Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8937
2026-09-08
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12073050 \ CV EXPL 26-1075
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Particuliere onderwijsovereenkomst. Eiseres beperkt haar vorderingen tot € 25.000,-. Voldaan aan informatieplicht. Vorderingen worden toegewezen; betalingsachterstand over twee schooljaren moet door de ouder van de minderjarige scholier worden vergoed.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2108 Gerechtshof Den Haag 30-06-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:2229 Gerechtshof Amsterdam 09-06-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.832 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12073050 \ CV EXPL 26-1075
Vonnis van 8 september 2026
in de zaak van:
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederende in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 januari 2026 met bijlagen van [eiser] ;
- de mondeling genomen conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
- de aanvullende foto’s van 5 maart 2026 van [gedaagde] ;
- het tussenvonnis van 13 maart 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende foto’s van 1 juli 2026 van [gedaagde] ;
- de aanvullende productie 7 van 7 juli 2026 van [eiser] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Namens [eiser] zijn verschenen: de heer [naam] ( [functie] ) met mr. G.F. Priester namens de gemachtigde. [gedaagde] heeft op de dag van de mondelinge behandeling per e-mail laten weten dat zij wegens ziekte niet aanwezig kon zijn. [eiser] heeft haar zaak toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verklaard en gebeurd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] exploiteert in [vestigingsplaats] een particuliere school voor voortgezet onderwijs.
2.2.
[gedaagde] heeft met [eiser] op 19 november 2023 een mondelinge onderwijsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] zich ertoe heeft verbonden om onderwijs te verschaffen aan de minderjarige dochter van [gedaagde] voor de duur van één onderwijsjaar. De dochter is per 20 november 2023 ingestroomd bij [eiser] voor de resterende duur van het onderwijsjaar 2023-2024. [gedaagde] heeft een intakegesprek op de locatie van [eiser] te [vestigingsplaats] gevoerd en haar dochter aangemeld door een aanmeldformulier in te vullen. Op de overeenkomst zijn de ‘Algemene voorwaarden [bedrijf] B.V.’ (hierna: AV) van toepassing.
2.3.
[gedaagde] is krachtens de onderwijsovereenkomst schoolgeld verschuldigd aan [eiser] . [eiser] heeft [gedaagde] hiervoor op 11 december 2023 een factuur gestuurd ter hoogte van € 21.743,75. Op verzoek van [gedaagde] zijn partijen overeengekomen dat het schoolgeld in vijf termijnen kon worden voldaan.
2.4.
[gedaagde] heeft de derde tot en met de vijfde termijn onbetaald gelaten. [eiser] heeft hierover vanaf 28 maart 2024 meermaals gecommuniceerd met [gedaagde] . [gedaagde] heeft op 22 augustus 2024 aangegeven dat zij verwachtte dat haar huis in Oekraïne spoedig zou worden verkocht. Met de opbrengst daarvan zou zij het nog verschuldigde onderwijsgeld voor haar dochter volledig kunnen betalen.
2.5.
[eiser] heeft naar aanleiding van de e-mail van [gedaagde] van 22 augustus 2024 besloten om de dochter van [gedaagde] toch toe te laten tot het onderwijsjaar 2024-2025 en [gedaagde] hiervan per e-mail van 4 september 2024 op de hoogte gesteld. In dezelfde e-mail is de factuur voor het schoolgeld over 2024-2025 ter hoogte van € 29.470,- als bijlage meegestuurd. [gedaagde] is er daarbij op geattendeerd dat de openstaande factuur over 2023-2024 nog moest worden voldaan.
2.6.
[gedaagde] heeft het schoolgeld over 2024-2025 niet aan [eiser] betaald. [eiser] heeft de dochter van [gedaagde] dientengevolge uiteindelijk op medio februari 2025 de toegang tot de school ontzegd en de onderwijsovereenkomst tussentijds beëindigd. Omdat de dochter van [gedaagde] haar schooljaar hierdoor niet heeft kunnen afmaken, heeft [eiser] € 13.727,50 van de openstaande factuur voor 2024-2025 gecrediteerd.
2.7.
Het door [eiser] ingeschakelde incassobureau heeft op 26 maart en 17 april 2025 aanmaningen verstuurd aan [gedaagde] om de achterstand te voldoen. Partijen hebben hierna op of omstreeks 28 april 2025 een betalingsregeling getroffen, maar [gedaagde] is de regeling zo goed als niet nagekomen. De regeling is als gevolg hiervan op 8 december 2025 komen te vervallen.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, zakelijk en verkort weergegeven, dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 25.000,-, zo nodig met inbegrip van de wettelijke rente daarover en buitengerechtelijke incassokosten. Voorts vordert [eiser] dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een particuliere onderwijsovereenkomst voor de minderjarige dochter van [gedaagde] gesloten. Krachtens deze overeenkomst is [gedaagde] verplicht om onderwijsgeld te betalen aan [eiser] . [gedaagde] is haar betalingsverplichtingen over de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025 echter niet (volledig) nagekomen, waardoor een betalingsachterstand is ontstaan. [gedaagde] moet deze achterstand in haar volledigheid voldoen. Verder is [gedaagde] tijdens het intakegesprek geïnformeerd over de hoogte van het verschuldigde schoolgeld. [gedaagde] is daarbij ook akkoord gegaan met de AV en deze zijn aan haar verstrekt.
3.2.1.
De achterstand bedraagt € 27.988,75 en hier moeten de wettelijke rente en incassokosten nog bij worden opgeteld, aldus [eiser] . De totale vordering bedraagt daarmee, na aftrek van een recente betaling door [gedaagde] , in totaal € 30.850,69. Voor zover de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat de vorderingen moeten worden toegewezen tot een bedrag dat de competentiegrens van de kantonrechter overstijgt, beperkt [eiser] haar vorderingen om haar moverende redenen tot € 25.000,-.
3.3.
[gedaagde] betwist de vorderingen van [eiser] niet. Zij verzoekt de kantonrechter rekening te houden met haar persoonlijke omstandigheden die tot de betalingsachterstand hebben geleid.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ambtshalve toetsing
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de onderwijsovereenkomst is gesloten tussen een handelaar ( [eiser] ) en een consument ( [gedaagde] ). De overeenkomst is tot stand gekomen anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Dit maakt dat de kantonrechter ambtshalve moet onderzoeken of [eiser] heeft voldaan aan haar (pré)contractuele informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast moet de kantonrechter onderzoeken of de onderwijsovereenkomst en de daarop toepasselijke AV oneerlijke bedingen bevatten in de zin van Richtlijn 93/11/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
Informatieplicht
4.2.
De kantonrechter overweegt dat [eiser] heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen, meer specifiek aan artikel 6:230l aanhef en sub c BW. [eiser] heeft gesteld dat de omvang van het schoolgeld over 2023-2024 tijdens het intakegesprek met [gedaagde] is besproken. [gedaagde] bevestigt dit ook, zoals volgt uit de door haar mondeling genomen conclusie van antwoord. Dat de omvang van het schoolgeld is besproken, volgt daarnaast uit het aanmeldformulier. Daarin komt namelijk naar voren dat partijen een afwijkende regeling, namelijk: vijf termijnen, zijn overeengekomen voor de betaling van het schoolgeld. Dit impliceert dat partijen met elkaar overleg hebben gevoerd over de omvang van de met de termijnen gemoeide betalingen en dat daarmee de totale omvang van het schoolgeld is besproken.
Toepasselijkheid AV en oneerlijke bedingen
4.3.
[gedaagde] heeft de stellingen van [eiser] dat de AV haar destijds ter hand zijn gesteld niet betwist. Dit leidt de kantonrechter tot het oordeel dat de AV voorafgaande aan of bij de totstandkoming van de onderwijsovereenkomst zijn verstrekt aan [gedaagde] en dat zij van toepassing zijn op de onderlinge rechtsverhouding.
4.4.
De kantonrechter laat bij de beoordeling van dit geschil in het midden of de onderwijsovereenkomst en de AV oneerlijke bedingen bevatten, zoals ten aanzien van de verschuldigde rente en incassokosten. Zoals hierna uiteen te zetten, komt de kantonrechter namelijk tot het oordeel dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom aan betalingsachterstanden moet worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,-, terwijl het bedrag aan eigenlijk verschuldigd lesgeld dit toe te wijzen bedrag overschrijdt. De eventuele vernietiging van oneerlijke bedingen zou daarmee dan ook niet van invloed zijn op het door de kantonrechter toe te wijzen bedrag, voor zover die oneerlijke bedingen [eiser] in staat zouden stellen om het evenwicht tussen partijen ten nadele van [gedaagde] aanzienlijk te verstoren. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
Betalingsachterstand
4.5.
Tussen partijen staat vast dat zij een mondelinge onderwijsovereenkomst ten bate van de minderjarige dochter van [gedaagde] hebben gesloten. Voorts is niet in geschil dat [gedaagde] te [vestigingsplaats] een intakegesprek heeft gevoerd met [eiser] en dat zij een aanmeldformulier voor haar dochter heeft ingevuld. De dochter van [gedaagde] heeft, kortgezegd, vanaf 20 november 2023 tot en met 17 februari 2025 onderwijs gevolgd bij [eiser] . [gedaagde] betwist niet dat zij [eiser] het schoolgeld over deze periodes verschuldigd is en ook niet dat de facturen hiervoor niet (volledig) zijn betaald.
4.6.
Nu [gedaagde] de door [eiser] gevorderde bedragen in hun geheel niet heeft betwist, wijst de kantonrechter de door [eiser] gevorderde hoofdsom als volgt toe. [eiser] heeft voor de periode dat de dochter van [gedaagde] onderwijs heeft gevolgd in totaal € 51.213,75 in rekening gebracht bij [gedaagde] . [eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] in totaal € 9.497,50 daarop heeft afgelost en dat een creditering van € 13.727,50 is toegepast op de openstaande facturen. Daarmee staat een bedrag van € 27.988,75 open dat door [gedaagde] moet worden voldaan. Van dit bedrag wijst de kantonrechter € 25.000,- toe, aangezien [eiser] de kantonrechter heeft verzocht bij de toewijzing van haar vorderingen binnen de competentiegrens van de kantonrechter te blijven.
Persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] en de dochter
4.7.
Hoewel [gedaagde] de vorderingen van [eiser] niet heeft betwist, heeft zij wel aangevoerd dat zij genoodzaakt was om particulier onderwijs voor haar dochter te zoeken, omdat haar dochter niet goed in haar vel zat. In dit verband heeft [gedaagde] verklaard dat het haar niet is gelukt om haar dochter bij een openbare onderwijsinstelling aan te melden. Hoezeer ook begrijpelijk is dat [gedaagde] haar dochter met de beste bedoelingen heeft aangemeld bij [eiser] om het welzijn van haar dochter te bevorderen, kunnen deze omstandigheden er niet toe leiden dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen, dan wel verlaagd. [gedaagde] heeft er namelijk zelf tot tweemaal toe voor gekozen om haar dochter onderwijs te laten volgen aan een particuliere onderwijsinstelling en voet bij stuk gehouden dat zij de ontstane betalingsachterstand zou inlopen. Dat [gedaagde] hierin niet is geslaagd, komt daarom voor haar rekening en risico.
Proceskostenveroordeling
4.8.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden tot op heden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.955,77
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum der dagvaarding;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.955,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Mulderije en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.
Hof Den Haag 30 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2108; Hof Amsterdam 9 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2229.
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12073050 \ CV EXPL 26-1075
Vonnis van 8 september 2026
in de zaak van:
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederende in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 januari 2026 met bijlagen van [eiser] ;
- de mondeling genomen conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
- de aanvullende foto’s van 5 maart 2026 van [gedaagde] ;
- het tussenvonnis van 13 maart 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende foto’s van 1 juli 2026 van [gedaagde] ;
- de aanvullende productie 7 van 7 juli 2026 van [eiser] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Namens [eiser] zijn verschenen: de heer [naam] ( [functie] ) met mr. G.F. Priester namens de gemachtigde. [gedaagde] heeft op de dag van de mondelinge behandeling per e-mail laten weten dat zij wegens ziekte niet aanwezig kon zijn. [eiser] heeft haar zaak toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verklaard en gebeurd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] exploiteert in [vestigingsplaats] een particuliere school voor voortgezet onderwijs.
2.2.
[gedaagde] heeft met [eiser] op 19 november 2023 een mondelinge onderwijsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] zich ertoe heeft verbonden om onderwijs te verschaffen aan de minderjarige dochter van [gedaagde] voor de duur van één onderwijsjaar. De dochter is per 20 november 2023 ingestroomd bij [eiser] voor de resterende duur van het onderwijsjaar 2023-2024. [gedaagde] heeft een intakegesprek op de locatie van [eiser] te [vestigingsplaats] gevoerd en haar dochter aangemeld door een aanmeldformulier in te vullen. Op de overeenkomst zijn de ‘Algemene voorwaarden [bedrijf] B.V.’ (hierna: AV) van toepassing.
2.3.
[gedaagde] is krachtens de onderwijsovereenkomst schoolgeld verschuldigd aan [eiser] . [eiser] heeft [gedaagde] hiervoor op 11 december 2023 een factuur gestuurd ter hoogte van € 21.743,75. Op verzoek van [gedaagde] zijn partijen overeengekomen dat het schoolgeld in vijf termijnen kon worden voldaan.
2.4.
[gedaagde] heeft de derde tot en met de vijfde termijn onbetaald gelaten. [eiser] heeft hierover vanaf 28 maart 2024 meermaals gecommuniceerd met [gedaagde] . [gedaagde] heeft op 22 augustus 2024 aangegeven dat zij verwachtte dat haar huis in Oekraïne spoedig zou worden verkocht. Met de opbrengst daarvan zou zij het nog verschuldigde onderwijsgeld voor haar dochter volledig kunnen betalen.
2.5.
[eiser] heeft naar aanleiding van de e-mail van [gedaagde] van 22 augustus 2024 besloten om de dochter van [gedaagde] toch toe te laten tot het onderwijsjaar 2024-2025 en [gedaagde] hiervan per e-mail van 4 september 2024 op de hoogte gesteld. In dezelfde e-mail is de factuur voor het schoolgeld over 2024-2025 ter hoogte van € 29.470,- als bijlage meegestuurd. [gedaagde] is er daarbij op geattendeerd dat de openstaande factuur over 2023-2024 nog moest worden voldaan.
2.6.
[gedaagde] heeft het schoolgeld over 2024-2025 niet aan [eiser] betaald. [eiser] heeft de dochter van [gedaagde] dientengevolge uiteindelijk op medio februari 2025 de toegang tot de school ontzegd en de onderwijsovereenkomst tussentijds beëindigd. Omdat de dochter van [gedaagde] haar schooljaar hierdoor niet heeft kunnen afmaken, heeft [eiser] € 13.727,50 van de openstaande factuur voor 2024-2025 gecrediteerd.
2.7.
Het door [eiser] ingeschakelde incassobureau heeft op 26 maart en 17 april 2025 aanmaningen verstuurd aan [gedaagde] om de achterstand te voldoen. Partijen hebben hierna op of omstreeks 28 april 2025 een betalingsregeling getroffen, maar [gedaagde] is de regeling zo goed als niet nagekomen. De regeling is als gevolg hiervan op 8 december 2025 komen te vervallen.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, zakelijk en verkort weergegeven, dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 25.000,-, zo nodig met inbegrip van de wettelijke rente daarover en buitengerechtelijke incassokosten. Voorts vordert [eiser] dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een particuliere onderwijsovereenkomst voor de minderjarige dochter van [gedaagde] gesloten. Krachtens deze overeenkomst is [gedaagde] verplicht om onderwijsgeld te betalen aan [eiser] . [gedaagde] is haar betalingsverplichtingen over de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025 echter niet (volledig) nagekomen, waardoor een betalingsachterstand is ontstaan. [gedaagde] moet deze achterstand in haar volledigheid voldoen. Verder is [gedaagde] tijdens het intakegesprek geïnformeerd over de hoogte van het verschuldigde schoolgeld. [gedaagde] is daarbij ook akkoord gegaan met de AV en deze zijn aan haar verstrekt.
3.2.1.
De achterstand bedraagt € 27.988,75 en hier moeten de wettelijke rente en incassokosten nog bij worden opgeteld, aldus [eiser] . De totale vordering bedraagt daarmee, na aftrek van een recente betaling door [gedaagde] , in totaal € 30.850,69. Voor zover de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat de vorderingen moeten worden toegewezen tot een bedrag dat de competentiegrens van de kantonrechter overstijgt, beperkt [eiser] haar vorderingen om haar moverende redenen tot € 25.000,-.
3.3.
[gedaagde] betwist de vorderingen van [eiser] niet. Zij verzoekt de kantonrechter rekening te houden met haar persoonlijke omstandigheden die tot de betalingsachterstand hebben geleid.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ambtshalve toetsing
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de onderwijsovereenkomst is gesloten tussen een handelaar ( [eiser] ) en een consument ( [gedaagde] ). De overeenkomst is tot stand gekomen anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Dit maakt dat de kantonrechter ambtshalve moet onderzoeken of [eiser] heeft voldaan aan haar (pré)contractuele informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast moet de kantonrechter onderzoeken of de onderwijsovereenkomst en de daarop toepasselijke AV oneerlijke bedingen bevatten in de zin van Richtlijn 93/11/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
Informatieplicht
4.2.
De kantonrechter overweegt dat [eiser] heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen, meer specifiek aan artikel 6:230l aanhef en sub c BW. [eiser] heeft gesteld dat de omvang van het schoolgeld over 2023-2024 tijdens het intakegesprek met [gedaagde] is besproken. [gedaagde] bevestigt dit ook, zoals volgt uit de door haar mondeling genomen conclusie van antwoord. Dat de omvang van het schoolgeld is besproken, volgt daarnaast uit het aanmeldformulier. Daarin komt namelijk naar voren dat partijen een afwijkende regeling, namelijk: vijf termijnen, zijn overeengekomen voor de betaling van het schoolgeld. Dit impliceert dat partijen met elkaar overleg hebben gevoerd over de omvang van de met de termijnen gemoeide betalingen en dat daarmee de totale omvang van het schoolgeld is besproken.
Toepasselijkheid AV en oneerlijke bedingen
4.3.
[gedaagde] heeft de stellingen van [eiser] dat de AV haar destijds ter hand zijn gesteld niet betwist. Dit leidt de kantonrechter tot het oordeel dat de AV voorafgaande aan of bij de totstandkoming van de onderwijsovereenkomst zijn verstrekt aan [gedaagde] en dat zij van toepassing zijn op de onderlinge rechtsverhouding.
4.4.
De kantonrechter laat bij de beoordeling van dit geschil in het midden of de onderwijsovereenkomst en de AV oneerlijke bedingen bevatten, zoals ten aanzien van de verschuldigde rente en incassokosten. Zoals hierna uiteen te zetten, komt de kantonrechter namelijk tot het oordeel dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom aan betalingsachterstanden moet worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,-, terwijl het bedrag aan eigenlijk verschuldigd lesgeld dit toe te wijzen bedrag overschrijdt. De eventuele vernietiging van oneerlijke bedingen zou daarmee dan ook niet van invloed zijn op het door de kantonrechter toe te wijzen bedrag, voor zover die oneerlijke bedingen [eiser] in staat zouden stellen om het evenwicht tussen partijen ten nadele van [gedaagde] aanzienlijk te verstoren. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
Betalingsachterstand
4.5.
Tussen partijen staat vast dat zij een mondelinge onderwijsovereenkomst ten bate van de minderjarige dochter van [gedaagde] hebben gesloten. Voorts is niet in geschil dat [gedaagde] te [vestigingsplaats] een intakegesprek heeft gevoerd met [eiser] en dat zij een aanmeldformulier voor haar dochter heeft ingevuld. De dochter van [gedaagde] heeft, kortgezegd, vanaf 20 november 2023 tot en met 17 februari 2025 onderwijs gevolgd bij [eiser] . [gedaagde] betwist niet dat zij [eiser] het schoolgeld over deze periodes verschuldigd is en ook niet dat de facturen hiervoor niet (volledig) zijn betaald.
4.6.
Nu [gedaagde] de door [eiser] gevorderde bedragen in hun geheel niet heeft betwist, wijst de kantonrechter de door [eiser] gevorderde hoofdsom als volgt toe. [eiser] heeft voor de periode dat de dochter van [gedaagde] onderwijs heeft gevolgd in totaal € 51.213,75 in rekening gebracht bij [gedaagde] . [eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] in totaal € 9.497,50 daarop heeft afgelost en dat een creditering van € 13.727,50 is toegepast op de openstaande facturen. Daarmee staat een bedrag van € 27.988,75 open dat door [gedaagde] moet worden voldaan. Van dit bedrag wijst de kantonrechter € 25.000,- toe, aangezien [eiser] de kantonrechter heeft verzocht bij de toewijzing van haar vorderingen binnen de competentiegrens van de kantonrechter te blijven.
Persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] en de dochter
4.7.
Hoewel [gedaagde] de vorderingen van [eiser] niet heeft betwist, heeft zij wel aangevoerd dat zij genoodzaakt was om particulier onderwijs voor haar dochter te zoeken, omdat haar dochter niet goed in haar vel zat. In dit verband heeft [gedaagde] verklaard dat het haar niet is gelukt om haar dochter bij een openbare onderwijsinstelling aan te melden. Hoezeer ook begrijpelijk is dat [gedaagde] haar dochter met de beste bedoelingen heeft aangemeld bij [eiser] om het welzijn van haar dochter te bevorderen, kunnen deze omstandigheden er niet toe leiden dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen, dan wel verlaagd. [gedaagde] heeft er namelijk zelf tot tweemaal toe voor gekozen om haar dochter onderwijs te laten volgen aan een particuliere onderwijsinstelling en voet bij stuk gehouden dat zij de ontstane betalingsachterstand zou inlopen. Dat [gedaagde] hierin niet is geslaagd, komt daarom voor haar rekening en risico.
Proceskostenveroordeling
4.8.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden tot op heden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.955,77
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum der dagvaarding;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.955,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Mulderije en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.
Hof Den Haag 30 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2108; Hof Amsterdam 9 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2229.