Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9099

2026-09-10 Strafrecht; Internationaal strafrecht 13/225849-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13/225849-23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Uitleveringsverzoek uit Turkije. Uitlevering deels toelaatbaar verklaard en deels ontoelaatbaar verklaard wegens verjaring.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.151 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM,


INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER




Parketnummer: 13/225849-23




Datum uitspraak: 10 september 2026






UITSPRAAK





op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet (UW) van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 25 oktober 2023, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van de autoriteiten van de Republiek Turkije van 8 juni 2023 tot uitlevering van:





[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Turkije),
verblijvend op het adres [adres] ,



hierna te noemen de opgeëiste persoon.





1Procesverloop



Zitting van 27 november 2024




De rechtbank heeft op 27 november 2024 de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. Y.A. Samseij, waarnemend voor mr. E.G.S. Roethof, beiden advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.



De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst en de officier van justitie verzocht om, eventueel met tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid, aanvullende vragen aan de Turkse autoriteiten voor te leggen.




Zitting van 9 december 2025




De rechtbank heeft met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling op 9 december 2025 de behandeling van het uitleveringsverzoek voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip van de schorsing op 27 november 2024. De rechtbank heeft de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. Y.A. Samseij, waarnemend voor mr. E.G.S. Roethof, en de officier van justitie, mr. A. Keulers, ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.



De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing ervan.




Tussenuitspraak van 23 december 2025

Bij tussenuitspraak van 23 december 2025 is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om aanvullende vragen te stellen omtrent de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498.




Zitting van 27 augustus 2026

De behandeling van het uitleveringsverzoek is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat op de zitting van 27 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman E.G.S. Roethof. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.





2Identiteit van de opgeëiste persoon



De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat bovengenoemde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Turkse nationaliteit heeft.





3Tussenuitspraak 23 december 2025


De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 23 december 2025 reeds is geoordeeld over de grondslag van het uitleveringsverzoek, de genoegzaamheid van de stukken, de dubbele strafbaarheid van de feiten, het onschuldverweer, de politieke aard van de strafbare feiten, de Turkse detentieomstandigheden zoals bedoeld in artikel 3 EVRM en het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 3 Aanvullende Protocol en artikel 5 UW ten aanzien van het (gevoegde) vonnis met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445.



De rechtbank heeft in voornoemde tussenuitspraak wegens verjaring naar het recht van de verzoekende staat verder het voornemen opgenomen om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2006/152 en beslissingsnummer 2008/322 en het vonnis met documentnummer 2007/255 en beslissingsnummer 2008/767. Ten aanzien van het (gevoegde) vonnis met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445 heeft de rechtbank het voornemen opgenomen om de uitlevering toelaatbaar te verklaren, omdat aan alle daarvoor in de wet en de toepasselijke verdragen gestelde eisen is voldaan.



Hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.





4Recht op een eerlijk proces, artikel 3 Aanvullende Protocol en artikel 5 UW


4.1

Inleiding



De rechtbank verwijst allereerst naar de overwegingen zoals opgenomen onder rubriek 2.8. in de tussenuitspraak van 23 december 2025. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.



Naar aanleiding van de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen heeft the Clerk bij the Republic of Türkiye, Acipayam 1st Criminal Court of First Instance bij brief van 14 april 2026 het volgende medegedeeld:




“Pursuant to your referenced letter, upon examination of our Court’s file docket numbered 2014/156, it was understood that, with respect to the convict [de opgeëiste persoon] , the file docket numbered 2006/152 of the Acipayam Criminal Court of first Instance was recorded under docket number 2014/156 following the reversal decision of the Court of Cassation. In the proceedings conducted after the reversal decision in the file docket numbered 2014/156, the defense counsel of the accused [de opgeëiste persoon] , Attorney Esin Karckay, was present.


- At the 1st hearing session dated 03/06/2014, his defense could not be taken, and an arrest warrant was issued against the accused between the hearing sessions.


- At the 3rd hearing session dated 23/10/2014. with the interim decision No. 1, it was ruled that '‘since the reversal decision is in favor of the accused, and since the letter rogatory issued for the accused [de opgeëiste persoon] yielded a negative result, pursuant Article 307/2 of the Criminal Procedure Code, the determination of his statement is not deemed mandatory in terms of the file; therefore, it shall be requested that the arrest warrant be returned without execution.'' and since the return of the arrest warrant without execution was requested, his defense could not be taken.


- It was understood that the accused was not present at the hearing on the merits, however, he benefited from the assistance of defense counsel.”





4.2


Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld – kort gezegd – dat de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen, niet zijn beantwoord. Niet is gebleken welke instantie als laatste heeft geoordeeld over de schuldvraag en de hoogte van de straf ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498. Ook is niet gebleken of de opgeëiste persoon in die procedure daadwerkelijk gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. Zo is onbekend gebleven of de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een raadsman die was gemachtigd en kan ook anderszins niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon van de procedure op de hoogte is geweest en vervolgens bewust de keuze heeft gemaakt geen gebruik te maken van zijn verdedigingsrechten. De behandeling van de zaak moet daarom worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen, dan wel moet de uitlevering ten aanzien van dit vonnis ontoelaatbaar worden verklaard.




4.3


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering toelaatbaar kan worden verklaard, omdat ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498 de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om de verdediging te voeren.
Na terugverwijzing door de cassatierechter is niet meer over schuld en straf beslist, maar enkel over de civiele vordering. Voor het uitoefenen van de verdedigingsrechten moet daarom worden gekeken naar de informatie die zich reeds in het dossier bevindt, namelijk naar de informatie over het vonnis van de Criminal Court of First Instance of Acipayam van 28 oktober 2008 met documentnummer 2006/152 en beslissingsnummer 2008/322. In dit vonnis is namelijk beslist over de feiten 4 tot en met 7. Op grond van de informatie die zich hierover in het dossier bevindt, blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het voorlezen van het vonnis, maar de raadsman wel. In het vonnis in de Turkse taal staat het woord ‘vekili’ , wat blijkens een vertaling via Google ‘gemachtigde’ betekent. Verder blijkt dat de opgeëiste persoon in zijn defense submissions heeft verklaard dat hij alleen heeft gehandeld, waaruit blijkt dat hij zijn verdediging heeft gevoerd. Tot slot is in 2006 ook cassatie ingesteld door de verdediging, wat ook de uitoefening van een verdedigingsrecht betreft.




4.4


Het oordeel van de rechtbank


Vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498

De rechtbank moet op grond van artikel 3 van het Tweede Aanvullende protocol bij het EUV en artikel 5, derde lid, UW toetsen of bij het strafproces dat tot het bij verstek gewezen vonnis heeft geleid, de rechten van de verdediging in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen. De rechtbank ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld welke instantie als laatste heeft geoordeeld over de schuldvraag en de hoogte van de straf ten aanzien van het vonnis met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498.
Ondanks meerdere verzoeken om hierover duidelijkheid te verschaffen, kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen in welke procedure definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en aan hem een straf is opgelegd. Op de in het laatste verzoek om aanvullende informatie expliciet geformuleerde vraag om aan te geven welke instantie als laatste heeft geoordeeld over schuld en straf is geen antwoord gekomen. Gelet hierop zal de rechtbank beide procedures toetsen.




De procedure voorafgaand aan de terugverwijzing (documentnummer 2006/152 en beslissingsnummer 2008/322)

De rechtbank stelt vast dat de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een strafvonnis dat bij verstek is gewezen.



Om te bezien of bij het strafproces dat tot het bij verstek gewezen vonnis heeft geleid, de rechten van de verdediging in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen, moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval.



De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat de opgeëiste persoon voor deze zaak is aangehouden en meer dan twee maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Ook stelt rechtbank vast dat de opgeëiste persoon in deze zaak in zijn defense submissions heeft verklaard: “I accept the accusation against me. I committed that offence alone” en “I have no intention to deceive or mislead your court. I accept all the charges imputed against me”.
De rechtbank leidt hieruit af dat de opgeëiste persoon bekend is geworden met de beschuldiging tegen hem. Vervolgens is de opgeëiste persoon op enig moment ten overstaan van een rechter gehoord en heeft de opgeëiste persoon de aanklacht bekend. Verder is gebleken dat een advocaat namens hem aanwezig was bij de uitspraak, waarna cassatie is ingesteld.



Nu kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon een niet onaanzienlijke periode in voorarrest heeft gezeten en de opgeëiste persoon door een rechter is gehoord waarbij hij aan die rechter (‘your court’) een verklaring heeft gegeven waarin hij de feiten ook heeft bekend, is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van de beschuldiging tegen hem. Uit het voorgaande volgt verder dat hij ook op de hoogte moet zijn geweest van de tegen hem aanhangige strafprocedure. Het had dan ook op de weg van de opgeëiste persoon gelegen, om zich na zijn ontslag uit voorlopige hechtenis op de hoogte te houden van het verdere verloop van die procedure, nu hij ervan uit diende te gaan dat deze procedure op enig moment tot een rechterlijke beslissing zou leiden.




De procedure na terugverwijzing (documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498)

Ook ten aanzien van de procedure na terugverwijzing stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De rechtbank stelt op grond van het dossier en de aanvullende informatie van 14 april 2025 en 14 april 2026 vast dat de terugverwijzing door de cassatierechter tot stand is gekomen, nadat cassatie is ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon. Uit de aanvullende informatie blijkt dat in de procedure na terugverwijzing aan de opgeëiste persoon een ex officio advocaat is toegewezen en dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de toewijzing van deze advocaat. Ondanks dat de opgeëiste persoon ter zitting heeft verklaard geen kennis te hebben van een advocaat in deze procedure brengt het vertrouwensbeginsel met zich dat deze enkele ontkenning onvoldoende is om de mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit te weerleggen. Daarbij komt dat de rechtbank naar aanleiding van haar tussenuitspraak aanvullende informatie heeft ontvangen, waaruit kan worden afgeleid dat de raadsman die ex officio is toegewezen ook daadwerkelijk ter zitting – inhoudelijke behandeling – aanwezig is geweest na de terugverwijzing. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat hetgeen zij heeft overwogen over de procedure vóór de terugverwijzing eens temeer geldt voor de procedure na de terugverwijzing. Nu de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van de beschuldiging en de tegen hem aanhangige strafprocedure (vóór de terugverwijzing), lag het op zijn weg om zich op de hoogte te houden van het verdere verloop daarvan, te meer daar hij ook op de hoogte was van de toewijzing van een advocaat. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat de opgeëiste persoon effectief de mogelijkheid heeft gehad om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.
De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een strafvonnis dat bij verstek is gewezen naar aanleiding van een strafproces waarin de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen.
Er bestaat dan ook geen aanleiding voor opvragen van aanvullende informatie. De rechtbank wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman af en verwerpt het verweer strekkende tot ontoelaatbaarverklaring.




5. Detentieomstandigheden in Turkije en artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)





Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft – onder verwijzing naar in de pleitnota vermelde jurisprudentie, rapportages over de detentie-omstandigheden in Turkije en ter zitting getoonde foto’s van littekens bij de opgeëiste persoon – geconcludeerd dat ten aanzien van de opgeëiste persoon een reeds voltooide schending van artikel 3 EVRM heeft plaatsgevonden, zodat de opgeëiste persoon niet zou moeten worden uitgeleverd. Daarnaast levert de feitelijke uitlevering op basis van de geschetste detentieomstandigheden een zeer dreigende schending van artikel 3 EVRM op.
De raadsman heeft daarom verzocht de Minister te adviseren de feitelijke uitlevering niet toe te staan, indien daarvoor geen genoegzame garantie kan worden verkregen.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat door de raadsman geen nieuwe informatie of stukken zijn overgelegd die ertoe moeten leiden dat de rechtbank tot een ander oordeel moet komen over de Turkse detentieomstandigheden dan reeds in de tussenuitspraak is beslist.




Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwijst allereerst naar de overwegingen zoals opgenomen onder rubriek 2.7 in de tussenuitspraak van 23 december 2025. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.



De rechtbank is van oordeel dat de ter zitting getoonde foto’s geen aanleiding geven voor een andere conclusie dan zoals opgenomen in de tussenuitspraak van 23 december 2025. Niet is gebleken dat de getoonde littekens het gevolg zijn van de door de opgeëiste persoon gestelde mishandeling. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat sprake is van een reeds voltooide schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank is niet bevoegd om te oordelen over de aangevoerde dreigende schending van die bepaling.






6Slotsom



Toelaatbaar

Nu ten aanzien van



(gevoegd) vonnis van de 2nd Assize Court of Denizli van 24 november 2010 met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445, onherroepelijk geworden op 5 juni 2012 en


(gevoegd) vonnis van de Criminal Court of First Instance of Acipayam van 29 september 2015 met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498, onherroepelijk geworden op 20 februari 2018,




waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard voor de feiten zoals omschreven in die vonnissen.

Ontoelaatbaar

De rechtbank concludeert dat, nu ten aanzien van

- ( (gevoegd) vonnis van de Criminal Court of First Instance of Acipayam van 28 oktober 2008 met documentnummer 2006/152 en beslissingsnummer 2008/322, onherroepelijk geworden op 2 april 2014, voor zover betreffende de feiten zoals bedoeld in de aanvullende informatie van 24 juni 2024;
- vonnis van de Criminal Court of First Instance No. 2 of Denizli van 2 december 2008 met documentnummer 2007/255 en beslissingsnummer 2008/767, onherroepelijk geworden op 24 november 2015,


waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is bevonden dat wegens verjaring naar het recht van Turkije niet aan alle daarvoor in de Uitleveringswet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard.





7Toepasselijke wetsartikelen


De artikelen 47, 282, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 2 van de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 65, 9) en artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).





8Beslissing


Verklaart TOELAATBAAR de door Turkije verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 20 jaar, 23 maanden en 103 dagen, die is opgelegd een justified decision van 07 juni 2023 van de 1st office of judge of Execution of Denizli, documentnummer 2023/4440 en vonnisnummer 2023/4440, voorzover dit verzamelvonnis betrekking heeft op de feiten zoals omschreven in
 het vonnis van de 2nd Assize Court of Denizli van 24 november 2010 met documentnummer 2010/347 en beslissingsnummer 2010/445;onherroepelijk geworden op 5 juni 2012, en
 (gevoegd) vonnis van de Criminal Court of First Instance of Acipayam van 29 september 2015 met documentnummer 2014/156 en beslissingsnummer 2015/498, onherroepelijk geworden op 20 februari 2018.



Verklaart ONTOELAATBAAR de door Turkije verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 20 jaar, 23 maanden en 103 dagen, die is opgelegd een justified decision van 07 juni 2023 van de 1st office of judge of Execution of Denizli, documentnummer 2023/4440 en vonnisnummer 2023/4440, voorzover dit verzamelvonnis betrekking heeft op de feiten zoals omschreven in
 (gevoegd) vonnis van de Criminal Court of First Instance of Acipayam van 28 oktober 2008 met documentnummer 2006/152 en beslissingsnummer 2008/322, onherroepelijk geworden op 2 april 2014;
 vonnis van de Criminal Court of First Instance No. 2 of Denizli van 2 december 2008 met documentnummer 2007/255 en beslissingsnummer 2008/767, onherroepelijk geworden op 24 november 2015.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september 2026.





















Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.




Rechtbank Amsterdam 23 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10443


Zie de tussenuitspraak van 23 december 2025, r.o. 2.4.