugal),
hierna te noemen: Terra Peregrin,
advocaat: mr. J.Ph. de Korte,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden 1, 4, 5, 7 tm 9, 11 tm 16]





6 [gedaagde 6] ,

te [woonplaats 8] (Angola),
hierna te noemen: [gedaagde 6] ,
10. [gedaagde 10],
te [woonplaats 9] (België),
hierna te noemen: [gedaagde 10] ,
gedaagden in de hoofdzaak tegen wie verstek is verleend.







1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 18 december 2024, met de daarin genoemde stukken en gegeven definities,
- het vonnis in incident van 17 december 2025, met de daarin genoemde stukken,
- het tussenvonnis van 29 april 2026, met de daarin genoemde stukken (hierna: het tussenvonnis),
- de e-mail van 7 mei 2026 van mr. De Haan en mr. De Looff namens Eurobic, met het verzoek tot verbetering van een kennelijk fout ex artikel 31 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het verzoek tot aanvulling van het vonnis ex artikel 32 Rv,
- de e-mail van 1 juni 2026 van de rechtbank aan partijen met het verzoek om te reageren op het verzoek van Eurobic,
- de e-mail van 8 juni 2026 van mr. Stal namens Esperaza, met de reactie op het verzoek tot verbetering en aanvulling van Eurobic,
- de akte van 10 juni 2026 van mr. De Korte namens [gedaagde 1] , met het verzoek tot rectificatie/aanvulling van het tussenvonnis, roljournaal en/of proces-verbaal, het verlenen van verlof tot het instellen van tussentijds hoger beroep, en het bevel tot overlegging van het eindverslag van de onderzoeker in de Exem-enquête en aanhouding van de procedure daarvoor,
- de e-mail van 15 juni 2026 van de rechtbank aan partijen met het verzoek aan Esperaza om te reageren op de akte van mr. De Korte,
- de brief van 22 juni 2026 van mr. Putter namens [gedaagde 1] kinderen waarbij zij zich aansluiten bij de verzoeken zoals opgenomen in de akte van mr. De Korte,
- de e-mail van 29 juni 2026 van mr. Drop namens Esperaza met het verzoek voor uitstel van haar reactie,
- de brief van 29 juni 2026 van mr. Drop namens Esperaza in reactie op de akte van mr. De Korte en de brief van mr. Putter,
- de akte afstand van instantie van 1 juli 2026 van mr. Drop namens Esperaza,
- de e-mail van 16 juli 2026 van mr. De Korte namens [gedaagde 1] ,
- de e-mail van de rechtbank van 20 juli met een verzoek aan Esperaza om te reageren op het verzoek van mr. De Korte van 16 juli 2026,
- de e-mail van 24 juli 2026 van mr. Drop namens Esperaza in reactie op de e-mail van mr. De Korte.



1.2.

Door de akte afstand van instantie van Esperaza van 1 juli 2026 herleeft van rechtswege de rechtstoestand van voor de aanvang van de onderhavige procedure ten opzichte van: (A) [gedaagde 1] in haar hoedanigheid van (i) (gesteld) erfgenaam van wijlen haar echtgenoot [naam 1], (ii) wettelijke vertegenwoordiger van de ten tijde van de dagvaarding minderjarige (gestelde) erfgenamen: [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5]; (iii) beheerder, althans vertegenwoordigster, althans curator, de iure althans de facto, van de nalatenschap van [naam 1]; en (B) [naam 6].
De rechtbank zal als het gevolg daarvan de reacties op het tussenvonnis en de verzoeken die betrekking hebben op (de rechtspositie van) deze partijen buiten beschouwing laten.




1.3.
In dit (tussen)vonnis zal een beslissing worden genomen over: het verzoek van Eurobic tot verbetering en aanvulling van het tussenvonnis, het (gelet op r.o. 1.2 hiervoor: overige) verzoek tot rectificatie van het proces-verbaal en het tussenvonnis van [gedaagde 1] , het verzoek tot het openstellen van tussentijds hoger beroep van [gedaagde 1] , en het verzoek tot aanhouden en/of bevel tot overlegging van het verslag van de onderzoeker met betrekking tot de Exem-enquête van [gedaagde 1] .





2Het verzoek tot verbetering en aanvulling van het tussenvonnis van Eurobic


2.1.
Op 7 mei 2026 hebben mr. De Haan en mr. De Looff namens Eurobic de rechtbank verzocht om aanvulling en verbetering van tussenvonnis. Ten eerste is in het tussenvonnis volgens haar niet beslist op het bezwaar van Eurobic, uit haar akte van 18 juni 2025 en herhaald ter zitting van 19 maart 2026, tegen de aanvullende akte van Esperaza van 26 maart 2025, terwijl de rechtbank ter zitting van 19 maart 2026 heeft gemeld hierop te zullen beslissen. Eurobic verzoekt de rechtbank alsnog op dit punt te beslissen, en het tussenvonnis hiertoe aan te vullen, als bedoeld in artikel 32 Rv. Daarnaast staat in rechtsoverweging 5.10 van het tussenvonnis een kennelijke verschrijving. Daarin staat: "(…) dit geld vanaf haar Kaapverdische bankrekening bij BBCV is overgemaakt naar Terra Peregrin". Het geld is echter overgemaakt vanaf de Kaapverdische rekening bij BBCV naar een rekening van Exem Energy B.V. Eurobic verzoekt de rechtbank deze verschrijving te herstellen op de voet van artikel 31 Rv door in de betreffende rechtsoverweging 5.10 "Terra Peregrin" te vervangen door "Exem".



2.2.
Op 8 juni 2026 heeft mr. Stal namens Esperaza gereageerd op het verzoek van Eurobic. Esperaza verzet zich niet tegen de verzochte verbetering van rechtsoverweging 5.10 van het tussenvonnis door "Terra Peregrin" te vervangen door "Exem". Esperaza maakt wel bezwaar tegen de verzochte aanvulling van het vonnis met betrekking tot het bezwaar van Eurobic tegen de aanvullende akte van 19 maart 2026 van Esperaza. Samengevat voert Esperaza aan dat dit verzoek feitelijke grondslag mist omdat Eurobic in haar akte van 18 juni 2025 niet heeft gevorderd om op dit bezwaar te beslissen en de rechtbank dus niet heeft verzuimd om hierop te beslissen. Bovendien heeft de rechtbank alle verdere inhoudelijke beslissingen, waaronder over de toelaatbaarheid van aanvullingen en producties, aangehouden, wat volgt uit rechtsoverweging 6.4 van het tussenvonnis.



2.3.
De rechtbank beslist als volgt.



Verzoek tot verbetering als bedoeld in artikel 31 Rv





2.4.
Op grond van artikel 31 lid 1 Rv verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.



2.5.
De rechtbank oordeelt dat in het tussenvonnis van 29 april 2026 sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal het verzoek tot verbetering van het vonnis dan ook toewijzen zoals volgt uit het dictum.



Verzoek tot aanvulling als bedoeld in artikel 32 Rv





2.6.
Op grond van artikel 32 lid 1 Rv vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis aan als hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde.



2.7.
Los van de vraag of het verzoek tot aanvulling van Eurobic onder de reikwijdte van artikel 32 Rv valt, staat het de rechtbank vrij om buiten die wettelijke grondslag in dit vonnis op het bezwaar tegen de akte te beslissen. De aanvullende akte van Esperaza van 26 maart 2026 wordt toegestaan omdat Eurobic hierdoor niet in haar verdediging is geschaad. Er zal voor Eurobic nog voldoende gelegenheid zijn om hier verder (inhoudelijk) verweer tegen te voeren.



3. Verzoeken van [gedaagde 1] tot rectificatie proces-verbaal en rectificatie van het tussenvonnis





3.1.
In de akte van 10 juni 2026 heeft mr. De Korte (in randnummer 2.5) namens [gedaagde 1] een opmerking gemaakt naar aanleiding van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 maart 2026. Dit is te laat. Niet valt in te zien waarom [gedaagde 1] deze opmerking niet had kunnen meenemen in de brief die mr. de Korte namens haar al op 16 april jl. aan de rechtbank heeft gestuurd en die onderdeel uitmaakt van het procesdossier tot en met het tussenvonnis (zie rechtsoverweging 2.1 daarvan). De nadere opmerking, die de rechtbank dus pas na het wijzen van het tussenvonnis heeft bereikt, zal daarom buiten beschouwing worden gelaten.



3.2.


[gedaagde 1] heeft daarbij ook verzocht om rectificatie van overweging 5.18 van het tussenvonnis. In ro 5.18 van het tussenvonnis staat: “Het vermogen van Esperaza stond namelijk tot het najaar van 2015 bij Deutsche Bank maar is in november 2015 – omdat Deutsche Bank, zonder opgave van reden, had aangegeven dat Esperaza binnen twee maanden moest vertrekken – overgeboekt naar de Portugese bank Eurobic”. Volgens [gedaagde 1] is dat onjuist en dient dat gerectificeerd te worden omdat [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat de weigering van [gedaagde 1] als klant door Deutsche Bank niets te maken heeft met [gedaagde 1] als persoon. De rechtbank had [gedaagde 1] in de gelegenheid moeten stellen om dit standpunt te bewijzen. De rechtbank heeft dat niet gedaan en [gedaagde 1] heeft deze onderbouwing nu bijgevoegd bij haar akte, als bijlage 1.
Terecht heeft Esperaza in haar reactie betoogd dat dit verzoek van [gedaagde 1] niet gebaseerd kan worden op artikel 31 of 32 Rv. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een kennelijke verschrijving in de zin van artikel 31 Rv dan wel van een vordering waarop de rechtbank verzuimd heeft te beslissen in de zin van artikel 32 Rv. Voorzover [gedaagde 1] de rechtbank met haar “rectificatieverzoek” heeft willen vragen om terug te komen van bindende eindbeslissingen, is gesteld noch gebleken dat van dergelijke eindbeslissingen sprake is in rechtsoverweging 5.18 van het tussenvonnis. Een verzoek tot ‘rectificatie van het vonnis’, wat daar ook van zij, kan evenmin gebruikt worden om stukken in het geding te brengen zonder dat die partij daartoe in de gelegenheid is gesteld. De bij deze brief meegestuurde bijlage 1 zal dus worden geweigerd. Indien [gedaagde 1] zich in dit geding op die e-mail wenst te beroepen, zal zij die bij conclusie van antwoord in het geding kunnen brengen.




3.3.

[gedaagde 1] heeft in haar akte (randnummer 2.6) verder verzocht om rechtsoverweging 5.37 van het tussenvonnis te rectificeren. Hierin staat dat het eindverslag van de onderzoeker in de Exem-enquête “mogelijk van invloed kan zijn op deze zaak”. Volgens [gedaagde 1] is dat echter een zekerheid, zij stelt dat alle partijen het erover eens zijn dat het eindverslag relevant zal zijn. Rechtsoverweging 5.37 is echter een oordeel van de rechtbank en geen weergave van partijstandpunten, zodat deze overweging zich – nog los van de vraag naar de juridische grondslag van het verzoek – reeds hierom niet voor “rectificatie” leent. Ook hier geldt dat indien [gedaagde 1] de rechtbank heeft willen vragen om terug te komen van bindende eindbeslissingen, dat gesteld noch gebleken is dat van dergelijke eindbeslissingen in rechtsoverweging 5.37 sprake is.





4Verzoek van [gedaagde 1] tot tussentijds hoger beroep


4.1.
Een groot deel van het verzoek van [gedaagde 1] tot het openstellen van tussentijds hoger beroep is gebaseerd op stellingen met betrekking tot de kwestie rondom de gestelde erven van [naam 1] ( [gedaagde 1] als gesteld erfgenaam en [gedaagde 1] kinderen als gestelde erfgenamen). Nu Esperaza ten aanzien van de gestelde erfgenamen afstand van instantie heeft gedaan, vervalt daarmee het belang tot het openstellen van tussentijds hoger beroep op deze gronden.



4.2.
Voor het overige is het een herhaald verzoek tot het openstellen van tussentijds hoger beroep. In het kader van de incidenten en de aktes over het toepasselijk recht hebben diverse partijen dit al meerdere malen op dezelfde gronden verzocht. Die verzoeken zijn steeds afgewezen ,omdat (samengevat) de door partijen aangevoerde omstandigheden niet opwegen tegen het belang van voortvarend doorprocederen en het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding (zie tussenvonnis r.o. 5.38-5.40 en het vonnis in incident van 18 december 2024 r.o. 6.68-6.70). [gedaagde 1] heeft in dit geval geen omstandigheden aangevoerd die deze eerdere afwegingen nu anders maken en dus zal het verzoek tot het tussentijds openstellen van hoger beroep worden afgewezen.



5. Verzoek van [gedaagde 1] tot aanhouding procedure en/of bevel tot overlegging eindverslag Exem-enquête





5.1.

[gedaagde 1] heeft verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van het eindverslag in de Exem-enquête en de relevante partijen te bevelen om het eindverslag van de Exem-onderzoeker in het geding te brengen zodra hij dit aan de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft verstrekt. De partijen die dit betreft zijn volgens [gedaagde 1] in ieder geval, Esperaza, [gedaagde 1] , TCA, [gedaagde 11] , [gedaagde 12] , Terra Peregrin en Sonangol.



5.2.
Artikel 22 Rv geeft de rechter een (discretionaire) bevoegdheid om partijen – in elke stand van de procedure – te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bescheiden over te leggen.



5.3.
De rechtbank ziet in dit stadium van het geding geen aanleiding om partijen te bevelen het genoemde eindverslag over te leggen. Dit bevel ex artikel 22 Rv zou zich overigens ook niet verhouden tot artikel 2:353 lid 2 en lid 3 BW. In lid 2 is bepaald dat de advocaat-generaal bij het ressortsparket, de rechtspersoon, alsmede de verzoekers en hun advocaten, een exemplaar van het verslag ontvangen en dat de Ondernemingskamer kan bepalen dat het verslag voorts geheel of gedeeltelijk ter inzage ligt voor de door haar aan te wijzen andere personen of voor een ieder. Verder is in lid 3 bepaald dat “het aan anderen dan de rechtspersoon verboden is mededelingen aan derden te doen uit het verslag, voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt, tenzij zij daartoe op hun verzoek “door de voorzitter van de ondernemingskamer zijn gemachtigd.” De rechtspersoon waarop het onderzoek ziet is Exem en de verzoekers zijn haar curatoren. De onderhavige partijen kunnen niet worden verplicht tot een handeling die de wet hen verbiedt. Over het gebruik van het eindverslag door Esperaza en/of gedaagde(n) in deze procedure gaat de voorzitter van de Ondernemingskamer en niet deze rechtbank.



5.4.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis beslist dat zij op dat moment geen aanleiding zag om deze procedure aan te houden, in afwachting van de uitkomst van de Exem-enquête/het eindrapport van de onderzoeker.



5.5.
Inmiddels is er echter meer zicht op de termijn waarbinnen het (eind)rapport te verwachten is. Uit de e-mail van mr. De Korte van 16 juli jl. volgt dat het concept-rapport van de onderzoeker gereed is en belanghebbenden tot 16 september 2026 de mogelijkheid hebben om hun commentaar in te dienen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de procedure in zoverre aan te houden dat gedaagden een langere termijn wordt verleend voor de hun conclusies van antwoord, zoals hierna wordt toegelicht.





6Vervolg procedure


6.1.
De zaak staat nu op de rol van 2 september 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord (zie tussenvonnis 5.42-5.43). Mr. De Korte heeft namens [gedaagde 1] in zijn e-mail van 17 juli 2026 verzocht, indien de verzoeken tot aanhouding worden afgewezen, de termijn voor het nemen van de conclusie van antwoord te verlengen. Mr. Drop heeft zich namens Esperaza tegen verlenging van die termijn verzet. De rechtbank ziet in de voortgang van het (concept-)rapport in de Exem-enquête aanleiding om de termijn te verlengen tot 2 december 2026. Nu gedaagden te kennen hebben gegeven op de bevindingen van de onderzoeker zoals opgenomen in dit rapport een beroep te willen doen in deze procedure, is het efficiënter indien zij dit bij conclusie van antwoord kunnen doen dan bij een daaropvolgende akte. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat dit niet betekent dat zij deze termijn opnieuw zal verlengen als het eindrapport niet voor deze datum is verschenen. Zij zal in voorkomend geval steeds opnieuw moeten afwegen of de beginselen van een goede procesorde en het belang van een efficiënte procesvoering meebrengen dat verder uitstel wordt toegestaan.



6.2.
Alle partijen zullen worden gevraagd op de roldatum van 2 december 2026 eveneens hun verhinderdata door te geven zodat de inhoudelijke mondelinge behandeling kan worden bepaald.



6.3.
De rechtbank verzoekt partijen om overige ontwikkelingen en eventuele nadere verzoeken aan de rechtbank niet tussentijds in te dienen, maar zoveel mogelijk mee te nemen in hun conclusie van antwoord.



6.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.






7De beslissing


De rechtbank



7.1.
bepaalt dat in randnummer 5.10 van het op 29 april 2026 tussen partijen gewezen vonnis, waar staat


“dat dit geld vanaf haar Kaapverdische bankrekening bij BBCV is overgemaakt naar Terra Peregrin”



wordt gewijzigd in



“dat dit geld vanaf haar Kaapverdische bankrekening bij BBCV is overgemaakt naar Exem”,




7.2.
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 29 juli 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 29 april 2026,



7.3.
verzoekt de partij die de grosse heeft ontvangen, voor zover zij dit niet al heeft gedaan, de ontvangen grosse van het vonnis van 29 april na ontvangst van dit verbetervonnis aan de griffie van de rechtbank terug te sturen,



7.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 2 december 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord voor gedaagden: [gedaagde 1] , [gedaagde 12] , Terra Peregrin, [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , Uría, [gedaagde 8] , Eurobic, BBCV en [gedaagde 15] – en TCA en [gedaagde 11] voor zover zij hun conclusie van antwoord willen aanvullen – over wat is vermeld onder r.o. 5.42 van het tussenvonnis,



7.5.
bepaalt dat alle partijen op de rol van woensdag 2 december 2026 hun verhinderdata moeten doorgeven voor het tweede kwartaal van 2027 (april, mei en juni),



7.6.
wijst de overige verzoeken van partijen af.



Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, mr. F.L. Bolkestein en mr. R.P.F. de Groot, rechters, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026, bij afwezigheid van de voorzitter, ondertekend door mr. R.P.F. de Groot.