Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8968

2026-09-02 Civiel recht; Arbeidsrecht 12290557 \ KK EXPL 26-413
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12290557 \ KK EXPL 26-413
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/297; AR-Updates.nl 2026-1425; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1425

Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, loonvordering. Uitleg artikel 44 van de CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf over contractswisseling en verplichte overname van personeel. Toepassing arrest Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3634). Partij die het object heeft verworven moet in dit geval het loon van werkneemster doorbetalen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.413 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623



Zaaknummer: 12290557 \ KK EXPL 26-413




Vonnis in kort geding van 2 september 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.A.M. van der Putten,



tegen





1 [gedaagde 1] B.V., tevens h.o.d.n. [handelsnaam]

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde sub 1,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: mr. L.Q. Jolink,





2
2. [gedaagde 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde sub 2,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. E.J.L. Mulderink.






1De procedure


Bij dagvaarding met producties van 30 juni 2026 heeft [eiser] een voorziening gevorderd. [handelsnaam] heeft een conclusie van antwoord met producties genomen. [gedaagde 2] heeft producties overgelegd.



De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door haar partner en de gemachtigde. Namens [handelsnaam] is [naam 1] ( [functie 1] ) verschenen met de gemachtigde. Namens [gedaagde 2] is [naam 2] ( [functie 2] ) verschenen met de gemachtigde.



Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. De gemachtigden van [eiser] en [gedaagde 2] hebben een pleitnotitie voorgedragen. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser] is op 7 februari 2024 in dienst getreden bij [gedaagde 2] als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud. De vaste werkplek van [eiser] was [locatie] .



2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (verder: de CAO) van toepassing.



2.3.
Op 12 juni 2025 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval en sindsdien is zij arbeidsongeschikt.



2.4.
In november 2025 heeft [gedaagde 2] aan [eiser] meegedeeld dat de schoonmaakwerkzaamheden die zij uitvoerde voor [locatie] zouden worden overgenomen door [handelsnaam] . [gedaagde 2] heeft daarbij meegedeeld dat [eiser] volgens artikel 44 van de CAO voldoet aan alle voorwaarden om haar werklocatie te behouden en dat zij recht heeft om overgenomen te worden tegen dezelfde voorwaarden als waaronder zij nu voor [gedaagde 2] werkt.



2.5.
Artikel 44 van de CAO luidt, voor zover relevant, als volgt:



CONTRACTSWISSELING





Artikel 44 Wat is contractswisseling?




1. Je spreekt van contractswisseling als een ander schoonmaak- of glazenwassersbedrijf hetzelfde (of bijna hetzelfde) object krijgt door een heraanbesteding.



(…)


Wat zijn de voorwaarden voor een aanbieding?




3. De nieuwe werkgever (die door contractswisseling het object krijgt) moet jou een arbeidsovereenkomst aanbieden in de volgende gevallen:



Werk jij op dat moment op het object? Dan biedt de nieuwe werkgever je een arbeidsovereenkomst aan als je voldoet aan deze voorwaarden:

 Je werkt minimaal 1,5 jaar op het object. Uitzendperioden en payroll tel je mee.
 Je hebt een door de branche erkend diploma. (…)
 Je hebt een geldig identiteitsbewijs of geldige verblijfsvergunning.



4. Je nieuwe werkgever hoeft je geen arbeidsovereenkomst aan te bieden in de volgende gevallen:



(…)

 Je bent langer dan 26 weken arbeidsongeschikt.

(…)





2.6.

[gedaagde 2] heeft haar werkzaamheden op [locatie] per 1 december 2025 beëindigd.



2.7.
Het contract tussen [handelsnaam] en [locatie] is op 10 december 2025 ondertekend.



2.8.
Op 11 december 2025 was [eiser] 26 weken arbeidsongeschikt.



2.9.

[gedaagde 2] heeft het loon van [eiser] betaald tot en met november 2025. In december 2025 heeft [gedaagde 2] de eindejaarsuitkering uitgekeerd. Sinds december 2025 ontvangt [eiser] geen loon meer.






3Het geschil


3.1.
De vordering van [eiser] is in de dagvaarding omschreven en luidt, samengevat, als volgt:



Primair:







[gedaagde 2]
te veroordelen binnen 7 dagen een eindafrekening aan [eiser] te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom;




[gedaagde 2]
te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de waarde van de niet-genoten vakantiedagen en het opgebouwde vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente;




[gedaagde 2]
te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over 2;




[handelsnaam]
te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het netto-equivalent van het achterstallige brutoloon over de maanden december 2025 tot en met mei 2026 (in totaal EUR 11.320,40 bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente;




[handelsnaam]
te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over 4;




[handelsnaam]
te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 14 mei 2026 tot aan de dag van algehele voldoening;




[handelsnaam]
te veroordelen om binnen 7 dagen een salarisspecificatie aan [eiser] te verstrekken die ziet op haar loon over de maanden december 2025 tot en met mei 2026, op straffe van een dwangsom;




[handelsnaam]
te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het loon dat zij na mei 2026 verschuldigd is tot het moment waarop de Arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;




[handelsnaam]
te veroordelen tot betaling van:



(a) € 888,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(b) de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.




Subsidiair:




10. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het netto-equivalent van het achterstallige brutoloon over de maanden december 2025 tot en met mei 2026, (in totaal EUR 11.320,40 bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente;
10. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over 10;
10. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de wettelijke verhoging;
10. [gedaagde 2] te veroordelen binnen 7 dagen een salarisspecificatie aan [eiser] te verstrekken die ziet op haar loon over de maanden december 2025 tot en met mei 2026, op straffe van een dwangsom;
10. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het opgebouwde vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente;
10. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 8W over 14;
10. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het loon tot het moment waarop de Arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
10. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van:


(a) € 888,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(b) de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.




3.2.


[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [handelsnaam] primair is gehouden aan [eiser] een arbeidsovereenkomst aan te bieden op grond van artikel 44 van de CAO. [eiser] voldeed tot 11 december 2025 aan alle vereisten voor overname. De contractswisseling heeft plaatsgevonden op 1 december 2025 (toen [gedaagde 2] de werkzaamheden op [locatie] staakte) of op 10 december 2025 (toen het contract tussen [locatie] en [handelsnaam] werd getekend). In beide gevallen is de arbeidsovereenkomst van [eiser] overgegaan op [handelsnaam] . [handelsnaam] kan niet onder haar verplichtingen op grond van de CAO uitkomen door te stellen dat zij haar feitelijke werkzaamheden op [locatie] pas op 15 december 2025 is gestart. Dit standpunt vindt geen steun in jurisprudentie en verdraagt zich ook niet met de CAO en haar bedoeling, aldus [eiser] .
Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde 2] haar werkgever gebleven en is gehouden tot loondoorbetaling.




3.3.

[gedaagde 2] heeft zich aangesloten bij het primaire standpunt van [eiser] en voert aan dat de arbeidsovereenkomst met [eiser] op 1 december 2025 is overgegaan op [handelsnaam] . Volgens [gedaagde 2] verricht [handelsnaam] feitelijk sinds 1 december 2025 al werkzaamheden op [locatie] .



3.4.

[handelsnaam] voert aan dat de contractswisseling heeft plaatsgevonden op 15 december 2025. Op die datum is [handelsnaam] gestart met de feitelijke werkzaamheden op [locatie] . Op 15 december 2025 was [eiser] méér dan 26 weken arbeidsongeschikt, waardoor zij niet (meer) voldeed aan de voorwaarden voor overname. Volgens [handelsnaam] bestond voor haar geen overnameplicht en is [eiser] steeds in dienst gebleven van [gedaagde 2] .



3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de vordering worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [handelsnaam] en [gedaagde 2] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.



Spoedeisend belang





4.2.
Voldoende is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening. Daarbij heeft te gelden dat een loonvordering naar haar aard een spoedeisend karakter draagt. De omstandigheid dat – zoals [gedaagde 2] stelt – zij eerder een vordering had kunnen indienen, doet hier niet aan af. [eiser] heeft voldoende toegelicht waarom zij in eerste instantie heeft gewacht met het indienen van een vordering en op dit moment daar een spoedeisend belang bij heeft.



Loonbetalingsverplichting





4.3.
Niet ter discussie staat dat [eiser] recht heeft op loon. De vraag is wie gehouden is tot betaling van het loon, [handelsnaam] of [gedaagde 2] . Voor de beantwoording van die vraag moet worden beoordeeld of op grond van artikel 44 van de CAO de arbeidsovereenkomst op [handelsnaam] is overgegaan. Het gaat daarbij om de uitleg van deze CAO-bepaling.



4.4.
Bij de uitleg van CAO-bepalingen komt het aan op de tekst van de bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst en de eventuele toelichting daarbij, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de kennelijke strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort.



4.5.
Artikel 44 van de CAO bevat een regeling die, kort gezegd, gaat over de contractswisseling en de verplichte overname van personeel. De partij die het object (in dit geval [locatie] ) verwerft (in dit geval [handelsnaam] ) moet onder bepaalde voorwaarden aan het personeel een aanbod doen tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met haar als nieuwe werkgever. De gedachte achter artikel 44 van de CAO is dat betrokken werknemers worden beschermd tegen de gevolgen van heraanbesteding van schoonmaak- of glazenwasserswerk voor hun werkgelegenheid (zie o.a. HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3039 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3634).



4.6.
Ten aanzien van de vraag wanneer [handelsnaam] met de feitelijke werkzaamheden is gestart, bestaat tussen partijen discussie. Volgens [eiser] en [gedaagde 2] zijn de werkzaamheden gestart per 1 december 2025, maar volgens [handelsnaam] was dit pas op 15 december 2025. [handelsnaam] erkent echter dat op 10 december 2025 de juridische contractwisseling heeft plaatsgevonden, met ondertekening van het contract tussen haar en [locatie] . Gelet op deze datum van de juridische contractwisseling van 10 december 2025 is de kantonrechter in dit kort geding voorshands van oordeel dat in ieder geval per deze datum de loondoorbetalingsverplichting op [handelsnaam] rust. Dit wordt als volgt toegelicht.



4.7.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3634) bij de beoordeling over de datum van de start van de werkzaamheden de beschermingsgedachte van artikel 38 CAO (oud), thans artikel 44 CAO, betrokken. In de casus die in dit arrest centraal stond, dreigden werknemers hun werkgelegenheid te verliezen doordat de feitelijke werkoverdracht op het object plaatsvond enkele dagen nadat de algemeen verbindend verklaarde CAO was afgelopen. De Hoge Raad heeft in dat feitencomplex geoordeeld dat de verplichting tot het aanbieden van een arbeidsovereenkomst ontstaat voordat met de uitvoering van het contract wordt begonnen. De Hoge Raad vervolgt dat de vaststelling welke werknemers (naar verwachting) zullen voldoen aan de voorwaarden voor overname plaats moet vinden naar het moment waarop het contract ingaat en met de feitelijke werkzaamheden wordt begonnen. Volgens de Hoge Raad wordt daarmee bewerkstelligd dat de werkgelegenheid behouden blijft voor werknemers die ten tijde van het ontstaan van de aanbiedingsplicht nog niet aan de voorwaarden voor overname voldeden, maar op het moment waarop het nieuwe contract ingaat wel. Deze situatie is tegenovergesteld aan de situatie waarvan in de onderhavige zaak sprake is.



4.8.

[handelsnaam] heeft betoogd dat uit dit arrest moet worden afgeleid dat voor het toetsingsmoment of een werknemer voldoet aan de voorwaarden van artikel 44 CAO, het moment waarop met de feitelijke werkzaamheden wordt begonnen bepalend is. In dit geval 15 december 2026. Volgens [handelsnaam] werkt de redenering van de Hoge Raad in twee richtingen: zij beschermt werknemers die door het tijdsverloop aan de vereisten zijn gaan voldoen, maar sluit ook werknemers uit die op het moment van de feitelijke aanvang van de werkzaamheden niet langer aan de vereisten voor overname voldoen.



4.9.
De kantonrechter volgt [handelsnaam] echter niet in dit standpunt. Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit het arrest van de Hoge Raad niet – a contrario – worden afgeleid dat werknemers die ten tijde van de juridische contractswisseling wél voldeden aan alle voorwaarden voor overname van de arbeidsovereenkomst, worden uitgesloten en hun werkgelegenheid verliezen doordat de feitelijke start van de werkzaamheden later is. Het arrest biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Bovendien zou – als de stelling van [handelsnaam] zou worden gevolgd – dit tot gevolg kunnen hebben dat de partij dat een object op een bepaalde datum door heraanbesteding krijgt (de juridische contractswisseling), kan bewerkstelligen dat zij geen arbeidsovereenkomsten hoeft over te nemen door simpelweg later met de feitelijke werkzaamheden te beginnen. Dit strookt niet met de beschermingsgedachte van artikel 44 CAO.



4.10.
De conclusie in dit kort geding is dan ook dat voldoende aannemelijk is geworden dat [handelsnaam] verplicht was [eiser] een arbeidsovereenkomst aan te bieden. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat als [handelsnaam] haar een arbeidsovereenkomst had aangeboden, zij op dit aanbod zou zijn ingegaan. Voor zover [gedaagde 2] dus niet expliciet de keuze aan [eiser] heeft voorgelegd om bij [gedaagde 2] in dienst te blijven of overgenomen te worden door [handelsnaam] , kan dit zonder gevolgen blijven.



4.11.

[eiser] heeft vanaf december 2025 geen loon meer ontvangen. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 2] het loon van [eiser] moet betalen van 1 tot en met 9 december 2025. Vanaf 10 december 2025 is [handelsnaam] gehouden tot betaling van het loon. [gedaagde 2] en [handelsnaam] zullen dienovereenkomstig worden veroordeeld tot betaling van het loon.



4.12.
De verzochte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente zullen als op de wet gegrond eveneens worden toegewezen, zoals in de beslissing te bepalen. De wettelijke verhoging zal, gelet op de omstandigheden, worden gematigd tot 30%. Het is immers niet gebleken dat [gedaagde 2] en [handelsnaam] bewust en uit kwade wil het loon niet aan [eiser] hebben uitbetaald. Anderzijds is [eiser] wel de dupe geworden van het juridische geschil tussen [gedaagde 2] en [handelsnaam] , waardoor zij maandenlang verstoken is geweest van loon, juridische bijstand heeft moeten inschakelen en uiteindelijk zelfs gedwongen is geweest tot het starten van deze procedure.



4.13.

[gedaagde 2] en [handelsnaam] dienen de salarisbetalingen te verantwoorden met salarisspecificaties. De hierop gerichte vordering van [eiser] is toewijsbaar. De gevorderde dwangsom op deze veroordeling zal worden toegewezen als hierna in de beslissing bepaald.



Uitbetaling vakantiegeld en -dagen





4.14.

[gedaagde 2] heeft de opgebouwde vakantiedagen en het vakantiegeld niet uitbetaald aan [eiser] . [gedaagde 2] heeft zich bereid verklaard deze betalingen alsnog te verrichten indien [eiser] afziet van overdracht van de vakantiedagen en het vakantiegeld aan [handelsnaam] . De vorderingen van [eiser] zien op uitbetaling van deze posten en op de mondelinge behandeling heeft [eiser] nogmaals herhaald dat zij uitbetaling wenst. De hierop gerichte vorderingen zijn daarom met wettelijke rente toewijsbaar. [gedaagde 2] dient de betalingen te verantwoorden in een (aanvullende) eindafrekening. Ook de vordering tot het verstrekken van deze eindafrekening is toewijsbaar. De gevorderde dwangsom op deze veroordeling zal worden toegewezen als hierna in de beslissing bepaald.



4.15.
Omdat deze vordering ziet op te late betaling van looncomponenten is [gedaagde 2] de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW verschuldigd. De wettelijke verhoging zal eveneens worden beperkt tot 30%.



Buitengerechtelijke kosten en proceskosten





4.16.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] bij dagvaarding voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, terwijl deze in overeenstemming zijn met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn daarom toewijsbaar. [eiser] heeft primair gevorderd dat [handelsnaam] deze kosten betaalt. Nu echter zowel [gedaagde 2] als [handelsnaam] de betalingsverplichtingen jegens [eiser] niet hebben voldaan, acht de kantonrechter het redelijk dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten.



4.17.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de proceskosten. Zowel [gedaagde 2] als [handelsnaam] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


151,94







- griffierecht


€


753,00







- salaris gemachtigde


€


865,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.913,94











4.18.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing




De kantonrechter




ten aanzien van [gedaagde 2] :





5.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een eindafrekening aan [eiser] te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde 2] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,-,



5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen de waarde van de niet-genoten vakantiedagen en het opgebouwde vakantiegeld tot 10 december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening,



5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen de beperkte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 30% over de waarde in geld van de niet-genoten vakantiedagen en het opgebouwde vakantiegeld tot 10 december 2025,



5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen het netto-equivalent van het achterstallige brutoloon tijdens ziekte van 1 december 2025 tot en met 9 december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening,



5.5.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen de beperkte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 30% over het achterstallige loon van 1 december 2025 tot en met 9 december 2025,



5.6.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 12 juni 2026 tot de dag van algehele voldoening,



5.7.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een salarisspecificatie die ziet op het loon van 1 december 2025 tot en met 9 december 2025 aan [eiser] te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde 2] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,-,



ten aanzien van [handelsnaam] :





5.8.
veroordeelt [handelsnaam] om aan [eiser] te betalen het netto-equivalent van het achterstallige brutoloon tijdens ziekte van 10 december 2025 tot en met de maand mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag van de maand volgend op de maand waarover het loon verschuldigd is tot de dag der algehele voldoening,



5.9.
veroordeelt [handelsnaam] om aan [eiser] te betalen de beperkte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 30% over het achterstallige loon van 10 december 2025 tot en met de maand mei 2026,




5.10.
veroordeelt [handelsnaam] om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 14 mei 2026 tot de dag van algehele voldoening,



5.11.
veroordeelt [handelsnaam] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis salarisspecificaties die zien op het loon van 10 december 2025 tot en met de maand mei 2026 aan [eiser] te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte van een dag dat [handelsnaam] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,-,



5.12.
veroordeelt [handelsnaam] om aan [eiser] te betalen het loon dat zij na mei 2026 verschuldigd is tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd,



ten aanzien van zowel [gedaagde 2] als [handelsnaam] :





5.13.
veroordeelt [gedaagde 2] en [handelsnaam] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 888,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2026 tot de dag der algehele voldoening,



5.14.
veroordeelt [gedaagde 2] en Schoonbedrijf hoofdelijk in de proceskosten van € 1.913,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] en Schoonbedrijf niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.15.
veroordeelt [gedaagde 2] en Schoonbedrijf hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.16.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.17.
wijst het meer of anders gevorderde af.










Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.