Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8799
2026-06-19
Civiel recht
K/4001/12013414 \ CV EXPL 25-17346
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervoer van containers met schoolmeubilair naar Suriname. Gedaagde is opdrachtgever en heeft ook een verklaring getekend dat zij gehouden is voor de kosten te betalen. Uit stukken blijkt niet dat het Ministerie in Suriname de schuld heeft overgenomen. Gedaagde moet de kosten betalen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:1012 Hoge Raad 02-06-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.406 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12013414 \ CV EXPL 25-17346
Vonnis van 19 juni 2026
in de zaak van
"VERTRACO'' SHIPPING B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Vertraco,
gemachtigde: mw. N. Beemster (Juristu Incasso Juristen)
tegen
STICHTING EVANGELISATIE GROEP ''HET BARMHARTIGE HUIS VAN GOD'' DER Z.D.A.,
gevestigd te Wezep,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SEG,
gemachtigde: mr. C.P. Bean.
1De zaak in het kort
Vertraco heeft in opdracht van SEG containers met schoolmeubilair naar Suriname laten vervoeren. Vertraco vordert van SEG betaling van de kosten van dat vervoer. SEG heeft aangevoerd dat het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur in Suriname (hierna: het Ministerie) de overeenkomst is aangegaan, dan wel dat het Ministerie de kosten voor het vervoer zou vergoeden. SEG heeft echter de opdracht voor het vervoer gegeven en zij heeft ook een verklaring getekend dat zij gehouden is de kosten te betalen. Dat de schuld door het Ministerie van SEG is overgenomen en/of is betaald blijkt niet uit de stukken. Ook het beroep van SEG op de klachtplicht slaagt niet, omdat Vertraco wel tijdig heeft geklaagd over de uitblijvende betaling. SEG wordt daarom veroordeeld om de kosten van het vervoer te betalen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 november 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 3 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de aanvullende productie van Vertraco van 22 mei 2026,- de akte van SEG van 22 mei 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Vertraco is een logistiek dienstverlener. Zij treedt onder meer op als tussenpersoon in het goederenvervoer.
3.2.
SEG is een levensbeschouwelijke stichting. Zij houdt zich onder meer bezig met het ondersteunen van het onderwijs in Suriname. De ondersteuning van SEG richt zich onder meer op het aanleveren van schoolmeubilair. SEG heeft daarvoor in 2022 schoolmeubilair verzameld, dat per container vervoerd moesten worden naar Suriname. SEG heeft over het schoolmeubilair contact gehad met het Ministerie, omdat het Ministerie interesse had in het schoolmeubilair.
3.3.
Voor het vervoer van de containers met schoolmeubilair heeft SEG contact opgenomen met Vertraco. Partijen hebben per e-mail gecorrespondeerd over de te vervoeren containers en de kosten daarvan. Op 22 december 2022 geeft SEG haar akkoord:
“Ik ga 100% akkoord met de kosten…. die betaal ik ook… Nee ik ben blij dat jullie ons willen helpen. Ik persoonlijk vind het te land duren.
Eindelijk schot in de roos. (…)”
3.4.
Vertraco heeft voor de verzending van de containers samengewerkt met Integra Marine & Freight Services N.V. (hierna: Integra). Integra was namens Vertraco de partij die de containers (en eventueel de betaling) zou ontvangen. In februari 2023 zijn de containers in Suriname aangekomen.
3.5.
Vertraco heeft voor het vervoer van de containers twee facturen opgesteld. De eerste factuur, met factuurnummer [fact.nr. 1] , dateert van 19 januari 2023 en bedraagt USD 15.174,69. De tweede factuur, met factuurnummer [fact.nr. 2] , dateert van 1 februari 2023 en bedraagt USD 9.121,72. De facturen zijn gericht aan N.V. Fribio (hierna: Fribio) te Suriname, een stichting die namens het Ministerie optreedt. Betaling van de facturen bleef echter uit, waarop Vertraco besloot de containers niet vrij te geven.
3.6.
Vertraco en SEG hebben vervolgens contact gehad over de containers en de onbetaald gebleven facturen, waarna SEG op 16 augustus 2023 een document getiteld ‘schuldverklaring’ heeft getekend (hierna: de schuldverklaring). Daarin staat, voor zover hier relevant, het volgende:
“
Schuldverklaring
Stichting Het Barmhartige Huis van God vertegenwoordigd door Dhr. [naam 1] (…) verklaart wegens een aankoop van transportdiensten voor 3 maal 40ft container geladen met hulpgoederen vanuit Nederland via Vlissingen naar Paramaribo een bedrag van USD 19.296,41 schuldig te zijn aan Vertraco Shipping BV te Rotterdam (verder schuldeiser genoemd).
Het bedrag is als volgt opgebouwd:
faktuur [fact.nr. 1] d.d. 19-01-2023 a USD 15.174,69
faktuur [fact.nr. 2] d.d. 01-02-2023 a USD 9.121,72
minus een aanbetaling a USD 5.000 overeengekomen op 16-08-2023 en overeenkomstig voldaan
Hiertoe komen zij het navolgende overeen.
De volgende bepalingen en bedingen gelden:
1. De hoofdsom wordt afgelost met een bedrag van USD 1.000,00 per maand,
ingaande op 01-10-2023 en vervolgens op de 1e van iedere maand. Deze bepaling
vervalt op het moment dat de schuldeiser het bedrag onmiddellijk geheel opeist,
zoals omschreven in bepaling 3.
2. De overeenkomst blijft geldig tot het bovengenoemde openstaande bedrag volledig
voldaan is. De schuldenaar mag op ieder moment de schuld geheel of gedeeltelijk
aflossen.
3. De hoofdsom of het restant daarvan is met rente en kosten dadelijk opeisbaar
zonder voorafgaande opzegging als:
- de schuldenaar de rente niet uiterlijk op de maandelijkse vervaldatum betaalt;
- de schuldenaar andere verplichtingen tegenover de schuldeiser niet nakomt;
- (…)
- de schuldenaar is in gebreke indien de termijn verloopt er is geen andere akte van
in verzuimstelling nodig.
(…)”
3.7.
Op 25 augustus 2023 heeft SEG de in de schuldverklaring (ro. 2.6.) genoemde aanbetaling gedaan. Vertraco heeft daarna de containers vrijgegeven.
3.8.
SEG heeft op 27 augustus 2023 een e-mail aan de Minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur in Suriname gestuurd (verder: de Minister) over het schoolmeubilair en de daarvoor gemaakte kosten, en heeft daarin vermeld dat SEG zo snel mogelijk afspraken wil maken over de betaling daarvan. Daarop is door de Minister als volgt gereageerd:
“De zaak begint rare wendingen te nemen. Het ministerie heeft nog steeds interesse in het meubilair. Wel moet realistisch worden aanggeven wat in containers zit!
En. Wat voor bedrag betaald moet worden. Als min zijn wecgehouden aan regels. Ik ben afhankelijk voor de betalingen vanuiy min fin. Dit met duidelijke onderliggen stukken! (…)”
3.9.
Ook in september 2023 heeft SEG contact gezocht met het Ministerie met het verzoek om zo snel mogelijk de kosten voor het vervoer van de containers met schoolmeubilair te betalen.
3.10.
De overeengekomen aflossing van USD 1.000,00 per maand, waarvan de eerste termijn op 1 oktober 2023 door Vertraco ontvangen had moeten zijn, is niet voldaan. Op 9 oktober 2023 heeft Vertraco SEG daarom verzocht om alsnog tot betaling van het aflossingsbedrag over te gaan.
3.11.
Op 12 februari 2024 hebben partijen via WhatsApp contact gehad over (de betaling van) de facturen van Vertraco. Vertraco schrijft daarover onder meer:
“Van [naam 2] (ktr: Integra) heb ik begrepen dat er een aangepaste factuur is opgemaakt waarmee mevrouw [naam 3] (ktr: Ministerie) de betaling in orde kan maken.”
3.12.
SEG heeft in mei 2024 opnieuw contact opgenomen met het Ministerie. Het Ministerie is niet overgegaan tot betaling van de facturen van Vertraco. Ook SEG heeft na de betaling van 25 augustus 2023 (ro 2.7) niets meer betaald.
4Het geschil
4.1.
Vertraco vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis SEG te veroordelen tot betaling van € 18.052,87 aan hoofdsom, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van SEG in de kosten van het geding, ook te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Vertraco legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht van SEG schoolmeubilair heeft vervoerd naar Suriname. Die overeenkomst is met SEG aangegaan, niet met het Ministerie. SEG heeft aangegeven dat het Ministerie zou gaan betalen, maar dat is niet gebeurd. Na betaling van een deel van het openstaande bedrag door SEG en het tekenen van de schuldverklaring, waarin ook een betalingsregeling is afgesproken, zijn de goederen vrijgegeven. Verdere betaling is daarna uitgebleven, aldus Vertraco.
4.3.
SEG voert verweer. SEG concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Vertraco, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Vertraco, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Vertraco in de kosten van deze procedure.
4.4.
SEG voert daartoe aan dat zij heeft gehandeld in opdracht van het Ministerie. Er is daarom geen overeenkomst tussen SEG en Vertraco. SEG betwist dat het Ministerie niet heeft betaald. De minister heeft persoonlijk toegezegd de facturen te zullen betalen. De facturen staan daarom ook op naam van Fribio, een stichting die namens het Ministerie de goederen zou ontvangen. SEG heeft alleen de schuldverklaring getekend en een bedrag van € 5.000,00 betaald omdat de stallingskosten hoog opliepen en de goederen moesten worden afgehaald. SEG voert subsidiair aan dat het vorderingsrecht van Vertraco is komen te vervallen omdat zij niet tijdig heeft geklaagd. Daardoor is SEG in haar belangen geschaad. De vordering moet dan ook worden afgewezen, aldus SEG.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of Vertraco een overeenkomst met SEG is aangegaan. Zoals hierna zal worden toegelicht, moet die vraag bevestigend worden beantwoord.
Overeenkomst met SEG
5.2.
SEG heeft aangevoerd dat zij in opdracht van het Ministerie handelde en dat niet zij, maar het Ministerie de overeenkomst met Vertraco is aangegaan. Die stelling vindt echter geen steun in de stukken. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen blijkt dat SEG de opdracht geeft aan Vertraco en zij ook zelf akkoord geeft op de kosten daarvoor (ro. 2.3.). Dat SEG op dat moment bemiddelde om tussen het Ministerie (of Fribio) en Vertraco een overeenkomst tot stand te brengen, blijkt niet uit de stukken. Het enkele feit dat de factuur op naam van Fribio is gezet, is daarvoor onvoldoende. SEG is dan ook zelf de overeenkomst met Vertraco aangegaan. Dat wordt bevestigd door de schuldverklaring (ro. 2.6.) die SEG op 16 augustus 2023 heeft getekend, waarin zij heeft verklaard ‘wegens een aankoop van transportdiensten’ gehouden te zijn het openstaande bedrag van USD 19.296,41 (omgerekend € 18.052,87) te betalen.
5.3.
Dat Integra in februari 2024 kennelijk de facturen heeft aangepast zodat het Ministerie deze zou kunnen betalen (ro. 2.12.), maakt niet dat daarmee de betalingsverplichting van SEG is komen te vervallen. Met enkel het aanpassen van de facturen gaat die verbintenis nog niet over op het Ministerie. SEG heeft verder nog aangevoerd dat het Ministerie daadwerkelijk heeft betaald, maar dat is door Vertraco betwist en verder niet door SEG onderbouwd.
5.4.
Voor zover SEG met haar verwijzing naar het Ministerie heeft bedoeld om aan te voeren dat sprake is van schuldoverneming (artikel 6:155 Burgerlijk Wetboek (BW)) wordt als volgt geoordeeld. Voor schuldoverneming is vereist dat het Ministerie de schuld heeft overgenomen en dat Vertraco daarvoor toestemming heeft gegeven. Uit de stukken blijkt niet dat het Ministerie de schuld heeft overgenomen. Het lijkt er weliswaar op dat het Ministerie inderdaad interesse had in het schoolmeubilair en daar mogelijk ook (iets) voor wilde betalen, maar dat is onvoldoende om van schuldoverneming uit te gaan. Stukken waaruit blijkt dat hierover concrete afspraken zijn gemaakt, ontbreken. Na de mondelinge behandeling is de zaak voor zes weken aangehouden om partijen, met name SEG, in de gelegenheid te stellen hierover contact op te nemen met het Ministerie. Helaas hebben partijen ook in die periode geen informatie of betaling van het Ministerie kunnen verkrijgen. Dat betekent dat SEG de facturen zal moeten betalen. De gevorderde hoofdsom is dus toewijsbaar.
Het beroep op de klachtplicht slaag niet
5.5.
SEG stelt subsidiair dat Vertraco te laat heeft geklaagd en dat daardoor haar vorderingsrecht is komen te vervallen. Vaststaat echter dat er wel is geklaagd. Ook nadat de betalingsregeling, waarvan de eerste betaling op 1 oktober 2023 binnen had moeten zijn, niet werd nagekomen, heeft Vertraco tijdig geklaagd, namelijk al op 9 oktober 2023. Anders dan SEG lijkt voor te staan, houdt de klachtplicht niet in dat Vertraco steeds had moeten blijven klagen. Voldoende is dat zij heeft geklaagd en dat ook tijdig heeft gedaan. Het beroep op de klachtplicht van SEG slaagt daarom niet.
Wettelijke rente
5.6.
Vertraco vordert ook de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 februari 2023, “(a)lthans de wettelijke (handels-)rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening”. In de dagvaarding ontbreekt enige toelichting op de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom. Ter zitting is Vertraco voorgehouden dat het er door voornoemde formulering van het dictum op lijkt dat primair de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) wordt gevorderd, en subsidiair de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW). Vertraco, die zonder haar gemachtigde op zitting is verschenen, heeft daarop geantwoord dat haar jurist dat heeft geschreven. Gezien voornoemde omstandigheden en het gegeven dat de vordering inclusief rente en kosten, als uitgegaan zou worden van de wettelijke handelsrente over de periode van 1 februari 2023 tot 28 november 2025 (datum dagvaarding), de competentiegrens van de kantonrechter (€ 25.000,00) te boven zou gaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat de gemachtigde van Vertraco er in deze zaak bewust voor heeft gekozen om de wettelijke rente van artikel 6:119 BW te vorderen.
5.7.
Vertraco vordert de wettelijke dus rente vanaf 1 februari 2023, de datum van de tweede factuur, dan wel vanaf de datum dat de dagvaarding is betekend. De wettelijke rente is echter verschuldigd vanaf het moment dat SEG in verzuim is, en daarover heeft Vertraco niets gesteld. Dat een ingebrekestelling in de gegeven omstandigheden niet nodig was, heeft Vertraco ook niet gesteld. De dagvaarding zou als ingebrekestelling kunnen dienen als deze voldoet aan de aan een ingebrekestelling te stellen eisen (ECLI:NL:HR:2017:1012). De dagvaarding in deze zaak kan echter niet als ingebrekestelling worden aangemerkt, omdat daarin geen termijn is genoemd waarin SEG alsnog kon nakomen. De wettelijke rente kan daarom niet eerder verschuldigd zijn dan vanaf de datum van dit vonnis.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.8.
Vertraco vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Vertraco heeft gesteld dat diverse buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Weliswaar staat niet vast dat de aanmaningen die de gemachtigde van Vertraco heeft verzonden SEG hebben bereikt, maar om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is in beginsel een enkele aanmaning voldoende. Zoals hiervoor al is overwogen staat vast dat de aanmaning van 9 oktober 2023 SEG heeft bereikt. Vertraco heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 955,53 worden toegewezen.
Proceskosten
5.9.
SEG is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vertraco worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.591,35
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt SEG om aan Vertraco te betalen een bedrag van € 18.052,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 juni 2026, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt SEG om aan Vertraco te betalen een bedrag van € 955,53 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt SEG in de proceskosten van € 2.591,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SEG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt SEG tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart de veroordelingen onder 6.1. tot en met 6.4. uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12013414 \ CV EXPL 25-17346
Vonnis van 19 juni 2026
in de zaak van
"VERTRACO'' SHIPPING B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Vertraco,
gemachtigde: mw. N. Beemster (Juristu Incasso Juristen)
tegen
STICHTING EVANGELISATIE GROEP ''HET BARMHARTIGE HUIS VAN GOD'' DER Z.D.A.,
gevestigd te Wezep,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SEG,
gemachtigde: mr. C.P. Bean.
1De zaak in het kort
Vertraco heeft in opdracht van SEG containers met schoolmeubilair naar Suriname laten vervoeren. Vertraco vordert van SEG betaling van de kosten van dat vervoer. SEG heeft aangevoerd dat het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur in Suriname (hierna: het Ministerie) de overeenkomst is aangegaan, dan wel dat het Ministerie de kosten voor het vervoer zou vergoeden. SEG heeft echter de opdracht voor het vervoer gegeven en zij heeft ook een verklaring getekend dat zij gehouden is de kosten te betalen. Dat de schuld door het Ministerie van SEG is overgenomen en/of is betaald blijkt niet uit de stukken. Ook het beroep van SEG op de klachtplicht slaagt niet, omdat Vertraco wel tijdig heeft geklaagd over de uitblijvende betaling. SEG wordt daarom veroordeeld om de kosten van het vervoer te betalen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 november 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 3 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de aanvullende productie van Vertraco van 22 mei 2026,- de akte van SEG van 22 mei 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Vertraco is een logistiek dienstverlener. Zij treedt onder meer op als tussenpersoon in het goederenvervoer.
3.2.
SEG is een levensbeschouwelijke stichting. Zij houdt zich onder meer bezig met het ondersteunen van het onderwijs in Suriname. De ondersteuning van SEG richt zich onder meer op het aanleveren van schoolmeubilair. SEG heeft daarvoor in 2022 schoolmeubilair verzameld, dat per container vervoerd moesten worden naar Suriname. SEG heeft over het schoolmeubilair contact gehad met het Ministerie, omdat het Ministerie interesse had in het schoolmeubilair.
3.3.
Voor het vervoer van de containers met schoolmeubilair heeft SEG contact opgenomen met Vertraco. Partijen hebben per e-mail gecorrespondeerd over de te vervoeren containers en de kosten daarvan. Op 22 december 2022 geeft SEG haar akkoord:
“Ik ga 100% akkoord met de kosten…. die betaal ik ook… Nee ik ben blij dat jullie ons willen helpen. Ik persoonlijk vind het te land duren.
Eindelijk schot in de roos. (…)”
3.4.
Vertraco heeft voor de verzending van de containers samengewerkt met Integra Marine & Freight Services N.V. (hierna: Integra). Integra was namens Vertraco de partij die de containers (en eventueel de betaling) zou ontvangen. In februari 2023 zijn de containers in Suriname aangekomen.
3.5.
Vertraco heeft voor het vervoer van de containers twee facturen opgesteld. De eerste factuur, met factuurnummer [fact.nr. 1] , dateert van 19 januari 2023 en bedraagt USD 15.174,69. De tweede factuur, met factuurnummer [fact.nr. 2] , dateert van 1 februari 2023 en bedraagt USD 9.121,72. De facturen zijn gericht aan N.V. Fribio (hierna: Fribio) te Suriname, een stichting die namens het Ministerie optreedt. Betaling van de facturen bleef echter uit, waarop Vertraco besloot de containers niet vrij te geven.
3.6.
Vertraco en SEG hebben vervolgens contact gehad over de containers en de onbetaald gebleven facturen, waarna SEG op 16 augustus 2023 een document getiteld ‘schuldverklaring’ heeft getekend (hierna: de schuldverklaring). Daarin staat, voor zover hier relevant, het volgende:
“
Schuldverklaring
Stichting Het Barmhartige Huis van God vertegenwoordigd door Dhr. [naam 1] (…) verklaart wegens een aankoop van transportdiensten voor 3 maal 40ft container geladen met hulpgoederen vanuit Nederland via Vlissingen naar Paramaribo een bedrag van USD 19.296,41 schuldig te zijn aan Vertraco Shipping BV te Rotterdam (verder schuldeiser genoemd).
Het bedrag is als volgt opgebouwd:
faktuur [fact.nr. 1] d.d. 19-01-2023 a USD 15.174,69
faktuur [fact.nr. 2] d.d. 01-02-2023 a USD 9.121,72
minus een aanbetaling a USD 5.000 overeengekomen op 16-08-2023 en overeenkomstig voldaan
Hiertoe komen zij het navolgende overeen.
De volgende bepalingen en bedingen gelden:
1. De hoofdsom wordt afgelost met een bedrag van USD 1.000,00 per maand,
ingaande op 01-10-2023 en vervolgens op de 1e van iedere maand. Deze bepaling
vervalt op het moment dat de schuldeiser het bedrag onmiddellijk geheel opeist,
zoals omschreven in bepaling 3.
2. De overeenkomst blijft geldig tot het bovengenoemde openstaande bedrag volledig
voldaan is. De schuldenaar mag op ieder moment de schuld geheel of gedeeltelijk
aflossen.
3. De hoofdsom of het restant daarvan is met rente en kosten dadelijk opeisbaar
zonder voorafgaande opzegging als:
- de schuldenaar de rente niet uiterlijk op de maandelijkse vervaldatum betaalt;
- de schuldenaar andere verplichtingen tegenover de schuldeiser niet nakomt;
- (…)
- de schuldenaar is in gebreke indien de termijn verloopt er is geen andere akte van
in verzuimstelling nodig.
(…)”
3.7.
Op 25 augustus 2023 heeft SEG de in de schuldverklaring (ro. 2.6.) genoemde aanbetaling gedaan. Vertraco heeft daarna de containers vrijgegeven.
3.8.
SEG heeft op 27 augustus 2023 een e-mail aan de Minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur in Suriname gestuurd (verder: de Minister) over het schoolmeubilair en de daarvoor gemaakte kosten, en heeft daarin vermeld dat SEG zo snel mogelijk afspraken wil maken over de betaling daarvan. Daarop is door de Minister als volgt gereageerd:
“De zaak begint rare wendingen te nemen. Het ministerie heeft nog steeds interesse in het meubilair. Wel moet realistisch worden aanggeven wat in containers zit!
En. Wat voor bedrag betaald moet worden. Als min zijn wecgehouden aan regels. Ik ben afhankelijk voor de betalingen vanuiy min fin. Dit met duidelijke onderliggen stukken! (…)”
3.9.
Ook in september 2023 heeft SEG contact gezocht met het Ministerie met het verzoek om zo snel mogelijk de kosten voor het vervoer van de containers met schoolmeubilair te betalen.
3.10.
De overeengekomen aflossing van USD 1.000,00 per maand, waarvan de eerste termijn op 1 oktober 2023 door Vertraco ontvangen had moeten zijn, is niet voldaan. Op 9 oktober 2023 heeft Vertraco SEG daarom verzocht om alsnog tot betaling van het aflossingsbedrag over te gaan.
3.11.
Op 12 februari 2024 hebben partijen via WhatsApp contact gehad over (de betaling van) de facturen van Vertraco. Vertraco schrijft daarover onder meer:
“Van [naam 2] (ktr: Integra) heb ik begrepen dat er een aangepaste factuur is opgemaakt waarmee mevrouw [naam 3] (ktr: Ministerie) de betaling in orde kan maken.”
3.12.
SEG heeft in mei 2024 opnieuw contact opgenomen met het Ministerie. Het Ministerie is niet overgegaan tot betaling van de facturen van Vertraco. Ook SEG heeft na de betaling van 25 augustus 2023 (ro 2.7) niets meer betaald.
4Het geschil
4.1.
Vertraco vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis SEG te veroordelen tot betaling van € 18.052,87 aan hoofdsom, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van SEG in de kosten van het geding, ook te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Vertraco legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht van SEG schoolmeubilair heeft vervoerd naar Suriname. Die overeenkomst is met SEG aangegaan, niet met het Ministerie. SEG heeft aangegeven dat het Ministerie zou gaan betalen, maar dat is niet gebeurd. Na betaling van een deel van het openstaande bedrag door SEG en het tekenen van de schuldverklaring, waarin ook een betalingsregeling is afgesproken, zijn de goederen vrijgegeven. Verdere betaling is daarna uitgebleven, aldus Vertraco.
4.3.
SEG voert verweer. SEG concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Vertraco, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Vertraco, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Vertraco in de kosten van deze procedure.
4.4.
SEG voert daartoe aan dat zij heeft gehandeld in opdracht van het Ministerie. Er is daarom geen overeenkomst tussen SEG en Vertraco. SEG betwist dat het Ministerie niet heeft betaald. De minister heeft persoonlijk toegezegd de facturen te zullen betalen. De facturen staan daarom ook op naam van Fribio, een stichting die namens het Ministerie de goederen zou ontvangen. SEG heeft alleen de schuldverklaring getekend en een bedrag van € 5.000,00 betaald omdat de stallingskosten hoog opliepen en de goederen moesten worden afgehaald. SEG voert subsidiair aan dat het vorderingsrecht van Vertraco is komen te vervallen omdat zij niet tijdig heeft geklaagd. Daardoor is SEG in haar belangen geschaad. De vordering moet dan ook worden afgewezen, aldus SEG.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of Vertraco een overeenkomst met SEG is aangegaan. Zoals hierna zal worden toegelicht, moet die vraag bevestigend worden beantwoord.
Overeenkomst met SEG
5.2.
SEG heeft aangevoerd dat zij in opdracht van het Ministerie handelde en dat niet zij, maar het Ministerie de overeenkomst met Vertraco is aangegaan. Die stelling vindt echter geen steun in de stukken. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen blijkt dat SEG de opdracht geeft aan Vertraco en zij ook zelf akkoord geeft op de kosten daarvoor (ro. 2.3.). Dat SEG op dat moment bemiddelde om tussen het Ministerie (of Fribio) en Vertraco een overeenkomst tot stand te brengen, blijkt niet uit de stukken. Het enkele feit dat de factuur op naam van Fribio is gezet, is daarvoor onvoldoende. SEG is dan ook zelf de overeenkomst met Vertraco aangegaan. Dat wordt bevestigd door de schuldverklaring (ro. 2.6.) die SEG op 16 augustus 2023 heeft getekend, waarin zij heeft verklaard ‘wegens een aankoop van transportdiensten’ gehouden te zijn het openstaande bedrag van USD 19.296,41 (omgerekend € 18.052,87) te betalen.
5.3.
Dat Integra in februari 2024 kennelijk de facturen heeft aangepast zodat het Ministerie deze zou kunnen betalen (ro. 2.12.), maakt niet dat daarmee de betalingsverplichting van SEG is komen te vervallen. Met enkel het aanpassen van de facturen gaat die verbintenis nog niet over op het Ministerie. SEG heeft verder nog aangevoerd dat het Ministerie daadwerkelijk heeft betaald, maar dat is door Vertraco betwist en verder niet door SEG onderbouwd.
5.4.
Voor zover SEG met haar verwijzing naar het Ministerie heeft bedoeld om aan te voeren dat sprake is van schuldoverneming (artikel 6:155 Burgerlijk Wetboek (BW)) wordt als volgt geoordeeld. Voor schuldoverneming is vereist dat het Ministerie de schuld heeft overgenomen en dat Vertraco daarvoor toestemming heeft gegeven. Uit de stukken blijkt niet dat het Ministerie de schuld heeft overgenomen. Het lijkt er weliswaar op dat het Ministerie inderdaad interesse had in het schoolmeubilair en daar mogelijk ook (iets) voor wilde betalen, maar dat is onvoldoende om van schuldoverneming uit te gaan. Stukken waaruit blijkt dat hierover concrete afspraken zijn gemaakt, ontbreken. Na de mondelinge behandeling is de zaak voor zes weken aangehouden om partijen, met name SEG, in de gelegenheid te stellen hierover contact op te nemen met het Ministerie. Helaas hebben partijen ook in die periode geen informatie of betaling van het Ministerie kunnen verkrijgen. Dat betekent dat SEG de facturen zal moeten betalen. De gevorderde hoofdsom is dus toewijsbaar.
Het beroep op de klachtplicht slaag niet
5.5.
SEG stelt subsidiair dat Vertraco te laat heeft geklaagd en dat daardoor haar vorderingsrecht is komen te vervallen. Vaststaat echter dat er wel is geklaagd. Ook nadat de betalingsregeling, waarvan de eerste betaling op 1 oktober 2023 binnen had moeten zijn, niet werd nagekomen, heeft Vertraco tijdig geklaagd, namelijk al op 9 oktober 2023. Anders dan SEG lijkt voor te staan, houdt de klachtplicht niet in dat Vertraco steeds had moeten blijven klagen. Voldoende is dat zij heeft geklaagd en dat ook tijdig heeft gedaan. Het beroep op de klachtplicht van SEG slaagt daarom niet.
Wettelijke rente
5.6.
Vertraco vordert ook de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 februari 2023, “(a)lthans de wettelijke (handels-)rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening”. In de dagvaarding ontbreekt enige toelichting op de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom. Ter zitting is Vertraco voorgehouden dat het er door voornoemde formulering van het dictum op lijkt dat primair de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) wordt gevorderd, en subsidiair de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW). Vertraco, die zonder haar gemachtigde op zitting is verschenen, heeft daarop geantwoord dat haar jurist dat heeft geschreven. Gezien voornoemde omstandigheden en het gegeven dat de vordering inclusief rente en kosten, als uitgegaan zou worden van de wettelijke handelsrente over de periode van 1 februari 2023 tot 28 november 2025 (datum dagvaarding), de competentiegrens van de kantonrechter (€ 25.000,00) te boven zou gaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat de gemachtigde van Vertraco er in deze zaak bewust voor heeft gekozen om de wettelijke rente van artikel 6:119 BW te vorderen.
5.7.
Vertraco vordert de wettelijke dus rente vanaf 1 februari 2023, de datum van de tweede factuur, dan wel vanaf de datum dat de dagvaarding is betekend. De wettelijke rente is echter verschuldigd vanaf het moment dat SEG in verzuim is, en daarover heeft Vertraco niets gesteld. Dat een ingebrekestelling in de gegeven omstandigheden niet nodig was, heeft Vertraco ook niet gesteld. De dagvaarding zou als ingebrekestelling kunnen dienen als deze voldoet aan de aan een ingebrekestelling te stellen eisen (ECLI:NL:HR:2017:1012). De dagvaarding in deze zaak kan echter niet als ingebrekestelling worden aangemerkt, omdat daarin geen termijn is genoemd waarin SEG alsnog kon nakomen. De wettelijke rente kan daarom niet eerder verschuldigd zijn dan vanaf de datum van dit vonnis.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.8.
Vertraco vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Vertraco heeft gesteld dat diverse buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Weliswaar staat niet vast dat de aanmaningen die de gemachtigde van Vertraco heeft verzonden SEG hebben bereikt, maar om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is in beginsel een enkele aanmaning voldoende. Zoals hiervoor al is overwogen staat vast dat de aanmaning van 9 oktober 2023 SEG heeft bereikt. Vertraco heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 955,53 worden toegewezen.
Proceskosten
5.9.
SEG is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vertraco worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.591,35
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt SEG om aan Vertraco te betalen een bedrag van € 18.052,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 juni 2026, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt SEG om aan Vertraco te betalen een bedrag van € 955,53 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt SEG in de proceskosten van € 2.591,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SEG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt SEG tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart de veroordelingen onder 6.1. tot en met 6.4. uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.