Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9116

2026-08-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/13/790426
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/790426
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Minderjarige kampt met psychische- en mogelijk middelenproblematiek. Wachtlijst voor passende hulpverlening. Nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Betrokkenheid GI blijft noodzakelijk door de ernst van de psychische problematiek en de daartoe noodzakelijke deskundigheid.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.347 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Familie- en Jeugdrecht



Zaaknummer: C/13/790426 / JE RK 26-562
Datum uitspraak: 6 augustus 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juli 2026;


het gezinsplan, ontvangen op 23 juli 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- mevrouw [naam] namens de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek om haar mening te kunnen geven. [minderjarige] is op dat gesprek niet verschenen.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] verbleef tot maart 2026 bij Levvel. Vanaf maart 2026 verblijft [minderjarige] bij haar moeder.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 augustus 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 12 augustus 2025 tot 12 augustus 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 12 augustus 2025 tot 12 februari 2026. Bij beschikking van 24 november 2025 is een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 november 2025 tot 12 februari 2026. Bij beschikking van 9 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengt tot 12 april 2026 onder aanhouding van het overige deel van het verzoek, welk deel op verzoek van de GI vervolgens is afgewezen op 8 april 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De GI is van mening dat de verlenging van een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Er is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en de doelen van de ondertoezichtstelling zijn niet of onvoldoende behaald. [minderjarige] heeft nog steeds last van paniekaanvallen (hoofdbonken, verwarde uitspraken, huilen). Sinds [minderjarige] weer bij haar moeder woont wordt gezien dat dit soms goed gaat maar lang niet altijd. [minderjarige] kan haar gedrag tactisch kan inzetten om te voorkomen dat moeder handelt in bepaalde situaties. Haar gedrag is niet alleen pubergedrag; het lijkt aannemelijk dat er meer onder zit. Ook heeft de GI nog steeds zorgen over [minderjarige] haar dag- en vrijetijdsbesteding en het netwerk waarin zij zich begeeft. [minderjarige] geeft de GI en Levvel (nog) geen inzage in haar netwerk, waardoor er geen inschatting gemaakt kan worden in welke mate dit netwerk steunend voor [minderjarige] is. [minderjarige] is erg wantrouwend richting hulpverlening, waardoor deze niet goed van de grond komt. Ondanks de inzet van MST is de aard van de problematiek nog niet bekend, is er nog geen uitsluitsel over middelengebruik en is de haalbaarheid met betrekking tot het hervatten van school een vraagstuk. Daarnaast is MST nog niet bezig geweest met hulp in de relatie tussen vader en [minderjarige] , terwijl het wel belangrijk is dat hieraan gewerkt wordt. Met de moeder wordt gekeken op welke manier het eigen netwerk ondersteuning kan bieden (Eigen Plan). Dat is nodig om ervoor te zorgen dat de moeder onder de veeleisende omstandigheden op de been blijft. Verder is de GI op zoek naar een vaste hulpverlener waar [minderjarige] een vertrouwensrelatie mee op kan bouwen, zodat de hulpverlening weer ingezet kan worden. Mogelijk kan het FACT-team van Arkin passende hulp bieden, hoewel zij een wachtlijst van minimaal twee maanden hebben op dit moment.



4.2.
De moeder is het eens met het verzoek. De moeder maakt zich grote zorgen om [minderjarige] . [minderjarige] loopt vast, heeft geen vertrouwen in de hulpverlening en raakt meer en meer beschadigd. De hulpverlening vanuit de systeemtherapeut van MST is niet voldoende, [minderjarige] heeft één-op-één begeleiding nodig.






5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.2.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] kampt al lange tijd met psychische klachten, heeft last van paniekaanvallen en lijkt het vertrouwen in hulpverlening te zijn verloren. Daarnaast zijn de zorgen over mogelijk middelengebruik en het netwerk waarin [minderjarige] zich bevindt nog altijd aanwezig. Ook gaat [minderjarige] niet naar school en zijn de zorgen over haar dag- en vrijetijdsbesteding onvoldoende afgenomen. De inzet van systeemtherapie van MST heeft, ondanks de meewerkende houding van de moeder, niet tot verbetering geleid en is gestagneerd. [minderjarige] lijkt dusdanig beschadigd door haar persoonlijke problematiek en ervaringen met hulpverlening in het verleden dat zij geen gesprekken met de hulpverlening kan voeren. Het is van belang dat [minderjarige] een vertrouwensrelatie kan opbouwen met de hulpverlening, zodat zij daadwerkelijk kan profiteren van de geboden hulp. Gelet op de ernst van de zorgen, de psychische problematiek en de deskundigheid die naar verwachting nodig zal zijn om passende hulp in te zetten is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van de GI noodzakelijk blijft.
In het kader van de ondertoezichtstelling dient ook blijvende aandacht te zijn voor de impact op moeder en haar draagkracht. Met behulp van Eigen Plan wordt momenteel ingezet op ondersteuning vanuit het eigen netwerk. De kinderrechter onderschrijft het belang daarvan.




5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.



5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 12 augustus 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026 door mr. J.W.B. Snijders Blok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.F.J. Kortekaas als griffier, en op schrift gesteld op 12 augustus 2026.















































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.