Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8402
2026-08-25
Bestuursrecht
AMS 26/809
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor een urgentieverklaring wegens psychische problemen. Algemene weigeringsgrond(en). Geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBAMS:2024:4614 Rechtbank Amsterdam 25-07-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2023:633 Rechtbank Amsterdam 30-01-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2024:4614 Rechtbank Amsterdam 25-07-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:190 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-03-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:190 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.802 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/809
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 januari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiser woont sinds 2015 in [woonplaats]. Eiser heeft psychische klachten en heeft al lange tijd geen stabiel onderkomen. De reden dat eiser een aanvraag voor een urgentieverklaring heeft ingediend is omdat stabiliteit en veiligheid in de vorm van passende woonruimte essentieel zijn voor verbetering van zijn problematiek.
3.1.
Van 20 oktober 2015 tot 20 maart 2018 huurde eiser een kamer met gedeelde voorzieningen in een woning aan de [adres 1]. Dit was een particulier gehuurde kamer met een contract voor bepaalde tijd. Omdat de eigenaar van de woning de woning om medische redenen moest verkopen, heeft eiser die woning per 20 maart 2018 verlaten. Van 20 maart 2018 tot en met 3 maart 2021 stond eiser in de BRP als onbekend ingeschreven. In die jaren heeft hij bij mensen uit zijn netwerk en is hij langdurig thuisloos geweest. Van 3 maart 2021 tot 28 januari 2026 stond eiser ingeschreven op de [adres 2]. Eiser huurde hier in die periode een studentenkamer voor bepaalde tijd. Omdat eiser geen student (meer) was, is de huurovereenkomst om die reden beëindigd. Van 28 januari 2026 tot 16 april 2026 had eiser een gemeentelijk briefadres aan de [adres 3]. Eiser wordt momenteel opgevangen in een tijdelijke opvang van de [bedrijf] aan de [adres 4], op dit adres staat hij momenteel ook ingeschreven.
3.2.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening 2024 (Hvv) worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Hvv brengt met zich mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond uit artikel 2.10.5 van de Hvv van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Verweerder toetst de aanvraag in dat geval niet aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, waaronder de medische urgentie.
3.3.
Verweerder heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring afgewezen op grond van twee algemene weigeringsgronden in de Hvv. De situatie van eiser is volgens verweerder niet een urgent huisvestingsprobleem (b-grond) en daarnaast is de situatie het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten omdat eiser naar Amsterdam is verhuisd zonder te zorgen voor adequate woonruimte (e-grond). Omdat er sprake is van één of meer algemene weigeringsgronden kan eiser geen aanspraak maken op een urgentieverklaring vanwege medische redenen. Ook is er voor verweerder geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
Algemene weigeringsgrond – geen urgent huisvestingsprobleem
4. Uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. In de Nadere regels worden omstandigheden genoemd die in ieder geval geen urgent huisvestingsprobleem opleveren, waaronder het hebben van een tijdelijk huurcontract. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze algemene weigeringsgrond van toepassing is omdat eiser ten tijde van de aanvraag om een urgentieverklaring een tijdelijke huurovereenkomst had.
4.1.
Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte deze algemene weigeringsgrond heeft tegengeworpen. Er is volgens eiser wel degelijk sprake van een urgent huisvestingsprobleem omdat hij een aanvraag heeft gedaan op medische gronden en er derhalve dus geen sprake is van uitsluitend een van de problemen die worden genoemd in paragraaf 3 onder b van de Nadere regels. Eiser wijst in dit verband ook op de uitspraak van deze rechtbank van 25 juli 2024. In die procedure was sprake van een urgent huisvestingsprobleem, omdat dit in direct verband stond met de gezondheid van de dochter van de eiser in die zaak, ondanks het feit dat de betreffende omstandigheden (een te kleine woning en de slechte kwaliteit daarvan) zijn opgesomd in paragraaf 3 van de Nadere regels.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de situatie in de door eiser genoemde uitspraak geen vergelijkbaar geval is. In die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de gezondheidsklachten van een minderjarig kind direct verband hielden met de woonomstandigheden. Twee kinderartsen hadden verklaard dat de grootte van de woning, de hygiëne en schimmel invloed hadden op het kind haar gezondheid. Bij eiser gaat het echter om psychische klachten en op het moment van de beslissing op bezwaar was onvoldoende door eiser onderbouwd dat het huisvestingsprobleem is ontstaan en in stand blijft door situatie in de woning waarin eiser op dat moment verbleef. Eiser heeft geen verklaring van een medisch specialist overgelegd waaruit blijkt dat zijn klachten direct verband houden met die woonomstandigheden.
4.3.
Nu er geen sprake is van een urgent huisvestigingsprobleem, heeft verweerder de weigeringsgrond aan hem kunnen tegenwerpen.
4.3.
Dat betekent dat in ieder geval één dwingende algemene weigeringsgrond aanwezig is waardoor eiser volgens de regels niet in aanmerking komt voor een medische urgentieverklaring.
Algemene weigeringsgrond – verwijtbaar handelen
4.4.
Hoewel er dus één dwingende algemene weigeringsgrond aanwezig is, wil de rechtbank wel – zij het hier ten overvloede – opmerken dat naar het oordeel van de rechtbank aanleiding bestaat om te betwijfelen of verweerder de e-grond (verwijtbaar doen of nalaten), nog aan eiser kan tegenwerpen.
4.5.
Eiser is in 2015 als jongvolwassene naar Amsterdam verhuisd en beschikte destijds over woonruimte, zij het op basis van een tijdelijk huurcontract. Vervolgens is eiser op meerdere adressen verbleven. De rechtbank kan verweerder volgen dat eiser in 2015 naar Amsterdam is vertrokken zonder adequate woonruimte, maar het is de vraag of verweerder dit inmiddels nog aan eiser kan tegenwerpen. Eiser heeft namelijk zelf in Amsterdam gezorgd voor woonruimte en hij heeft bijna vijf jaar lang een studentenwoning gehad. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom dit geen adequate woonruimte was. Daarbij komt dat er sinds eiser zijn verhuizing naar Amsterdam inmiddels ruim elf jaar zijn verstreken en eiser gedurende deze periode onafgebroken in Amsterdam heeft gewoond. De rechtbank vraagt zich daarom af of, gelet op het tijdsverloop en de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan, nog voldoende aanleiding bestaat om de huidige situatie van eiser aan zijn keuze uit 2015 toe te rekenen. Een dergelijke toerekening zou er immers toe kunnen leiden dat eiser, vanwege die keuze, feitelijk nooit voor urgentie in aanmerking kan komen.
4.6.
De rechtbank heeft zich nu op dit punt echter onthouden van een definitief oordeel, omdat de tegenwerping van het ontbreken van een urgent huisvestigingsprobleem in rechte standhoudt en verweerders besluit zelfstandig kan dragen.
Hardheidsclausule
5.1.
De gemeente kan een uitzondering maken op de regels en deze buiten toepassing laten in hele schrijnende gevallen, waaraan niet is gedacht bij het opstellen van de regels. In dat geval past de gemeente de zogenoemde hardheidsclausule toe. Het beleid van de gemeente voor het verkrijgen van een urgentieverklaring is gericht op gezinnen met minderjarige kinderen, die door overmacht dakloos zijn of dakloos dreigen te worden en op personen met ernstige medische of sociale problematiek gerelateerd aan de woonsituatie. Vanwege de huidige woningnood, past de gemeente de hardheidsclausule alleen toe bij hele hoge uitzondering. Bij medische problematiek moet er dan sprake zijn van een acuut en levensbedreigend probleem.
5.2.
Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een medische noodzaak voor een urgentieverklaring. Eiser voert aan dat zijn problematiek, waaronder de suïcidaliteit, wel degelijk levensbedreigend is en dat verweerder iemand met een medische achtergrond onderzoek naar hem had moeten doen. Eiser verwijst in dit verband ook naar uitspraken van deze rechtbank van 30 januari 2023 en 25 juli 2024. In deze uitspraken moest verweerder een GGD-onderzoek uitvoeren, ook al was er sprake van algemene weigeringsgronden. Als er sprake is van medische problemen, mag verweerder niet zomaar besluiten dat de hardheidsclausule niet geldt omdat er geen sprake is van een ‘acuut levensbedreigend probleem’.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de medische problematiek geldt dat een aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek, met bewijsstukken dient aan te tonen dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk. Eiser heeft bij zijn aanvraag en in de bezwaarfase een brief overgelegd van een klinisch psycholoog van 18 juli 2025 waaruit blijkt dat eiser in behandeling is geweest voor angstklachten en wacht op het vervolgtraject. Hieruit volgt niet dat er sprake is van een acuut levensbedreigende situatie en heeft verweerder in de stukken geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Dit betekent dat verweerder ook geen aanleiding had hoeven zien om de GGD alsnog om advies te vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.4.
Eiser voert verder in het kader van de hardheidsclausule aan dat verweerder ten onrechte niet de sociale redenen van eiser heeft getoetst in het kader van zijn aanvraag om een urgentie en is er daarom sprake van een gebrekkige motivering.
5.5.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd met welke persoonlijke en sociale omstandigheden verweerder geen rekening heeft gehouden of naar welke persoonlijke en sociale omstandigheden verweerder geen onderzoek heeft gedaan. Nu sprake is van een aanvraag om toepassing van de hardheidsclausule, ligt het op de weg van eiser om de niet-medische omstandigheden die daartoe aanleiding geven, aannemelijk te maken. Eiser heeft dit nagelaten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Evenredigheidsbeginsel
5.6.
Eiser doet ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Verweerder moet daarom toetsen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het geval van eiser toepassing van de Hvv voor hem zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. De belangenafweging in algemene zin heeft al plaatsgevonden bij het vaststellen van de Hvv. Maar verweerder moet “onder de streep” nog wel beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de regels uiteindelijk onevenredig uitpakt voor eiser.
5.6.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in het specifieke geval van eiser geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het bestreden besluit “onder de streep” leidt tot een voor hem onevenredige uitkomst. De rechtbank begrijpt dat eiser het liefst een eigen vaste verblijfplaats heeft. Eiser heeft echter wel een dak boven zijn hoofd en dat betekent dat de situatie van eiser (ook in vergelijking met andere gevallen) niet kan worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schijnend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring heeft mogen weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Jansen, rechter, in aanwezigheid van M.C. Kramer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Huisvestingswet 2014
Artikel 12
In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.
De gemeenteraad legt, indien hij toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, in de huisvestingsverordening de criteria vast volgens welke de woningzoekenden, bedoeld in dat lid, worden ingedeeld in urgentiecategorieën.
(…)
Artikel 13
Burgemeester en wethouders beslissen over de indeling van woningzoekenden in de urgentiecategorieën, bedoeld in artikel 12, tweede lid. Burgemeester en wethouders kunnen van deze bevoegdheid mandaat verlenen.
In de huisvestingsverordening stelt de gemeenteraad regels omtrent de wijze waarop woningzoekenden kunnen verzoeken om indeling in een urgentiecategorie.
Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
Artikel 2.10.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 genoemde eisen;
er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een andere voorziening die gelet op aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn;
het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of van een persoon behorend tot zijn of haar huishouden;
het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;
de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of persoon behorend tot zijn of haar huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 2.10.9 of artikel 2.10.10;
de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;
de aanvrager en alle personen behorend tot zijn huishouden, die in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de Basisregistratie Personen niet ten minste vier jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was, tenzij één of meerdere personen behorend tot het huishouden van aanvrager minderjarige kinderen zijn en de aanvrager en zijn of haar huishouden vanwege een relatiebreuk tussen aanvrager en diens partner zijn verhuisd naar een inwoonadres buiten Amsterdam en binnen een half jaar na vertrek uit Amsterdam een urgentieverklaring heeft aangevraagd;
het huishoudinkomen de inkomensgrens voor de primaire doelgroep van corporaties of de tijdelijk hogere inkomensgrens voor de 10-procentdoelgroep als bedoeld in artikel 48 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 overschrijdt.
2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van het eerste lid en de toepassing van de urgentiecategorieën in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.10.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het eerste lid, onderdeel i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Omgevingswet voor permanente bewoning bestemde woonruimte.
4. Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het aangevraagde indien de aanvrager niet in één van de in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8 opgenomen urgentiecategorieën valt.
5. Statushouders of woningzoekenden die voldoen aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op grond van artikel 2.10.6 worden geacht te voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.10.5, onderdeel i.
Artikel 2.10.8 Overige urgentiecategorieën
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:
woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;
woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.10.7 bedoelde urgentiecategorie;
(…)
Artikel 2.10.11 Hardheidsclausule
1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
2. Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring.
(…)
Nadere Regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
Hoofdstuk 1
Artikel 3. Algemene weigeringsgronden (artikel 2.10.5 HVV)
Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5 van de HVV. De aanvraag wordt getoetst aan alle weigeringsgronden. Indien één of meerdere van deze weigeringsgronden van toepassing zijn, wordt de aanvraag geweigerd. De weigeringsgronden worden hieronder uitgewerkt en worden beoordeeld aan de hand van de onderstaande voorwaarden en criteria. Overigens is de uitwerking per weigeringsgrond niet uitputtend bedoeld (niet limitatief).
Ad a) De aanvrager is geen 18 jaar of ouder, of heeft geen Nederlandse nationaliteit of vreemdelingenstatus.
Met het bezit van de vreemdelingenstatus wordt bedoeld dat de aanvrager en alle leden van diens huishouden rechtmatig in Nederland verblijven zoals is bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000;
De verantwoordelijkheid voor opvang van vreemdelingen zonder verblijfstatus ligt bij de Dienst Terugkeer en Vertrek, uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem.
Indien zich uitsluitend één of een combinatie van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem:
de huidige woning verkeert in slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit, tenzij de woning onbewoonbaar is verklaard wegens bijvoorbeeld brand of instorting;
de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager;
de aanvrager kan door medische klachten de huidige woning of daarbij behorende tuin niet meer zelf onderhouden;
de aanvrager wil of moet vanwege zijn werk verhuizen;
de aanvrager woont, met of zonder kinderen, bij een of meerdere andere huishoudens in;
de aanvrager of diens partner is zwanger;
de aanvrager is gescheiden of de samenwonings- of partnerrelatie is verbroken maar woont nog met de (ex-)partner in één woning;
de aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten;
de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst;
de aanvrager woont in onderhuur;
de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap, terwijl de kinderen elders onderdak hebben.
(…)
Ad e) Het huisvestingsprobleem is het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden, hiervan is in ieder geval sprake:
bij woninguitzetting in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag, wegens huurschuld, overlast, fraude of criminele activiteiten, veroorzaakt door de aanvrager of een lid van diens huishouden;
als de aanvrager in de gemeente is komen wonen zonder te zorgen voor adequate woonruimte voor zichzelf en eventuele andere leden van zijn of haar huishouden, zoals met of zonder kinderen gaan inwonen bij een ander huishouden; of
als de aanvrager in detentie is opgenomen en na vrijlating geen huisvesting kan vinden.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond e.
(…)
Artikel 10.1 Urgentiecategorie medische redenen (medische urgentie artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel b, HVV)
1. Aan artikel 2.10.8 HVV wordt niet getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 HVV.
(…)
5. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel c en onderdeel e HVV onverminderd van toepassing zijn op een urgentieaanvraag om medische redenen. Er moet sprake zijn van een overmachtssituatie die redelijkerwijs niet te voorkomen was.
Artikel 25. Hardheidsclausule (artikel 2.10.11 HVV)
Indien een aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentieverlening kunnen burgemeester en wethouders alsnog een urgentieverklaring verlenen indien:
weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening, onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Toelichting op de hardheidsclausule bij medische problematiek
Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
Basisregistratie personen
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv 2024.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Hvv 2024.
Artikel 3 van Hoofdstuk 1 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
ECLI:NL:RBAMS:2024:4614.
ECLI:NL:RBAMS:2023:633.
ECLI:NL:RBAMS:2024:4614.
Hoofdstuk 1, paragraaf 2, onder 24 van de Nadere regels Hvv.
ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/809
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 januari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiser woont sinds 2015 in [woonplaats]. Eiser heeft psychische klachten en heeft al lange tijd geen stabiel onderkomen. De reden dat eiser een aanvraag voor een urgentieverklaring heeft ingediend is omdat stabiliteit en veiligheid in de vorm van passende woonruimte essentieel zijn voor verbetering van zijn problematiek.
3.1.
Van 20 oktober 2015 tot 20 maart 2018 huurde eiser een kamer met gedeelde voorzieningen in een woning aan de [adres 1]. Dit was een particulier gehuurde kamer met een contract voor bepaalde tijd. Omdat de eigenaar van de woning de woning om medische redenen moest verkopen, heeft eiser die woning per 20 maart 2018 verlaten. Van 20 maart 2018 tot en met 3 maart 2021 stond eiser in de BRP als onbekend ingeschreven. In die jaren heeft hij bij mensen uit zijn netwerk en is hij langdurig thuisloos geweest. Van 3 maart 2021 tot 28 januari 2026 stond eiser ingeschreven op de [adres 2]. Eiser huurde hier in die periode een studentenkamer voor bepaalde tijd. Omdat eiser geen student (meer) was, is de huurovereenkomst om die reden beëindigd. Van 28 januari 2026 tot 16 april 2026 had eiser een gemeentelijk briefadres aan de [adres 3]. Eiser wordt momenteel opgevangen in een tijdelijke opvang van de [bedrijf] aan de [adres 4], op dit adres staat hij momenteel ook ingeschreven.
3.2.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening 2024 (Hvv) worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de Hvv brengt met zich mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond uit artikel 2.10.5 van de Hvv van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Verweerder toetst de aanvraag in dat geval niet aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, waaronder de medische urgentie.
3.3.
Verweerder heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring afgewezen op grond van twee algemene weigeringsgronden in de Hvv. De situatie van eiser is volgens verweerder niet een urgent huisvestingsprobleem (b-grond) en daarnaast is de situatie het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten omdat eiser naar Amsterdam is verhuisd zonder te zorgen voor adequate woonruimte (e-grond). Omdat er sprake is van één of meer algemene weigeringsgronden kan eiser geen aanspraak maken op een urgentieverklaring vanwege medische redenen. Ook is er voor verweerder geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
Algemene weigeringsgrond – geen urgent huisvestingsprobleem
4. Uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. In de Nadere regels worden omstandigheden genoemd die in ieder geval geen urgent huisvestingsprobleem opleveren, waaronder het hebben van een tijdelijk huurcontract. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze algemene weigeringsgrond van toepassing is omdat eiser ten tijde van de aanvraag om een urgentieverklaring een tijdelijke huurovereenkomst had.
4.1.
Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte deze algemene weigeringsgrond heeft tegengeworpen. Er is volgens eiser wel degelijk sprake van een urgent huisvestingsprobleem omdat hij een aanvraag heeft gedaan op medische gronden en er derhalve dus geen sprake is van uitsluitend een van de problemen die worden genoemd in paragraaf 3 onder b van de Nadere regels. Eiser wijst in dit verband ook op de uitspraak van deze rechtbank van 25 juli 2024. In die procedure was sprake van een urgent huisvestingsprobleem, omdat dit in direct verband stond met de gezondheid van de dochter van de eiser in die zaak, ondanks het feit dat de betreffende omstandigheden (een te kleine woning en de slechte kwaliteit daarvan) zijn opgesomd in paragraaf 3 van de Nadere regels.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de situatie in de door eiser genoemde uitspraak geen vergelijkbaar geval is. In die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de gezondheidsklachten van een minderjarig kind direct verband hielden met de woonomstandigheden. Twee kinderartsen hadden verklaard dat de grootte van de woning, de hygiëne en schimmel invloed hadden op het kind haar gezondheid. Bij eiser gaat het echter om psychische klachten en op het moment van de beslissing op bezwaar was onvoldoende door eiser onderbouwd dat het huisvestingsprobleem is ontstaan en in stand blijft door situatie in de woning waarin eiser op dat moment verbleef. Eiser heeft geen verklaring van een medisch specialist overgelegd waaruit blijkt dat zijn klachten direct verband houden met die woonomstandigheden.
4.3.
Nu er geen sprake is van een urgent huisvestigingsprobleem, heeft verweerder de weigeringsgrond aan hem kunnen tegenwerpen.
4.3.
Dat betekent dat in ieder geval één dwingende algemene weigeringsgrond aanwezig is waardoor eiser volgens de regels niet in aanmerking komt voor een medische urgentieverklaring.
Algemene weigeringsgrond – verwijtbaar handelen
4.4.
Hoewel er dus één dwingende algemene weigeringsgrond aanwezig is, wil de rechtbank wel – zij het hier ten overvloede – opmerken dat naar het oordeel van de rechtbank aanleiding bestaat om te betwijfelen of verweerder de e-grond (verwijtbaar doen of nalaten), nog aan eiser kan tegenwerpen.
4.5.
Eiser is in 2015 als jongvolwassene naar Amsterdam verhuisd en beschikte destijds over woonruimte, zij het op basis van een tijdelijk huurcontract. Vervolgens is eiser op meerdere adressen verbleven. De rechtbank kan verweerder volgen dat eiser in 2015 naar Amsterdam is vertrokken zonder adequate woonruimte, maar het is de vraag of verweerder dit inmiddels nog aan eiser kan tegenwerpen. Eiser heeft namelijk zelf in Amsterdam gezorgd voor woonruimte en hij heeft bijna vijf jaar lang een studentenwoning gehad. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom dit geen adequate woonruimte was. Daarbij komt dat er sinds eiser zijn verhuizing naar Amsterdam inmiddels ruim elf jaar zijn verstreken en eiser gedurende deze periode onafgebroken in Amsterdam heeft gewoond. De rechtbank vraagt zich daarom af of, gelet op het tijdsverloop en de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan, nog voldoende aanleiding bestaat om de huidige situatie van eiser aan zijn keuze uit 2015 toe te rekenen. Een dergelijke toerekening zou er immers toe kunnen leiden dat eiser, vanwege die keuze, feitelijk nooit voor urgentie in aanmerking kan komen.
4.6.
De rechtbank heeft zich nu op dit punt echter onthouden van een definitief oordeel, omdat de tegenwerping van het ontbreken van een urgent huisvestigingsprobleem in rechte standhoudt en verweerders besluit zelfstandig kan dragen.
Hardheidsclausule
5.1.
De gemeente kan een uitzondering maken op de regels en deze buiten toepassing laten in hele schrijnende gevallen, waaraan niet is gedacht bij het opstellen van de regels. In dat geval past de gemeente de zogenoemde hardheidsclausule toe. Het beleid van de gemeente voor het verkrijgen van een urgentieverklaring is gericht op gezinnen met minderjarige kinderen, die door overmacht dakloos zijn of dakloos dreigen te worden en op personen met ernstige medische of sociale problematiek gerelateerd aan de woonsituatie. Vanwege de huidige woningnood, past de gemeente de hardheidsclausule alleen toe bij hele hoge uitzondering. Bij medische problematiek moet er dan sprake zijn van een acuut en levensbedreigend probleem.
5.2.
Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een medische noodzaak voor een urgentieverklaring. Eiser voert aan dat zijn problematiek, waaronder de suïcidaliteit, wel degelijk levensbedreigend is en dat verweerder iemand met een medische achtergrond onderzoek naar hem had moeten doen. Eiser verwijst in dit verband ook naar uitspraken van deze rechtbank van 30 januari 2023 en 25 juli 2024. In deze uitspraken moest verweerder een GGD-onderzoek uitvoeren, ook al was er sprake van algemene weigeringsgronden. Als er sprake is van medische problemen, mag verweerder niet zomaar besluiten dat de hardheidsclausule niet geldt omdat er geen sprake is van een ‘acuut levensbedreigend probleem’.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de medische problematiek geldt dat een aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek, met bewijsstukken dient aan te tonen dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk. Eiser heeft bij zijn aanvraag en in de bezwaarfase een brief overgelegd van een klinisch psycholoog van 18 juli 2025 waaruit blijkt dat eiser in behandeling is geweest voor angstklachten en wacht op het vervolgtraject. Hieruit volgt niet dat er sprake is van een acuut levensbedreigende situatie en heeft verweerder in de stukken geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Dit betekent dat verweerder ook geen aanleiding had hoeven zien om de GGD alsnog om advies te vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.4.
Eiser voert verder in het kader van de hardheidsclausule aan dat verweerder ten onrechte niet de sociale redenen van eiser heeft getoetst in het kader van zijn aanvraag om een urgentie en is er daarom sprake van een gebrekkige motivering.
5.5.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd met welke persoonlijke en sociale omstandigheden verweerder geen rekening heeft gehouden of naar welke persoonlijke en sociale omstandigheden verweerder geen onderzoek heeft gedaan. Nu sprake is van een aanvraag om toepassing van de hardheidsclausule, ligt het op de weg van eiser om de niet-medische omstandigheden die daartoe aanleiding geven, aannemelijk te maken. Eiser heeft dit nagelaten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Evenredigheidsbeginsel
5.6.
Eiser doet ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Verweerder moet daarom toetsen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het geval van eiser toepassing van de Hvv voor hem zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. De belangenafweging in algemene zin heeft al plaatsgevonden bij het vaststellen van de Hvv. Maar verweerder moet “onder de streep” nog wel beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de regels uiteindelijk onevenredig uitpakt voor eiser.
5.6.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in het specifieke geval van eiser geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het bestreden besluit “onder de streep” leidt tot een voor hem onevenredige uitkomst. De rechtbank begrijpt dat eiser het liefst een eigen vaste verblijfplaats heeft. Eiser heeft echter wel een dak boven zijn hoofd en dat betekent dat de situatie van eiser (ook in vergelijking met andere gevallen) niet kan worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schijnend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring heeft mogen weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Jansen, rechter, in aanwezigheid van M.C. Kramer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Huisvestingswet 2014
Artikel 12
In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.
De gemeenteraad legt, indien hij toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, in de huisvestingsverordening de criteria vast volgens welke de woningzoekenden, bedoeld in dat lid, worden ingedeeld in urgentiecategorieën.
(…)
Artikel 13
Burgemeester en wethouders beslissen over de indeling van woningzoekenden in de urgentiecategorieën, bedoeld in artikel 12, tweede lid. Burgemeester en wethouders kunnen van deze bevoegdheid mandaat verlenen.
In de huisvestingsverordening stelt de gemeenteraad regels omtrent de wijze waarop woningzoekenden kunnen verzoeken om indeling in een urgentiecategorie.
Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
Artikel 2.10.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 genoemde eisen;
er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een andere voorziening die gelet op aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn;
het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of van een persoon behorend tot zijn of haar huishouden;
het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;
de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of persoon behorend tot zijn of haar huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 2.10.9 of artikel 2.10.10;
de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;
de aanvrager en alle personen behorend tot zijn huishouden, die in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de Basisregistratie Personen niet ten minste vier jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was, tenzij één of meerdere personen behorend tot het huishouden van aanvrager minderjarige kinderen zijn en de aanvrager en zijn of haar huishouden vanwege een relatiebreuk tussen aanvrager en diens partner zijn verhuisd naar een inwoonadres buiten Amsterdam en binnen een half jaar na vertrek uit Amsterdam een urgentieverklaring heeft aangevraagd;
het huishoudinkomen de inkomensgrens voor de primaire doelgroep van corporaties of de tijdelijk hogere inkomensgrens voor de 10-procentdoelgroep als bedoeld in artikel 48 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 overschrijdt.
2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van het eerste lid en de toepassing van de urgentiecategorieën in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.10.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het eerste lid, onderdeel i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Omgevingswet voor permanente bewoning bestemde woonruimte.
4. Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het aangevraagde indien de aanvrager niet in één van de in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8 opgenomen urgentiecategorieën valt.
5. Statushouders of woningzoekenden die voldoen aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op grond van artikel 2.10.6 worden geacht te voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.10.5, onderdeel i.
Artikel 2.10.8 Overige urgentiecategorieën
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:
woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;
woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.10.7 bedoelde urgentiecategorie;
(…)
Artikel 2.10.11 Hardheidsclausule
1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
2. Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring.
(…)
Nadere Regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
Hoofdstuk 1
Artikel 3. Algemene weigeringsgronden (artikel 2.10.5 HVV)
Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5 van de HVV. De aanvraag wordt getoetst aan alle weigeringsgronden. Indien één of meerdere van deze weigeringsgronden van toepassing zijn, wordt de aanvraag geweigerd. De weigeringsgronden worden hieronder uitgewerkt en worden beoordeeld aan de hand van de onderstaande voorwaarden en criteria. Overigens is de uitwerking per weigeringsgrond niet uitputtend bedoeld (niet limitatief).
Ad a) De aanvrager is geen 18 jaar of ouder, of heeft geen Nederlandse nationaliteit of vreemdelingenstatus.
Met het bezit van de vreemdelingenstatus wordt bedoeld dat de aanvrager en alle leden van diens huishouden rechtmatig in Nederland verblijven zoals is bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000;
De verantwoordelijkheid voor opvang van vreemdelingen zonder verblijfstatus ligt bij de Dienst Terugkeer en Vertrek, uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem.
Indien zich uitsluitend één of een combinatie van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem:
de huidige woning verkeert in slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit, tenzij de woning onbewoonbaar is verklaard wegens bijvoorbeeld brand of instorting;
de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager;
de aanvrager kan door medische klachten de huidige woning of daarbij behorende tuin niet meer zelf onderhouden;
de aanvrager wil of moet vanwege zijn werk verhuizen;
de aanvrager woont, met of zonder kinderen, bij een of meerdere andere huishoudens in;
de aanvrager of diens partner is zwanger;
de aanvrager is gescheiden of de samenwonings- of partnerrelatie is verbroken maar woont nog met de (ex-)partner in één woning;
de aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten;
de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst;
de aanvrager woont in onderhuur;
de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap, terwijl de kinderen elders onderdak hebben.
(…)
Ad e) Het huisvestingsprobleem is het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden, hiervan is in ieder geval sprake:
bij woninguitzetting in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag, wegens huurschuld, overlast, fraude of criminele activiteiten, veroorzaakt door de aanvrager of een lid van diens huishouden;
als de aanvrager in de gemeente is komen wonen zonder te zorgen voor adequate woonruimte voor zichzelf en eventuele andere leden van zijn of haar huishouden, zoals met of zonder kinderen gaan inwonen bij een ander huishouden; of
als de aanvrager in detentie is opgenomen en na vrijlating geen huisvesting kan vinden.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond e.
(…)
Artikel 10.1 Urgentiecategorie medische redenen (medische urgentie artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel b, HVV)
1. Aan artikel 2.10.8 HVV wordt niet getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 HVV.
(…)
5. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel c en onderdeel e HVV onverminderd van toepassing zijn op een urgentieaanvraag om medische redenen. Er moet sprake zijn van een overmachtssituatie die redelijkerwijs niet te voorkomen was.
Artikel 25. Hardheidsclausule (artikel 2.10.11 HVV)
Indien een aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentieverlening kunnen burgemeester en wethouders alsnog een urgentieverklaring verlenen indien:
weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening, onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Toelichting op de hardheidsclausule bij medische problematiek
Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.
Basisregistratie personen
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv 2024.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Hvv 2024.
Artikel 3 van Hoofdstuk 1 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
ECLI:NL:RBAMS:2024:4614.
ECLI:NL:RBAMS:2023:633.
ECLI:NL:RBAMS:2024:4614.
Hoofdstuk 1, paragraaf 2, onder 24 van de Nadere regels Hvv.
ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.