Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:9068
2026-09-07
Civiel recht; Ondernemingsrecht
C/13/791298 / KG ZA 26-660
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het dossier geeft er blijk van dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen de bestuurders c.q. aandeelhouders of uitbreiding van de onderneming naar Duitsland op dit moment moet plaatsvinden. Beiden zijn niet lichtzinnig tot hun standpunt gekomen, maar zijn ook niet in staat gebleken de ander te overtuigen. Bij deze stand van zaken past terughoudendheid bij het ingrijpen van een (voorzieningen)rechter.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.717 tekens)
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/791298 / KG ZA 26-660 MK/GR
Vonnis in kort geding van 7 september 2026
in de zaak van
1
[eiser 1] B.V.,
te [vestigingsplaats],2. [eiser 2] ,
te [woonplaats],
eisende partijen bij dagvaarding van 11 augustus 2026,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2], en samen: [eisers],
advocaat: mr. H.L. van der Aa,
tegen
DEFKA HOLDING B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Defka,
advocaat: mr. G.T.J. Hoff.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 21 augustus 2026 hebben [eisers] de dagvaarding en de akte wijziging van eis toegelicht. Defka heeft verweer gevoerd aan de hand van een pleitnota. [eisers] hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Beide partijen hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
1.2.
Ter zitting was namens Defka mevrouw [naam 1] (DGA; hierna: [naam 1]) aanwezig met haar partner, de heer [naam 2], en met mr. Hoff. Namens [eisers] was [eiser 2] (ook DGA van [eiser 1]) aanwezig met mr. Van der Aa.
1.3.
Na verder debat is vonnis bepaald op 4 september 2026. Het wijzen van het vonnis is nadien uitgesteld tot 7 september 2026.
2De feiten
2.1.
Partnerboost B.V. (hierna: PB) is opgericht op 15 februari 2024 en houdt zich bezig met het verbeteren van de samenwerking tussen Microsoft en andere bedrijven en hoe die bedrijven hun winstgevendheid kunnen vergroten. Dit doet PB door een ‘Partnership Health Scan’ op te stellen, onder andere met behulp van een assessment en interviews. PB werkt daarbij op basis van een subscriptie model: klanten betalen periodiek op basis van een abonnement.
2.2.
[eiser 1] en Defka zijn ieder voor 50% aandeelhouder van PB en beiden ook bestuurder. [eiser 2] en [naam 1] zijn DGA van [eiser 1] respectievelijk Defka. Artikel 19 lid 2 van de statuten van PB bepaalt dat alle besluiten van het bestuur worden genomen “met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.” Artikel 29 lid 9 van de statuten bepaalt “voor zover de wet of deze statuten geen grotere meerderheid voorschrijft worden alle besluiten genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.”
2.3.
Enige tijd na oprichting hebben partijen een aandeelhoudersovereenkomst en een managementovereenkomst gesloten.
2.3.1.
Artikel 1 van de managementovereenkomst bepaalt onder meer dat partijen “zich naar beste vermogen inzetten om de belangen en de groei van PartnerBoost (en de daaraan verbonden onderneming) zo veel mogelijk te behartigen en te bevorderen.”
2.3.2.
Artikel 5.3 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaalt dat de aandeelhouders zich committeren zich “ten minste tot 1 maart 2027 beschikbaar te houden om op fulltime basis en naar beste vermogen hun werkzaamheden ten behoeve van de Vennootschap voort te zetten.”
2.3.3.
In artikel 7 van de aandeelhoudersovereenkomst, genaamd ‘DEADLOCK REGELING’, is het volgende geregeld.
7.1
Indien in de Algemene Vergadering geen besluit kan worden genomen omdat een voorstel in de Algemene Vergadering niet wordt aangenomen vanwege het feit dat 50% van de stemmen vóór dit voorstel wordt uitgebracht en 50% van de stemmen tegen dit voorstel wordt uitgebracht of het quorum niet wordt gehaald is sprake van een Deadlock-situatie.
7.2
Indien zich een Deadlock-situatie voordoet, zal op verzoek van één of meer van de Aandeelhouders een nieuwe Algemene Vergadering bijeengeroepen worden, te houden ten minste vijftien dagen na het ontstaan van de Deadlock-situatie, waarin dit voorstel opnieuw op de agenda staat.
7.3
De Aandeelhouders zullen te goeder trouw handelen en al het redelijke doen teneinde te bewerkstelligen dat de Deadlock-situatie voor de tweede Algemene Vergadering wordt opgelost.
7.4
Indien de Aandeelhouders er niet in slagen de Deadlock-situatie op te lossen, zullen zij de kwestie trachten op te lossen door middel van mediation als bedoeld in art. 15.6.
2.3.4.
Artikel 15.6 van de aandeelhoudersovereenkomst luidt als volgt.
[…] Indien er naar aanleiding van of in verband met deze Overeenkomst tussen Partijen een geschil mocht ontstaan, zullen zij eerst gedurende een (1) maand proberen dit geschil op te lossen met behulp van mediation door een gezamenlijk te benoemen mediator alvorens een Partij in rechte te betrekken. De kosten voor de mediation worden door de Vennootschap gedragen. Voor zover de mediation niet tot oplossing van het geschil leidt, zullen alle geschillen voortvloeiende uit deze Overeenkomst dan wel uit nadere overeenkomsten die met deze Overeenkomst verband houden, in eerste aanleg worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Amsterdam.
2.3.5.
In artikel 11 van de aandeelhoudersovereenkomst en artikel 8 van de managementovereenkomst zijn concurrentiebedingen opgenomen die kort gezegd na beëindiging van de relatie met PB/het zijn van aandeelhouder nog twee jaar doorlopen. De managementovereenkomst bevat daarnaast ook een relatiebeding.
2.4.
Bij de start van PB was de financiële prognose dat na vier tot zes maanden voldoende winst zou worden gemaakt. Al vrij snel overtroffen de resultaten die oorspronkelijke prognose. Het gaat PB en haar aandeelhouders kortom voor de wind.
2.5.
In oktober 2025 kreeg [eiser 2] het plan om de activiteiten van PB uit te breiden naar Duitsland. Dit naar aanleiding van een gesprek met een belangrijke sponsor bij Microsoft Nederland, die na een kennismakingsgesprek meldde dat er in Duitsland behoefte was aan het type dienstverlening van PB. Ook spoorde een van de bestaande klanten van PB haar op 13 oktober 2025 aan uit te breiden naar Duitsland en Oostenrijk, om daar dan vervolgens ook te kunnen samenwerken. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen zijn [eiser 2] en [naam 1] met elkaar in overleg gegaan en hebben zij een plan van aanpak opgesteld wat betreft uitbreiding naar Duitsland.
2.6.
In december 2025 zochten zij contact met een in Duitsland gevestigde Nederlander, de heer [naam 3] (hierna: [naam 3]), die beschikt over recente ervaring op de Duitse markt, een lokaal netwerk, Duitse taalvaardigheid, en die zijn interesse kenbaar had gemaakt om de kar voor PB in Duitsland te trekken. Partijen spraken af dat zij de mogelijkheden daartoe zouden onderzoeken. Op 9 januari 2026 is met [naam 3] een geheimhoudingsovereenkomst gesloten.
2.7.
Op 19 februari 2026 heeft [naam 1] een plan opgesteld voor de activiteiten in Duitsland. Zij heeft toen ook advies gevraagd aan een fiscalist over de GmbH-structuur. Er hebben in dat kader meerdere gesprekken plaatsgevonden met diverse adviseurs en ook [naam 3] heeft zijn plannen gepresenteerd.
2.8.
Op 16 maart 2026 heeft [naam 1] aan [eiser 2] laten weten het geen goed idee te vinden om op dit moment met PB in Duitsland actief te worden. Zij heeft duidelijk gemaakt dat zij op dit moment met PB geen activiteiten in Duitsland wil ontplooien en dat zij [eiser 2] daar ook geen toestemming voor geeft. [naam 1] wilde ook niet meewerken aan mediation. Partijen hebben nadien veelvuldig gecorrespondeerd en meermaals mondeling overleg gevoerd.
2.9.
Partijen hebben op initiatief van [eiser 2] vervolgens de weg gevolgd die staat beschreven in artikel 7 van de aandeelhoudersovereenkomst (zie 2.3.3). In het voorjaar van 2026 hebben twee algemene vergaderingen van aandeelhouders plaatsgevonden.
2.10.
Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen, waarna [eisers] dit kort geding zijn gestart.
3Het geschil
3.1.
Na wijziging van eis vorderen [eisers] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
primair:
I. schorsing van artikel 8 van de managementovereenkomst en artikel 11 van de aandeelhoudersovereenkomst, tot het moment waarop in een bodemprocedure anders wordt beslist, uitsluitend voor zover deze bepalingen eisers beletten om, middels een afzonderlijke Duitse vennootschap, in Duitsland gelijke activiteiten te ontplooien als door PB in Nederland worden ontplooid en onder de voorwaarden die in de dagvaarding onder 44 zijn opgenomen en onder het vrij te aanvaarden aanbod aan Defka, tot verkrijging om niet, van 10 % van de aandelen van de Duitse vennootschap, kosten koper,
subsidiair:
II. Defka te veroordelen om medewerking te verlenen aan een eenmalig, nauw omschreven besluit tot oprichting van een Duitse GmbH als 100%-dochtervennootschap van PB, althans een vervangende machtiging af te geven voor het nemen en uitvoeren van dit besluit, onder de voorwaarden die in de dagvaarding onder 44 zijn opgenomen, waarbij
a. een (maximum) investerings- en liquiditeitsbudget van € 200.000 geldt, overeenkomstig de opgestelde liquiditeitenbegroting, zonder externe financiering, zekerheden of kapitaalstortingen;
b. na 6 maanden de ontwikkelingen zullen worden geëvalueerd en – indien de resultaten tegenvallen – gelet op de prognoses – besluiten worden genomen over de wijze waarop de exploitatie in de GmbH wordt voortgezet of gestaakt,
III. Defka te gebieden zich te onthouden van gedragingen die de uitvoering van dit besluit verhinderen, waaronder het zonder redelijke grond onthouden van noodzakelijke bestuurs-, aandeelhouders- of contractuele medewerking,
meer subsidiair:
IV. Defka te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het rechtsgeldig tot stand brengen en uitvoeren van een besluit van PB tot een tijdelijk Duits pilottraject van 24 maanden, althans een vervangende machtiging af te geven voor het nemen en uitvoeren van dit besluit, met de volgende cumulatieve voorwaarden:
a. de voorwaarden die onder 44 in de dagvaarding zijn opgenomen;
b. er geldt een (maximum) investerings- en liquiditeitsbudget van € 200.000,-, overeenkomstig de opgestelde liquiditeitenbegroting, zonder externe financiering, zekerheden of kapitaalstortingen;
c. tenminste 13 weken voor de einddatum zal worden geëvalueerd en besloten omtrent omzetting, voortzetting of staking van de pilot, op basis van vooraf vastgelegde KPI's, waarbij het uitgangspunt is dat wordt voortgezet en uitgebreid in geval van het behalen van de minimum-resultaten en wordt gestaakt of aangepast in geval verlies wordt geleden,
V. Defka te gebieden zich gedurende de pilot te onthouden van gedragingen die de uitvoering van dit specifieke pilotbesluit verhinderen, waaronder het zonder redelijke grond onthouden van noodzakelijke bestuurs-, aandeelhouders- of contractuele medewerking,
nog meer subsidiair:
VI. Defka te veroordelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis mee te werken aan aanwijzing van een gezamenlijk mediator en vervolgens gedurende één maand daadwerkelijk actief deel te nemen aan mediation over het Duitse pilottraject, een eventuele GmbH-structuur, de uitleg en reikwijdte van de concurrentiebedingen, de beperking van deze bedingen voor het project in Duitsland en de waarborgen voor de Nederlandse onderneming, onder bepaling dat eisers gerechtigd zijn [naam 3] tegen betaling werkzaamheden te laten verrichten ter voorbereiding en ontwikkeling van activiteiten voor klanten in Duitsland, tot de mediation zal zijn afgerond en zes maanden nadien, althans gedurende zodanige termijn als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen,
primair en ten aanzien van alle subsidiaire vorderingen:
VII. Te bepalen dat Defka, ten gunste van [eisers], een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per dag, voor iedere dag dat Defka met enige verplichting voortvloeiend uit dit vonnis in gebreke blijft, zonder dat voorafgaande ingebrekestelling vereist zal zijn, zulks met een maximum van € 70.000,-,
VIII. Indien en voor zover de voorzieningenrechter één of meer deelvorderingen te gecompliceerd of anderszins niet geschikt acht voor behandeling in kort geding, voor die deelvorderingen te verwijzen naar de bodemrechter, onder bepaling dat – voor zover in dit vonnis niet reeds zou worden bepaald dat [naam 3] mag worden ingezet – [eisers] gerechtigd zijn [naam 3] tegen betaling werkzaamheden te laten verrichten ter voorbereiding en ontwikkeling van activiteiten voor klanten in Duitsland,
IX. Defka te gebieden zich te onthouden van uitlatingen aan de Duitse kandidaat of aan relevante klanten dat [eisers] onbevoegd, in strijd met contractuele verplichtingen of zonder enig perspectief handelend zou zijn, zolang daarover geen rechterlijk oordeel bestaat, behoudens voor zover een dergelijke mededeling noodzakelijk en feitelijk juist is, op straffe van een dwangsom (ex VII),
X. Defka te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
[eisers] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.
3.3.
In PB zijn er slechts twee aandeelhouders en bestuurders waardoor een meerderheid van stemmen unanimiteit impliceert en één aandeelhouder of bestuurder – door toestemming te onthouden – de activiteiten en groei van PB plat kan leggen. Juist om die reden is in de aandeelhoudersovereenkomst de deadlock-regeling opgenomen (zie 2.3.3), om in het belang van PB een impasse te kunnen doorbreken. De algemene vergaderingen van aandeelhouders hebben plaatsgevonden (leden 1 en 2), maar [naam 1] weigert mee te werken aan mediation (leden 3 en 4), waardoor [eisers] op grond van artikel 15.6 van de aandeelhoudersovereenkomst nu genoodzaakt zijn de rechtbank om een oordeel te vragen om de impasse te doorbreken. [eisers] (en daarmee PB) hebben er belang bij de blokkade van [naam 1] te doorbreken om grote schade te voorkomen.
Het vestigen van een ‘filiaal’ in Duitsland zal een zeer goede mogelijkheid zijn om de omzet en winst aanzienlijk te vergroten. PB zou dan immers het eerste bedrijf in Duitsland zijn met haar specifieke dienstverlening, waardoor zij een belangrijke voorsprong op potentiële Duitse concurrenten krijgt. In dat verband bestaat het risico dat een kapitaalkrachtige Duitse concurrent, die immers een veel grotere markt en veel meer (grote) klanten kan bedienen, ook haar activiteiten naar Nederland zal uitbreiden, met als gevolg dat PB er een geduchte concurrent in Nederland bij zou krijgen. Daarnaast hebben bestaande (Nederlandse) klanten van PB reeds gemeld behoefte te hebben aan soortgelijke dienstverlening voor bedrijfsonderdelen in Duitsland. Een extra argument is nog dat Microsoft verschillende financiële faciliteiten beschikbaar stelt om activiteiten die zij in haar belang acht te stimuleren. PB heeft deze ‘slapende geldpotten’ reeds voor de Nederlandse markt aangesproken en [eisers] willen dat nu ten behoeve van de Duitse markt ook doen. Deze regelingen gelden immers niet voor altijd en er zijn al signalen dat die op termijn zullen worden beperkt of gestaakt. Voor de Duitse activiteiten is het daarom extra van belang snel in actie te komen. Artikel 1 van de managementovereenkomst (zie 2.3.1) noopt daar ook toe. Een verbod tot uitbreiding naar Duitsland is daarmee evident in strijd. [eisers] beroepen zich voorts op artikel 2:239 lid 5 BW. Het belang van de vennootschap zou mede het benutten van een concrete, goed voorbereide commerciële kans omvatten. In dat verband dient de weigerachtige houding van [naam 1] er, met een beroep op artikel 2:8 lid 2 BW, ook toe te leiden dat [eisers] de bevoegdheid krijgen om handelend op te treden zonder Defka’s statutair of contractueel vereiste goedkeuring en instemming. Een grammaticale interpretatie van het concurrentiebeding leidt er niet toe dat [eisers] geen concurrerende activiteiten in Duitsland mogen ontplooien. Het concurrentiebeding geldt immers alleen “anders dan in het belang van de Vennootschap”. [eisers] beroepen zich tot slot op artikelen 3:13 BW, 6:2 en 6:248 BW.
3.4.
Defka voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Een vordering in kort geding is een voorlopige voorziening die toewijsbaar is als voorshands aannemelijk is dat een bodemrechter de onderliggende vordering ook zou toewijzen en van [eisers] in dit geval niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Bovendien moet een belangenafweging ertoe leiden dat de voorlopige voorziening noodzakelijk is.
4.2.
Het is niet op voorhand aannemelijk geworden dat de vorderingen van [eisers] door een bodemrechter zullen worden toegewezen. Dit betekent dat de voorlopige voorzieningen in dit kort geding worden afgewezen. Daartoe geldt het volgende.
4.3.
[eiser 2] en [naam 1] zijn ieder (indirect) 50% eigenaar en bestuurder van het succesvolle PB, opgericht in februari 2024.
4.4.
[eiser 2] is ervan overtuigd dat het nu het moment is om de activiteiten van PB uit te breiden naar Duitsland. Bij de onderbouwing van de vorderingen is voldoende gesteld dat en waarom dat momentum er nu is (zie 3.3).
Kort samengevat: Er is vraag naar de diensten van PB in het veel grotere Duitsland, ook door bestaande klanten van PB in Nederland, [naam 3] is in staat en bereid de kar te trekken, als langer wordt gewacht bestaat het risico dat de concurrenten in Duitsland daar voet aan de grond krijgen en later ook in Nederland met PB gaan concurreren en ook is de toekomst van de financiële faciliteiten van Microsoft onzeker. [naam 1] heeft in eerste instantie meegedaan met nader onderzoek naar mogelijkheden voor PB in Duitsland, maar heeft op enig moment laten weten het nu niet in het belang van PB te vinden verdere stappen te zetten. In haar visie zijn er andere zaken binnen Nederland die nu onverminderd aandacht nodig hebben, te weten focus op groei in Nederland die achterloopt op de planning. Het zwaarder belasten van de Nederlandse operatie door uitbreiding naar het veel grotere Duitsland gaat bovendien ten koste van deze Nederlandse operatie en de huidige bestuurlijke basis is kwetsbaar. Bij meer stabiliteit kan opnieuw gekeken worden naar uitbreiding in het buitenland, aldus [naam 1].
4.5.
Het vorenstaande betekent dat een fundamenteel verschil bestaat tussen [eiser 2] en [naam 1] of uitbreiding van PB naar Duitsland op dit moment moet plaatsvinden. Uit het dossier en de gegeven toelichting volgt dat geen van beiden lichtzinnig tot hun standpunt zijn gekomen. Beiden hebben onderbouwd aangegeven waarom zij vinden wat ze vinden, maar zijn niet in staat gebleken de ander te overtuigen.
4.6.
Bij deze stand van zaken past terughoudendheid bij het ingrijpen van een (voorzieningen)rechter bij het te voeren beleid van een vennootschap. Het wel of niet najagen van een business opportunity is als uitgangspunt voorbehouden aan het bestuur van de vennootschap en haar aandeelhouders. Ingrijpen kan geïndiceerd zijn, bijvoorbeeld als de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat daarvan geen sprake is. Dat met het op dit moment niet kiezen voor uitbreiding van PB in Duitsland mogelijk winstgevende groei aldaar niet (meer) gerealiseerd kan worden is daarvoor onvoldoende.
4.7.
Dat [eiser 2] de ‘deadlock regeling’ uit de samenwerkingsovereenkomst heeft gevolgd maakt het vorenstaande niet anders. Het dossier laat als gezegd zien dat partijen het gesprek uitgebreid hebben gevoerd, ook in vergaderingen van aandeelouders, en over en weer meerdere pogingen zijn gedaan de impasse te doorbreken. Voor de vennootschappelijke besluiten die [eisers] in dit kort geding proberen af te dwingen is instemming van Defka noodzakelijk en die is er niet. Dat met twee aandeelhouders in PB feitelijk unanimiteit nodig is hadden zowel [eiser 2] als [naam 1] zich kunnen en moeten realiseren want zij hebben daarmee ingestemd; met de aandeelhoudersovereenkomst of managementovereenkomst is daar ook niet van afgeweken.
4.8.
Wel mag van [naam 1] verwacht worden dat zij op korte termijn mediation opstart om met [eiser 2] te onderzoeken hoe uit deze impasse te komen. Defka heeft zich daar immers toe verplicht in de managementovereenkomst. De argumenten die [naam 1] ter zitting heeft aangedragen waarom mediation in dit geval zinloos zou zijn, overtuigen niet. Wat aan de orde komt in mediation is aan partijen zelf. Omdat mediation vrijwilligheid tot uitgangspunt neemt zal Defka niet veroordeeld worden om aan mediation mee te werken.
concurrentiebeding
4.9.
Voor zover de vorderingen zien op het toestaan van [eisers] dat zij buiten PB om in Duitsland concurrerende activiteiten kunnen ontplooien geldt het volgende. [eisers] mogen op grond van het concurrentiebeding in de aandeelhouders- en managementovereenkomst niet participeren in, of werkzaamheden uitvoeren bij, kort gezegd, een bedrijf in dezelfde branche als PB. De argumenten die [eisers] hebben aangedragen zijn niet voldoende zwaarwegend om hun hiervoor in kort geding vrijstelling te verlenen. Ook de aangedragen wetsartikelen maken dit niet anders. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat partijen bij het aangaan van de aandeelhouders- en managementovereenkomst in 2024 deze beperking bewust hebben afgesproken. Het in de situatie die nu voorligt – te weten: een fundamenteel verschil van inzicht over wel of geen uitbreiding van de activiteiten van PB naar Duitsland op dit moment – toestaan dat [eisers] deze concurrerende activiteiten zelf mogen ontplooien past daar niet bij.
4.10.
Bovendien hebben de aandeelhouders zich er op grond van artikel 5.3 van de aandeelhoudersovereenkomst toe verplicht zich voltijds voor PB in te zetten. Dat verhoudt zich niet goed met opzetten en exploiteren van werkzaamheden in Duitsland buiten PB.
4.11.
Tot slot is ook een uitlatingenverbod zoals gevorderd niet aan de orde. Dat Defka (of [naam 1]) uitlatingen doet die (potentieel) schadelijk zijn voor PB is niet gebleken.
proceskosten
4.12.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Defka worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.
Coll: MV
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/791298 / KG ZA 26-660 MK/GR
Vonnis in kort geding van 7 september 2026
in de zaak van
1
[eiser 1] B.V.,
te [vestigingsplaats],2. [eiser 2] ,
te [woonplaats],
eisende partijen bij dagvaarding van 11 augustus 2026,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2], en samen: [eisers],
advocaat: mr. H.L. van der Aa,
tegen
DEFKA HOLDING B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Defka,
advocaat: mr. G.T.J. Hoff.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 21 augustus 2026 hebben [eisers] de dagvaarding en de akte wijziging van eis toegelicht. Defka heeft verweer gevoerd aan de hand van een pleitnota. [eisers] hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Beide partijen hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
1.2.
Ter zitting was namens Defka mevrouw [naam 1] (DGA; hierna: [naam 1]) aanwezig met haar partner, de heer [naam 2], en met mr. Hoff. Namens [eisers] was [eiser 2] (ook DGA van [eiser 1]) aanwezig met mr. Van der Aa.
1.3.
Na verder debat is vonnis bepaald op 4 september 2026. Het wijzen van het vonnis is nadien uitgesteld tot 7 september 2026.
2De feiten
2.1.
Partnerboost B.V. (hierna: PB) is opgericht op 15 februari 2024 en houdt zich bezig met het verbeteren van de samenwerking tussen Microsoft en andere bedrijven en hoe die bedrijven hun winstgevendheid kunnen vergroten. Dit doet PB door een ‘Partnership Health Scan’ op te stellen, onder andere met behulp van een assessment en interviews. PB werkt daarbij op basis van een subscriptie model: klanten betalen periodiek op basis van een abonnement.
2.2.
[eiser 1] en Defka zijn ieder voor 50% aandeelhouder van PB en beiden ook bestuurder. [eiser 2] en [naam 1] zijn DGA van [eiser 1] respectievelijk Defka. Artikel 19 lid 2 van de statuten van PB bepaalt dat alle besluiten van het bestuur worden genomen “met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.” Artikel 29 lid 9 van de statuten bepaalt “voor zover de wet of deze statuten geen grotere meerderheid voorschrijft worden alle besluiten genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.”
2.3.
Enige tijd na oprichting hebben partijen een aandeelhoudersovereenkomst en een managementovereenkomst gesloten.
2.3.1.
Artikel 1 van de managementovereenkomst bepaalt onder meer dat partijen “zich naar beste vermogen inzetten om de belangen en de groei van PartnerBoost (en de daaraan verbonden onderneming) zo veel mogelijk te behartigen en te bevorderen.”
2.3.2.
Artikel 5.3 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaalt dat de aandeelhouders zich committeren zich “ten minste tot 1 maart 2027 beschikbaar te houden om op fulltime basis en naar beste vermogen hun werkzaamheden ten behoeve van de Vennootschap voort te zetten.”
2.3.3.
In artikel 7 van de aandeelhoudersovereenkomst, genaamd ‘DEADLOCK REGELING’, is het volgende geregeld.
7.1
Indien in de Algemene Vergadering geen besluit kan worden genomen omdat een voorstel in de Algemene Vergadering niet wordt aangenomen vanwege het feit dat 50% van de stemmen vóór dit voorstel wordt uitgebracht en 50% van de stemmen tegen dit voorstel wordt uitgebracht of het quorum niet wordt gehaald is sprake van een Deadlock-situatie.
7.2
Indien zich een Deadlock-situatie voordoet, zal op verzoek van één of meer van de Aandeelhouders een nieuwe Algemene Vergadering bijeengeroepen worden, te houden ten minste vijftien dagen na het ontstaan van de Deadlock-situatie, waarin dit voorstel opnieuw op de agenda staat.
7.3
De Aandeelhouders zullen te goeder trouw handelen en al het redelijke doen teneinde te bewerkstelligen dat de Deadlock-situatie voor de tweede Algemene Vergadering wordt opgelost.
7.4
Indien de Aandeelhouders er niet in slagen de Deadlock-situatie op te lossen, zullen zij de kwestie trachten op te lossen door middel van mediation als bedoeld in art. 15.6.
2.3.4.
Artikel 15.6 van de aandeelhoudersovereenkomst luidt als volgt.
[…] Indien er naar aanleiding van of in verband met deze Overeenkomst tussen Partijen een geschil mocht ontstaan, zullen zij eerst gedurende een (1) maand proberen dit geschil op te lossen met behulp van mediation door een gezamenlijk te benoemen mediator alvorens een Partij in rechte te betrekken. De kosten voor de mediation worden door de Vennootschap gedragen. Voor zover de mediation niet tot oplossing van het geschil leidt, zullen alle geschillen voortvloeiende uit deze Overeenkomst dan wel uit nadere overeenkomsten die met deze Overeenkomst verband houden, in eerste aanleg worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Amsterdam.
2.3.5.
In artikel 11 van de aandeelhoudersovereenkomst en artikel 8 van de managementovereenkomst zijn concurrentiebedingen opgenomen die kort gezegd na beëindiging van de relatie met PB/het zijn van aandeelhouder nog twee jaar doorlopen. De managementovereenkomst bevat daarnaast ook een relatiebeding.
2.4.
Bij de start van PB was de financiële prognose dat na vier tot zes maanden voldoende winst zou worden gemaakt. Al vrij snel overtroffen de resultaten die oorspronkelijke prognose. Het gaat PB en haar aandeelhouders kortom voor de wind.
2.5.
In oktober 2025 kreeg [eiser 2] het plan om de activiteiten van PB uit te breiden naar Duitsland. Dit naar aanleiding van een gesprek met een belangrijke sponsor bij Microsoft Nederland, die na een kennismakingsgesprek meldde dat er in Duitsland behoefte was aan het type dienstverlening van PB. Ook spoorde een van de bestaande klanten van PB haar op 13 oktober 2025 aan uit te breiden naar Duitsland en Oostenrijk, om daar dan vervolgens ook te kunnen samenwerken. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen zijn [eiser 2] en [naam 1] met elkaar in overleg gegaan en hebben zij een plan van aanpak opgesteld wat betreft uitbreiding naar Duitsland.
2.6.
In december 2025 zochten zij contact met een in Duitsland gevestigde Nederlander, de heer [naam 3] (hierna: [naam 3]), die beschikt over recente ervaring op de Duitse markt, een lokaal netwerk, Duitse taalvaardigheid, en die zijn interesse kenbaar had gemaakt om de kar voor PB in Duitsland te trekken. Partijen spraken af dat zij de mogelijkheden daartoe zouden onderzoeken. Op 9 januari 2026 is met [naam 3] een geheimhoudingsovereenkomst gesloten.
2.7.
Op 19 februari 2026 heeft [naam 1] een plan opgesteld voor de activiteiten in Duitsland. Zij heeft toen ook advies gevraagd aan een fiscalist over de GmbH-structuur. Er hebben in dat kader meerdere gesprekken plaatsgevonden met diverse adviseurs en ook [naam 3] heeft zijn plannen gepresenteerd.
2.8.
Op 16 maart 2026 heeft [naam 1] aan [eiser 2] laten weten het geen goed idee te vinden om op dit moment met PB in Duitsland actief te worden. Zij heeft duidelijk gemaakt dat zij op dit moment met PB geen activiteiten in Duitsland wil ontplooien en dat zij [eiser 2] daar ook geen toestemming voor geeft. [naam 1] wilde ook niet meewerken aan mediation. Partijen hebben nadien veelvuldig gecorrespondeerd en meermaals mondeling overleg gevoerd.
2.9.
Partijen hebben op initiatief van [eiser 2] vervolgens de weg gevolgd die staat beschreven in artikel 7 van de aandeelhoudersovereenkomst (zie 2.3.3). In het voorjaar van 2026 hebben twee algemene vergaderingen van aandeelhouders plaatsgevonden.
2.10.
Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen, waarna [eisers] dit kort geding zijn gestart.
3Het geschil
3.1.
Na wijziging van eis vorderen [eisers] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
primair:
I. schorsing van artikel 8 van de managementovereenkomst en artikel 11 van de aandeelhoudersovereenkomst, tot het moment waarop in een bodemprocedure anders wordt beslist, uitsluitend voor zover deze bepalingen eisers beletten om, middels een afzonderlijke Duitse vennootschap, in Duitsland gelijke activiteiten te ontplooien als door PB in Nederland worden ontplooid en onder de voorwaarden die in de dagvaarding onder 44 zijn opgenomen en onder het vrij te aanvaarden aanbod aan Defka, tot verkrijging om niet, van 10 % van de aandelen van de Duitse vennootschap, kosten koper,
subsidiair:
II. Defka te veroordelen om medewerking te verlenen aan een eenmalig, nauw omschreven besluit tot oprichting van een Duitse GmbH als 100%-dochtervennootschap van PB, althans een vervangende machtiging af te geven voor het nemen en uitvoeren van dit besluit, onder de voorwaarden die in de dagvaarding onder 44 zijn opgenomen, waarbij
a. een (maximum) investerings- en liquiditeitsbudget van € 200.000 geldt, overeenkomstig de opgestelde liquiditeitenbegroting, zonder externe financiering, zekerheden of kapitaalstortingen;
b. na 6 maanden de ontwikkelingen zullen worden geëvalueerd en – indien de resultaten tegenvallen – gelet op de prognoses – besluiten worden genomen over de wijze waarop de exploitatie in de GmbH wordt voortgezet of gestaakt,
III. Defka te gebieden zich te onthouden van gedragingen die de uitvoering van dit besluit verhinderen, waaronder het zonder redelijke grond onthouden van noodzakelijke bestuurs-, aandeelhouders- of contractuele medewerking,
meer subsidiair:
IV. Defka te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het rechtsgeldig tot stand brengen en uitvoeren van een besluit van PB tot een tijdelijk Duits pilottraject van 24 maanden, althans een vervangende machtiging af te geven voor het nemen en uitvoeren van dit besluit, met de volgende cumulatieve voorwaarden:
a. de voorwaarden die onder 44 in de dagvaarding zijn opgenomen;
b. er geldt een (maximum) investerings- en liquiditeitsbudget van € 200.000,-, overeenkomstig de opgestelde liquiditeitenbegroting, zonder externe financiering, zekerheden of kapitaalstortingen;
c. tenminste 13 weken voor de einddatum zal worden geëvalueerd en besloten omtrent omzetting, voortzetting of staking van de pilot, op basis van vooraf vastgelegde KPI's, waarbij het uitgangspunt is dat wordt voortgezet en uitgebreid in geval van het behalen van de minimum-resultaten en wordt gestaakt of aangepast in geval verlies wordt geleden,
V. Defka te gebieden zich gedurende de pilot te onthouden van gedragingen die de uitvoering van dit specifieke pilotbesluit verhinderen, waaronder het zonder redelijke grond onthouden van noodzakelijke bestuurs-, aandeelhouders- of contractuele medewerking,
nog meer subsidiair:
VI. Defka te veroordelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis mee te werken aan aanwijzing van een gezamenlijk mediator en vervolgens gedurende één maand daadwerkelijk actief deel te nemen aan mediation over het Duitse pilottraject, een eventuele GmbH-structuur, de uitleg en reikwijdte van de concurrentiebedingen, de beperking van deze bedingen voor het project in Duitsland en de waarborgen voor de Nederlandse onderneming, onder bepaling dat eisers gerechtigd zijn [naam 3] tegen betaling werkzaamheden te laten verrichten ter voorbereiding en ontwikkeling van activiteiten voor klanten in Duitsland, tot de mediation zal zijn afgerond en zes maanden nadien, althans gedurende zodanige termijn als uw rechtbank in goede justitie zal bepalen,
primair en ten aanzien van alle subsidiaire vorderingen:
VII. Te bepalen dat Defka, ten gunste van [eisers], een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per dag, voor iedere dag dat Defka met enige verplichting voortvloeiend uit dit vonnis in gebreke blijft, zonder dat voorafgaande ingebrekestelling vereist zal zijn, zulks met een maximum van € 70.000,-,
VIII. Indien en voor zover de voorzieningenrechter één of meer deelvorderingen te gecompliceerd of anderszins niet geschikt acht voor behandeling in kort geding, voor die deelvorderingen te verwijzen naar de bodemrechter, onder bepaling dat – voor zover in dit vonnis niet reeds zou worden bepaald dat [naam 3] mag worden ingezet – [eisers] gerechtigd zijn [naam 3] tegen betaling werkzaamheden te laten verrichten ter voorbereiding en ontwikkeling van activiteiten voor klanten in Duitsland,
IX. Defka te gebieden zich te onthouden van uitlatingen aan de Duitse kandidaat of aan relevante klanten dat [eisers] onbevoegd, in strijd met contractuele verplichtingen of zonder enig perspectief handelend zou zijn, zolang daarover geen rechterlijk oordeel bestaat, behoudens voor zover een dergelijke mededeling noodzakelijk en feitelijk juist is, op straffe van een dwangsom (ex VII),
X. Defka te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
[eisers] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.
3.3.
In PB zijn er slechts twee aandeelhouders en bestuurders waardoor een meerderheid van stemmen unanimiteit impliceert en één aandeelhouder of bestuurder – door toestemming te onthouden – de activiteiten en groei van PB plat kan leggen. Juist om die reden is in de aandeelhoudersovereenkomst de deadlock-regeling opgenomen (zie 2.3.3), om in het belang van PB een impasse te kunnen doorbreken. De algemene vergaderingen van aandeelhouders hebben plaatsgevonden (leden 1 en 2), maar [naam 1] weigert mee te werken aan mediation (leden 3 en 4), waardoor [eisers] op grond van artikel 15.6 van de aandeelhoudersovereenkomst nu genoodzaakt zijn de rechtbank om een oordeel te vragen om de impasse te doorbreken. [eisers] (en daarmee PB) hebben er belang bij de blokkade van [naam 1] te doorbreken om grote schade te voorkomen.
Het vestigen van een ‘filiaal’ in Duitsland zal een zeer goede mogelijkheid zijn om de omzet en winst aanzienlijk te vergroten. PB zou dan immers het eerste bedrijf in Duitsland zijn met haar specifieke dienstverlening, waardoor zij een belangrijke voorsprong op potentiële Duitse concurrenten krijgt. In dat verband bestaat het risico dat een kapitaalkrachtige Duitse concurrent, die immers een veel grotere markt en veel meer (grote) klanten kan bedienen, ook haar activiteiten naar Nederland zal uitbreiden, met als gevolg dat PB er een geduchte concurrent in Nederland bij zou krijgen. Daarnaast hebben bestaande (Nederlandse) klanten van PB reeds gemeld behoefte te hebben aan soortgelijke dienstverlening voor bedrijfsonderdelen in Duitsland. Een extra argument is nog dat Microsoft verschillende financiële faciliteiten beschikbaar stelt om activiteiten die zij in haar belang acht te stimuleren. PB heeft deze ‘slapende geldpotten’ reeds voor de Nederlandse markt aangesproken en [eisers] willen dat nu ten behoeve van de Duitse markt ook doen. Deze regelingen gelden immers niet voor altijd en er zijn al signalen dat die op termijn zullen worden beperkt of gestaakt. Voor de Duitse activiteiten is het daarom extra van belang snel in actie te komen. Artikel 1 van de managementovereenkomst (zie 2.3.1) noopt daar ook toe. Een verbod tot uitbreiding naar Duitsland is daarmee evident in strijd. [eisers] beroepen zich voorts op artikel 2:239 lid 5 BW. Het belang van de vennootschap zou mede het benutten van een concrete, goed voorbereide commerciële kans omvatten. In dat verband dient de weigerachtige houding van [naam 1] er, met een beroep op artikel 2:8 lid 2 BW, ook toe te leiden dat [eisers] de bevoegdheid krijgen om handelend op te treden zonder Defka’s statutair of contractueel vereiste goedkeuring en instemming. Een grammaticale interpretatie van het concurrentiebeding leidt er niet toe dat [eisers] geen concurrerende activiteiten in Duitsland mogen ontplooien. Het concurrentiebeding geldt immers alleen “anders dan in het belang van de Vennootschap”. [eisers] beroepen zich tot slot op artikelen 3:13 BW, 6:2 en 6:248 BW.
3.4.
Defka voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Een vordering in kort geding is een voorlopige voorziening die toewijsbaar is als voorshands aannemelijk is dat een bodemrechter de onderliggende vordering ook zou toewijzen en van [eisers] in dit geval niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Bovendien moet een belangenafweging ertoe leiden dat de voorlopige voorziening noodzakelijk is.
4.2.
Het is niet op voorhand aannemelijk geworden dat de vorderingen van [eisers] door een bodemrechter zullen worden toegewezen. Dit betekent dat de voorlopige voorzieningen in dit kort geding worden afgewezen. Daartoe geldt het volgende.
4.3.
[eiser 2] en [naam 1] zijn ieder (indirect) 50% eigenaar en bestuurder van het succesvolle PB, opgericht in februari 2024.
4.4.
[eiser 2] is ervan overtuigd dat het nu het moment is om de activiteiten van PB uit te breiden naar Duitsland. Bij de onderbouwing van de vorderingen is voldoende gesteld dat en waarom dat momentum er nu is (zie 3.3).
Kort samengevat: Er is vraag naar de diensten van PB in het veel grotere Duitsland, ook door bestaande klanten van PB in Nederland, [naam 3] is in staat en bereid de kar te trekken, als langer wordt gewacht bestaat het risico dat de concurrenten in Duitsland daar voet aan de grond krijgen en later ook in Nederland met PB gaan concurreren en ook is de toekomst van de financiële faciliteiten van Microsoft onzeker. [naam 1] heeft in eerste instantie meegedaan met nader onderzoek naar mogelijkheden voor PB in Duitsland, maar heeft op enig moment laten weten het nu niet in het belang van PB te vinden verdere stappen te zetten. In haar visie zijn er andere zaken binnen Nederland die nu onverminderd aandacht nodig hebben, te weten focus op groei in Nederland die achterloopt op de planning. Het zwaarder belasten van de Nederlandse operatie door uitbreiding naar het veel grotere Duitsland gaat bovendien ten koste van deze Nederlandse operatie en de huidige bestuurlijke basis is kwetsbaar. Bij meer stabiliteit kan opnieuw gekeken worden naar uitbreiding in het buitenland, aldus [naam 1].
4.5.
Het vorenstaande betekent dat een fundamenteel verschil bestaat tussen [eiser 2] en [naam 1] of uitbreiding van PB naar Duitsland op dit moment moet plaatsvinden. Uit het dossier en de gegeven toelichting volgt dat geen van beiden lichtzinnig tot hun standpunt zijn gekomen. Beiden hebben onderbouwd aangegeven waarom zij vinden wat ze vinden, maar zijn niet in staat gebleken de ander te overtuigen.
4.6.
Bij deze stand van zaken past terughoudendheid bij het ingrijpen van een (voorzieningen)rechter bij het te voeren beleid van een vennootschap. Het wel of niet najagen van een business opportunity is als uitgangspunt voorbehouden aan het bestuur van de vennootschap en haar aandeelhouders. Ingrijpen kan geïndiceerd zijn, bijvoorbeeld als de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat daarvan geen sprake is. Dat met het op dit moment niet kiezen voor uitbreiding van PB in Duitsland mogelijk winstgevende groei aldaar niet (meer) gerealiseerd kan worden is daarvoor onvoldoende.
4.7.
Dat [eiser 2] de ‘deadlock regeling’ uit de samenwerkingsovereenkomst heeft gevolgd maakt het vorenstaande niet anders. Het dossier laat als gezegd zien dat partijen het gesprek uitgebreid hebben gevoerd, ook in vergaderingen van aandeelouders, en over en weer meerdere pogingen zijn gedaan de impasse te doorbreken. Voor de vennootschappelijke besluiten die [eisers] in dit kort geding proberen af te dwingen is instemming van Defka noodzakelijk en die is er niet. Dat met twee aandeelhouders in PB feitelijk unanimiteit nodig is hadden zowel [eiser 2] als [naam 1] zich kunnen en moeten realiseren want zij hebben daarmee ingestemd; met de aandeelhoudersovereenkomst of managementovereenkomst is daar ook niet van afgeweken.
4.8.
Wel mag van [naam 1] verwacht worden dat zij op korte termijn mediation opstart om met [eiser 2] te onderzoeken hoe uit deze impasse te komen. Defka heeft zich daar immers toe verplicht in de managementovereenkomst. De argumenten die [naam 1] ter zitting heeft aangedragen waarom mediation in dit geval zinloos zou zijn, overtuigen niet. Wat aan de orde komt in mediation is aan partijen zelf. Omdat mediation vrijwilligheid tot uitgangspunt neemt zal Defka niet veroordeeld worden om aan mediation mee te werken.
concurrentiebeding
4.9.
Voor zover de vorderingen zien op het toestaan van [eisers] dat zij buiten PB om in Duitsland concurrerende activiteiten kunnen ontplooien geldt het volgende. [eisers] mogen op grond van het concurrentiebeding in de aandeelhouders- en managementovereenkomst niet participeren in, of werkzaamheden uitvoeren bij, kort gezegd, een bedrijf in dezelfde branche als PB. De argumenten die [eisers] hebben aangedragen zijn niet voldoende zwaarwegend om hun hiervoor in kort geding vrijstelling te verlenen. Ook de aangedragen wetsartikelen maken dit niet anders. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat partijen bij het aangaan van de aandeelhouders- en managementovereenkomst in 2024 deze beperking bewust hebben afgesproken. Het in de situatie die nu voorligt – te weten: een fundamenteel verschil van inzicht over wel of geen uitbreiding van de activiteiten van PB naar Duitsland op dit moment – toestaan dat [eisers] deze concurrerende activiteiten zelf mogen ontplooien past daar niet bij.
4.10.
Bovendien hebben de aandeelhouders zich er op grond van artikel 5.3 van de aandeelhoudersovereenkomst toe verplicht zich voltijds voor PB in te zetten. Dat verhoudt zich niet goed met opzetten en exploiteren van werkzaamheden in Duitsland buiten PB.
4.11.
Tot slot is ook een uitlatingenverbod zoals gevorderd niet aan de orde. Dat Defka (of [naam 1]) uitlatingen doet die (potentieel) schadelijk zijn voor PB is niet gebleken.
proceskosten
4.12.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Defka worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.
Coll: MV