Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9085

2026-09-03 Strafrecht 1329099225
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
1329099225
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vernielen en beschadigen van meerdere auto’s. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan weerspannigheid door zich met geweld tegen politieagenten te verzetten en aan de belediging van twee politieagenten en een conducteur van het GVB. Mede gelet op het strafblad van verdachte, acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering en met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden. De rechtbank legt daarnaast als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38v van het Wetboek van Strafrecht ook een locatieverbod voor de duur van zes maanden op.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (46.990 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummers: 13-290992-25 (zaak A), 13-030724-26 (zaak B), 13-053746-26 (zaak C), 13-062929-26 (zaak D), 13-088969-26 (zaak E) (ter terechtzitting gevoegd)Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13-022007-24 en 13-268306-23



Datum uitspraak: 3 september 2026



Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen: verdachte.





1Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 20 augustus 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.W.J. van Galen, advocaat in Amsterdam, naar voren hebben gebracht.



Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van
de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] .



De rechtbank heeft op de eerdere politierechterzitting van 28 april 2026 de zaken, die bij
afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 13-290992-25, 13-030724-26, 13-053746-26, 13-062929-26 en 13-088969-26 zijn aangebracht, gevoegd en verwezen naar de terechtzitting van de meervoudige kamer. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C, zaak D en zaak E aangeduid.





2Tenlastelegging
Aan verdachte is, samengevat, ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:



Zaak A:




1. vernieling van autobanden die aan [slachtoffer 1] toebehoren op 22 maart 2025;




Zaak B:






1vernieling van een auto die aan [slachtoffer 2] toebehoort op 2 september 2025;

2. vernieling van een auto die aan [benadeelde partij 1] toebehoort op 2 september 2025;

3. vernieling van een auto die aan [benadeelde partij 2] toebehoort op 5 september 2025;



Zaak C:



1. belediging van politieagenten op 22 februari 2026;

2. zich met geweld verzetten tegen zijn aanhouding op 22 februari 2026;



Zaak D:



1. vernieling van een auto die aan [benadeelde partij 3] toebehoort op 1 maart 2026;



Zaak E:



1. belediging van [slachtoffer 3] op 24 februari 2026.


De volledige tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.





3Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 in zaak B tenlastegelegde feiten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat voor een bewezenverklaring gebruik kan worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie.




3.2.

Het standpunt van de verdediging




Zaak A:




De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat de twee getuigen aanvankelijk een andere datum hebben genoemd waarop het tenlastegelegde zou hebben plaatsgevonden dan de datum die de aangever heeft genoemd.




Zaak B:





De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gebruik kan worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie, omdat het bekrassen van auto’s een veelvoorkomende vorm van vernieling is en daarom onvoldoende specifiek van aard is.
Ten aanzien van feit 1 en 2 heeft de raadsman verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat het procesdossier onvoldoende bewijs bevat.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de herkenning van verdachte op basis van de camerabeelden betrouwbaar is.




Zaak D:




De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat een bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet alleen kan worden gebaseerd op de verklaring van de aangever.




Zaak C en Zaak E:




De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.




3.3.

Het oordeel van de rechtbank




Zaak A:





Vernieling autobanden [slachtoffer 1]




heeft aangifte gedaan van vernieling van haar autobanden. Op 22 maart 2025 ziet de aangeefster dat haar autobanden lek zijn gestoken, nadat zij haar auto op 21 maart 2025 had geparkeerd op de [straatnaam 1] in Amsterdam. De aangeefster verklaart dat haar buren hebben gezien dat verdachte haar auto heeft vernield in de nacht van 21 maart 2025 op 22 maart 2025 omstreeks 02:00 uur. De buren van de aangeefster, [getuige 1] en [getuige 2] , zijn vervolgens op 24 maart 2025 en 22 mei 2025 als getuigen bij de politie verhoord. [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij op 23 maart 2025 een man hebben gezien, die met een voorwerp in zijn hand stekende bewegingen maakte richting de autobanden van een geparkeerde auto. De getuigen herkenden de man wegens eerdere incidenten. [getuige 1] heeft verklaard dat hij de man herkende als verdachte. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 21 van het dossier volgt dat de getuigen bij hun getuigenverklaring aanvankelijk een verkeerde datum hadden genoemd en dat het incident volgens de getuigen heeft plaatsgevonden op 22 maart 2025.



Aangezien de getuigenverklaringen, in het geval van [getuige 1] een aantal dagen en in het geval van [getuige 2] twee maanden, na het incident zijn opgenomen, overweegt de rechtbank dat het niet ondenkbaar is dat de getuigen aanvankelijk een verkeerde datum hebben genoemd. De politie heeft vervolgens navraag gedaan bij de getuigen en hieruit volgt dat het incident volgens de getuigen op 22 maart 2025 heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht het daarmee voldoende aannemelijk dat er aanvankelijk sprake is geweest van een vergissing, aangezien het gelet op de inhoud van de verklaringen wel aannemelijk is dat zij verklaren over hetzelfde incident waarvan aangifte is gedaan. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de autobanden van [slachtoffer 1] heeft vernield.




Zaak B:





Beschadiging auto [benadeelde partij 2] (feit 3)





[benadeelde partij 2] heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn auto. Hij verklaart dat op 5 september 2025 een man op de [straatnaam 2] in Amsterdam een kras heeft gezet op de zijkant van zijn auto. Op camerabeelden van het incident is te zien dat een man, met een voorwerp in zijn hand, langs de auto van de aangever loopt. Tijdens het passeren van de auto is daarbij een schurend geluid te horen. De aangever heeft de camerabeelden getoond aan een medewerker van HVO Querido, die de man op de camerabeelden herkende als verdachte. Deze medewerker herkende verdachte onder andere aan zijn manier van lopen en zijn haar. De man op de camerabeelden is daarnaast ook door een verbalisant herkend als verdachte. Ook de verbalisant herkende hem onder andere aan zijn loopje en zijn haar.



De rechtbank overweegt dat zowel de medewerker van HVO Querido als de verbalisant hebben verklaard waaraan zij de man op de camerabeelden hebben herkend. Uit de aard van de herkenningen, onder andere ten aanzien van het loopje van de man op de beelden in vergelijking met dat van verdachte, volgt dat beiden bewegende beelden hebben gezien. De medewerker van HVO Querido heeft bovendien verklaard dat hij verdachte wekelijks ziet en dat verdachte al minimaal een paar maanden bij HVO Querido komt. De verbalisant heeft in dit verband gerelateerd dat hij verdachte heeft gezien op het politiebureau nadat hij daar was ontboden. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de auto van [benadeelde partij 2] heeft beschadigd.




Vrijspraak beschadiging auto [slachtoffer 2] (feit 1) en beschadiging auto [benadeelde partij 1] (feit 2)




De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het beschadigen van de auto van [slachtoffer 2] en overweegt daartoe als volgt.




[slachtoffer 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat iemand zijn auto heeft bekrast tussen 27 augustus 2025 en 2 september 2025 op de [straatnaam 2] in Amsterdam. De politie heeft camerabeelden bekeken, waarop te zien is dat een man op 2 september 2025
door de [straatnaam 2] fietst. Het signalement van deze man komt volgens de politie sterk overeen met het signalement van de man die op de camerabeelden van 5 september 2025 te zien is. Deze man is herkend als verdachte. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen ten aanzien van feit 3. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij de persoon op de camerabeelden van 5 september 2025 herkende als de persoon die hij in de nacht van 31 augustus 2025 op 1 september 2025 of in de nacht van 1 september 2025 op 2 september 2025, dat weet hij niet meer precies, langs zijn auto heeft zien lopen die hij de volgende ochtend met schade aantrof.



De rechtbank overweegt dat er op de camerabeelden van 2 september 2025 enkel een man is te zien die door de straat fietst en dat er geen camerabeelden zijn waarop te zien is dat de auto van [slachtoffer 2] wordt beschadigd of dat een man langs de auto van [slachtoffer 2] loopt, zoals hij verklaart. Daarbij is de rechtbank is van oordeel dat de herkenning door [slachtoffer 2] op basis van de camerabeelden van 5 september 2025 onvoldoende concreet is, aangezien het onduidelijk is waaraan [slachtoffer 2] verdachte zou hebben herkend. Ten slotte is onvoldoende duidelijk of de man die [slachtoffer 2] bij zijn auto heeft gezien ook degene is die zijn auto heeft beschadigd.



De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het beschadigen van de auto van [benadeelde partij 1] en overweegt daartoe als volgt.




[benadeelde partij 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat zijn auto is bekrast tussen 1 september 2025 en 2 september 2025 op de [straatnaam 2] in Amsterdam. De politie heeft camerabeelden bekeken waarop te zien is dat een man op 2 september 2025 door de [straatnaam 2] fietst. Het signalement van deze man komt volgens de politie sterk overeen met het signalement van de man die op de camerabeelden van 5 september 2025 te zien is. Deze man is herkend als verdachte. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van feit 3.



De rechtbank overweegt dat er op de camerabeelden van 2 september 2025 alleen een man is te zien die door de straat fietst en dat er geen camerabeelden zijn waarop te zien is dat de auto van [benadeelde partij 1] wordt beschadigd. Dat er een man door een straat fietst in dezelfde nacht als waarin een auto in die straat wordt vernield en dat deze man sterk lijkt op verdachte, is onvoldoende om te bewijzen dat verdachte deze vernieling heeft gepleegd.



Ten aanzien van beide feiten geldt dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het gebruik van een schakelbewijsconstructie. Voor het gebruik van schakelbewijs is ten minste vereist dat de wijze waarop de strafbare feiten zijn begaan (de modus operandi) op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont. De rechtbank is van oordeel dat de modus operandi van feit 3, namelijk het ’s nachts bekrassen van een auto in een bepaalde straat, niet kan dienen als schakelbewijs ten aanzien van feit 1 en 2, omdat de modus operandi in dit geval onvoldoende specifiek en onderscheidend is. Het ’s nachts bekrassen van auto’s is immers een dermate veelvoorkomende vorm van beschadiging in Amsterdam, dat ook beschadigingen binnen een tijdsbestek van enkele dagen in een bepaalde straat niet zonder meer op één en dezelfde dader wijzen.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.




Zaak D:





Beschadiging auto [benadeelde partij 3]




heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn auto. Op 1 maart 2026 ziet de aangever aan de [straatnaam 1] in Amsterdam dat een man krassen maakt aan de linker- en rechterzijde van zijn auto. De politie komt meteen ter plaatse en ziet bij de aangever een man staan die voldoet aan het door de aangever opgegeven signalement van de dader. Deze man blijkt verdachte te zijn. De politie ziet vervolgens op de auto van de aangever meerdere verse krassporen.



De rechtbank overweegt dat de aangifte van [benadeelde partij 3] wordt ondersteund door de bevindingen van de politie ter plaatse en dat er daarom sprake is van meer dan één bewijsmiddel. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de auto van [benadeelde partij 3] heeft beschadigd.




Zaak C: Belediging ambtenaar (feit 1) en wederspannigheid (feit 2) en zaak E: Belediging




De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte op de zitting bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.



Omdat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft bekend en de raadsman hiervoor geen
vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van
Strafvordering, voor deze bewezenverklaarde feiten met de in de bijlage 2 genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.






4Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte




ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde:




op 22 maart 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk autobanden, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden heeft vernield;




ten aanzien van het onder 3 in zaak B tenlastegelegde:




op 5 september 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan [benadeelde partij 2] toebehoorde heeft beschadigd;




ten aanzien van het onder 1 in zaak C tenlastegelegde:




op 22 februari 2026 te Amsterdam opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten hoofdagenten [agent 1] en [agent 2] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in diens tegenwoordigheid meermalen mondeling heeft toegevoegd de woorden “kanker homo” en “vuile flikkers” en “flikkertjes zijn jullie” en “vuil Hollands kanker flikkertje”;




ten aanzien van het onder 2 in zaak C tenlastegelegde:




op 22 februari 2026 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen de ambtenaren, [agent 1] , agent van politie, [agent 2] , hoofdagent van politie, [agent 3] , hoofdagent van politie en [agent 4] , agent van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten een aanhouding op grond van APV, artikel 2.2, doordat hij, verdachte, met veel kracht meermalen zijn armen uit de greep van die ambtenaren heeft getrokken en met kracht meermalen zijn bovenlichaam heeft bewogen in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden en te brengen ten einde het boeien van zijn handen te voorkomen;




ten aanzien van het in zaak D tenlastegelegde:




op 1 maart 2026 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] ), die aan [benadeelde partij 3] toebehoorde heeft beschadigd;




ten aanzien van het in zaak E tenlastegelegde:




op 24 februari 2026 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 3] , in zijn tegenwoordigheid, mondeling en door feitelijkheden, heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “homo”, “flikker”, “kankerhoer” en “kankerhomo” en door meermalen in zijn richting te spugen.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank
deze verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.





5De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, omdat uit het reclasseringsadvies van 6 augustus 2026 blijkt dat de vele overlastmeldingen, die hebben plaatsgevonden rondom de woning van de moeder van verdachte, het gevolg lijken te zijn geweest van gebrek aan slaapplekken, gebruik van harddrugs en daarmee gepaard gaande psychische ontregeling.
De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Verdachte is dan ook strafbaar.





7Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, wordt opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie als
vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een
locatieverbod gevorderd voor de duur van zes maanden voor de [straatnaam 1] , [straatnaam 3] , de [straatnaam 4] , [straatnaam 5] , voor zo ver gelegen tussen [straatnaam 3] en de [straatnaam 4] , en de Roosje Vosstraat, eveneens voor zover gelegen tussen [straatnaam 3] en [straatnaam 4] . De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.




7.2.

Het standpunt van de verdediging



De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen.




7.3.

Het oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.




Ernst van de feiten




Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vernielen en beschadigen van meerdere auto’s. Daarmee heeft verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van anderen. Dit zijn hinderlijk en ergerlijke feiten, die materiële schade hebben veroorzaakt voor de aangevers. Een deel van de vernielingen heeft plaatsgevonden in de straat waar de moeder van verdachte woont, namelijk aan de [straatnaam 1] in Amsterdam. Verdachte heeft al vaker voor overlast in de buurt van zijn moeder gezorgd, waarbij buurtbewoners slachtoffer zijn geworden.



Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich met geweld tegen politieagenten te verzetten. Dit handelen getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieagenten wordt gediend. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan de belediging van twee politieagenten en een conducteur van het GVB. Verdachte heeft hiermee het gezag van de politieagenten en de conducteur ondermijnd, en hen in hun eer en goede naam aangetast door kwetsende woorden te gebruiken.




Persoon van de verdachte




De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 18 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vernieling en belediging.



De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 6 augustus 2026.
Uit dit advies blijkt dat verdachte uitgebreid bekend is bij de reclassering en bij de Gemeente Amsterdam valt onder de aanpak ‘Personen met Onbegrepen en Onveilig Gedrag’. Hij is sinds april 2025 in zorg bij GGZ inGeest en wegens de vele zorgmeldingen is er aan hem een zorgmachtiging opgelegd. Verdachte heeft in april 2026 een laatste kans van de reclassering gekregen om tot gedragsverandering te komen in een ambulant kader. Verdachte houdt zich sindsdien aan de bijzondere voorwaarden en vertoont een psychisch stabiel toestandsbeeld. Verdachte is al acht jaar dakloos, ondanks de inspanningen vanuit de hulpverlening om hem te begeleiden en in een maatschappelijke opvang te plaatsen. Het recidiverisico wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Door de reclassering wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, aflossen van schulden en beheersing van het middelengebruik. De rechtbank zal dit advies van de reclassering overnemen.




Op te leggen straf




Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van
de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank houdt daarnaast bij de straftoemeting rekening met hetgeen bepaald is in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank vindt het strafverzwarend dat uit het strafblad blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ten tijde van het plegen van dit feit liep verdachte bovendien in meerdere proeftijden. Deze omstandigheid heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering en met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden.




38v-maatregel




De rechtbank legt als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38v van het Wetboek van
Strafrecht ook een locatieverbod voor de duur van zes maanden op, waarbij verdachte zich niet op de [straatnaam 1] in Amsterdam mag bevinden. De rechtbank acht de oplegging van een locatieverbod noodzakelijk, gelet op het feit dat verdachte meerdere auto’s heeft vernield en/of beschadigd op de [straatnaam 1] in Amsterdam en uit het reclasseringsrapport volgt dat verdachte vaker overlast heeft veroorzaakt in de buurt waar zijn moeder woont. Met de oplegging van deze maatregel wordt het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit ingeperkt. De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden. De rechtbank zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens de buurtbewoners.






8De vorderingen van de benadeelde partijen

8.1.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]



Aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, zal de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.




8.2.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en de schadevergoedingsmaatregel



De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een materiële-schadevergoeding van € 5.990,49,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit de volgende posten:

a. het herstellen van de schade aan de auto (€ 3.590,49);
b. het verlies van inkomen van drie dagen (€ 2.400,-).


8.2.1.

Het standpunt van de verdediging



De raadsman heeft primair verzocht deze benadeelde partij in zijn schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren wegens de verzochte vrijspraak. De raadsman heeft subsidiair verzocht deze benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering ten aanzien van het gevorderde inkomensverlies.




8.2.2.

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft verzocht om de materiële-schadevergoeding in zijn geheel toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




8.2.3.

Het oordeel van de rechtbank



De kosten onder a. van € 3.590,49,- zijn voldoende onderbouwd, niet inhoudelijkbetwist en worden daarom toegewezen.



Ten aanzien van de kosten onder b. van € 2.400,- overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de tijd die deze benadeelde partij blijkens het dossier kwijt is geweest als gevolg van de beschadiging van zijn auto, is de rechtbank van oordeel dat deze benadeelde partij aanspraak kan maken op een vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Verdachte heeft de vordering betwist. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier kan worden aangenomen dat de benadeelde partij hier minstens vier uur aan kwijt is geweest. Deze benadeelde partij heeft deze schade onbetwist begroot aan de hand van zijn uurtarief van € 100,-. Aangezien dit tarief de rechtbank niet ongegrond of onredelijk voorkomt, zal de rechtbank een schadebedrag van € 400,- toewijzen. Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit meerdere in het licht van de betwisting onvoldoende is onderbouwd.



Concluderend wordt een bedrag van € 3.990,49 toegewezen, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf 5 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.



Daarnaast zal de rechtbank in het belang van deze benadeelde partij als extra waarborg voor
betaling aan hem de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte
opleggen.





8.3.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] en de schadevergoedingsmaatregel



De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een totaalbedrag van € 2.543,48, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bestaande uit een immateriële-schadevergoeding van € 500,- en een materiële-schadevergoeding van € 2.043,48. De materiële schade bestaat uit de volgende posten:

a. arbeidsloon (€ 370,50);
b. spuitwerkzaamheden (€ 1.637,10);
c. toe- en afslagen (€ 35,88).


8.3.1.

Het standpunt van de verdediging



De raadsman heeft primair verzocht deze benadeelde partij in zijn schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren wegens de verzochte vrijspraak. De raadsman heeft subsidiair verzocht om aansluiting te zoeken bij het standpunt van de officier van justitie.




8.3.2.

Het standpunt van de officier van justitie



Ten aanzien van de materiële-schadevergoeding heeft de officier van justitie verzocht om de vordering ten aanzien van de spuitwerkzaamheden, te weten € 1.637,10, toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien de overige materiële-schadeposten dient deze benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële-schadevergoeding heeft de officier van justitie verzocht om deze benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren.




8.3.3.

Het oordeel van de rechtbank




Materieel




De kosten zijn voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank wijst de gevorderde materiële-schadevergoeding daarom in zijn geheel toe.

Immaterieel




Aangezien deze benadeelde partij zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade onvoldoende heeft onderbouwd en deze gemotiveerd is betwist, zal de rechtbank deze benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren.



Concluderend wordt een bedrag van € 2.043,48 toegewezen, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.



Daarnaast zal de rechtbank in het belang van deze benadeelde partij als extra waarborg voor
betaling aan hem de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte
opleggen.







9De vorderingen tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling
Ten aanzien van 13-022007-24:


Bij de stukken bevindt zich de vordering van 17 februari 2026 van de officier van justitie in
het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-022007-24, betreffende
het onherroepelijk geworden vonnis van 31 januari 2024 van de rechtbank Amsterdam,
waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen dagen met bevel dat van deze straf een gedeelte, te weten zeven dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.



Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.




Ten aanzien van 13-268306-23:




Bij de stukken bevindt zich de vordering van 17 februari 2026 van de officier van justitie in
het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-268306-23, betreffende
het onherroepelijk geworden vonnis van 16 oktober 2023 van de rechtbank Amsterdam,
waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen met bevel dat van deze straf een gedeelte, te weten zeven dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.



Bij de stukken zit ook een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel
366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.



9.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



Ter terechtzitting heeft de officier van justitie toewijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging gevorderd.




9.2.

Het standpunt van de verdediging



De raadsman heeft verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging om te zetten in een taakstraf.




9.3.

Het oordeel van de rechtbank



De rechtbank overweegt dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan
strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit
vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke
strafdelen te bevelen. De rechtbank zal de straffen niet omzetten naar een taakstraf, omdat het naar het oordeel van de rechtbank – gelet op de instabiliteit op de belangrijkste leefgebieden – niet passend is om een taakstraf op te leggen.






10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 266, 267, 180 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.




11Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.


Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 in zaak B is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek

4 is vermeld.


Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is
bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde:





opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen





ten aanzien van het onder 3 in zaak B en in zaak D tenlastegelegde:





telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen





ten aanzien van het onder 1 in zaak C tenlastegelegde:





eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd





ten aanzien van het onder 2 in zaak C tenlastegelegde:





wederspannigheid, meermalen gepleegd





ten aanzien van het in zaak E tenlastegelegde:





eenvoudige belediging




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.



Bepaalt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf, niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.



Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.



De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.



De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de
hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.



Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:




Meldplicht bij reclassering

Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.




Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ inGeest of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zijn onderliggende psychische- en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de
reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.




Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er een beschikbare plek vrij komt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.




Dagbesteding

De veroordeelde spant zich (zodra de reclassering dit geïndiceerd acht) in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of een andere vorm van vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.




Aflossing schulden

De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.




Beheersing middelengebruik

Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.



Legt op de maatregel dat veroordeelde:


- zich voor de duur van 6 (zes) maanden niet zal ophouden op de [straatnaam 1] in Amsterdam.


Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.



Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de
opgelegde maatregel niet op.



Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde zich opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens de buurtbewoners, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.




Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.



Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.




Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een
bedrag van € 3.990,49 (drieduizend negenhonderd negentig euro en negenenveertig eurocent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 september 2025 tot aan de dag van de voldoening.



De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige
deel niet-ontvankelijk.



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.




Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van, [benadeelde partij 2] , aan de Staat € 3.990,49 (drieduizend negenhonderd negentig euro en negenenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 september 2025 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 19 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.




Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een
bedrag van € 2.043,48 (tweeduizend drieënveertig euro en achtenveertig eurocent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de voldoening.



De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige
deel niet-ontvankelijk.



Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.




Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van, [benadeelde partij 3] , aan de Staat € 2.043,48 (tweeduizend drieënveertig euro en achtenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.




Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (13/022007-24)

Gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 31 januari 2024 is opgelegd in de
zaak onder parketnummer 13/022007-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen.




Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (13/268306-23)

Gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 16 oktober 2023 is opgelegd in de
zaak onder parketnummer 13/268306-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen.








































Dit vonnis is gewezen door



mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. E. Biçer en M.P.N. Gommers , rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen en J.M. Gratama, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.













































[…]







Hoge Raad 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118.