Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8330
2026-08-20
Strafrecht; Materieel strafrecht
13/085137-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontslag van alle rechtsvervolging en oplegging van TBS-maatregel met dwangverpleging voor wederspannigheid en poging tot zware mishandeling van twee politieagenten door hen in hun arm en been te steken met een mes. Verdachte verkeerde ten tijde van de feiten in een psychose als gevolg waarvan deze hem in het geheel niet kunnen worden toegerekend.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2008:BB4959 Hoge Raad 05-02-2008
- ECLI:NL:HR:2015:1249 Hoge Raad 19-05-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (37.503 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/085137-25
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1969,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd te: [detentieplaats]
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 18 maart 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
poging tot moord, althans doodslag, op [verbalisant 1] door met een mes in zijn onderbeen te steken/snijden. Deze gedraging is subsidiair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade;
poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade van [verbalisant 2] door met een mes in zijn richting te zwaaien en/of met dat mes in zijn arm te steken/snijden. Deze gedraging is subsidiair ten laste gelegd als mishandeling;
wederspannigheid met letsel ten gevolge voor verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [verbalisant 1] , de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [verbalisant 2] en de onder 3 ten laste gelegde wederspannigheid met letsel ten gevolge hebbend ten aanzien van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kunnen worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, omdat vanwege de aanwezigheid van een psychose ten tijde van de feiten het opzet in zijn handelen ontbrak. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde niet kan worden gekwalificeerd als poging tot moord dan wel doodslag.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 18 maart 2025 kregen de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de opdracht om naar [adres] te gaan waar een bewoner, vermoedelijk verdachte, spullen uit een raam zou gooien die op geparkeerde auto’s terecht kwamen. Ter plaatse zagen zij en een aantal andere collega’s van buiten af dat de bewoner binnen ernstig verward gedrag vertoonde. Zij konden van buiten af geen contact met de bewoner krijgen. Gezien het verwarde gedrag van de bewoner en, aangenomen dat het verdachte was, diens agressieve verleden, werd besloten om binnen te treden en de bewoner met een lexaanschild te benaderen en contact met hem te leggen. Achter van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zou een collega aanlopen met een stroomstootwapen uit voorzorg voor het geval het nodig mocht blijken dit in te zetten. Het doel van het plan van aanpak was om de bewoner over te dragen aan de psychiatrische zorg. Nadat de agenten de voordeur hadden geforceerd, die kennelijk gebarricadeerd was geweest, troffen zij verdachte in de woonkamer aan. [verbalisant 2] liep voorop met het lexaanschild. [verbalisant 1] liep achter hem, gevolgd door verbalisant [verbalisant 3] met het stroomstootwapen. Verdachte stond achter een bankstel. [verbalisant 2] riep naar verdachte dat hij zijn handen moest laten zien. Verdachte bewoog onrustig heen en weer en keek boos. [verbalisant 2] zag dat verdachte zijn rechterhand uit het zicht hield door deze terug te trekken in de mouw van zijn trui/jas. [verbalisant 2] heeft verdachte meermalen aangeroepen dat hij zijn handen moest laten zien en zich moest overgeven. Verdachte gaf hieraan geen gehoor. Hierop zette [verbalisant 3] zijn stroomstootwapen in. Verdachte reageerde hier niet op. [verbalisant 3] zag dat verdachte een roodkleurig aardappelschilmesje in zijn rechterhand hield en riep meerdere keren naar verdachte dat hij het mes los moest laten. Verdachte weigerde dit.
Toen besloot [verbalisant 2] met het lexaanschild naar verdachte te lopen. [verbalisant 1] liep direct achter hem. [verbalisant 2] drukte het lexaanschild met kracht tegen het lichaam van verdachte met als doel hem naar de grond te bewegen. Dat lukte niet direct en er ontstond een worsteling, waarbij verdachte druk heen en weer bewoog. Na enkele seconden lukte het verdachte naar de grond te brengen. [verbalisant 2] voelde aan zijn rechteronderarm dat hij ergens mee geraakt was. Hij voelde pijn.
Verdachte lag op zijn rug op de grond. [verbalisant 2] zat gehurkt bij de linkerarm van verdachte en drukte het lexaanschild op zijn bovenlichaam.
[verbalisant 1] zag dat verdachte in zijn (rechter)hand een steekvoorwerp had en is met zijn rechtervoet op de hand van verdachte gaan staan om deze te fixeren. [verbalisant 2] voelde dat verdachte druk gaf tegen het schild en zag dat verdachte beweeglijk was. Aan de rechterzijde van het hoofd van verdachte ontstond een plas bloed op de grond. [verbalisant 2] zag dat de broek van [verbalisant 1] doordrenkt was met bloed. [verbalisant 2] zag dat uit de rechtermouw van de trui/jas van verdachte een lemmet van een mes van vijf a zes centimeter stak. [verbalisant 1] deed zijn beenkap af en zag dat in zijn rechterbeen een vleeswond zat. Ook zag hij op de achterzijde van zijn been een vleeswond waaruit pulserend bloed stroomde.
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] werden bij het onder controle brengen van verdachte ondersteund door andere politiecollega’s. Ook na de geconstateerde verwonding van [verbalisant 1] , ging het verzet van verdachte onverminderd door. Uiteindelijk lukte het verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] (AD.1402) verdachte te boeien en het mes uit zijn rechterhand te halen. Verbalisant [verbalisant 5] zag dat verdachte nog steeds in verzet bleef gaan met zijn benen, waarop hij besloot bij verdachte een beenklem aan te leggen. Hierop staakte verdachte zijn verzet. Verbalisant [verbalisant 3] zag een schram op zijn linkerhand.
[verbalisant 2] had een scherprandige verwonding aan zijn rechteronderarm. Deze verwonding is gehecht. De mate van littekenvorming is afhankelijk van de individuele genezingstendens.
Bij [verbalisant 1] zijn twee verwondingen geconstateerd: een zeven centimeter lange wond aan de buitenzijde van het onderbeen zonder actieve bloeding en een vijftien centimeter lange actief bloedende wond aan de achterzijde van het onderbeen die doorliep tot in de spier. De verwondingen zijn gehecht. [verbalisant 1] kreeg het advies vier weken geen sport of fysiek werk te verrichten, maar mocht het been wel belasten.
Opzet
Op basis van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met [verbalisant 2] en [verbalisant 1] in een worsteling is geraakt, waarbij zij hem naar de grond probeerde te krijgen en verdachte met een mes in zijn rechterhand ongecontroleerde bewegingen heeft gemaakt. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [verbalisant 2] en [verbalisant 1] in die worsteling gewond zouden raken. Hetgeen ook is gebeurd.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat bij verdachte vanwege zijn psychose geen sprake was van opzet. Het is vaste jurisprudentie dat ook wanneer de keuzevrijheid van verdachte ten tijde van het feit zodanig was aangetast dat het bewezenverklaarde hem niet kan worden toegerekend, dit de aanwezigheid van opzet niet uitsluit (vgl. Hoge Raad 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4959 en Hoge Raad 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1249). Dergelijke verweren kunnen slechts slagen als bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zouden hebben ontbroken. Dat in is het onderhavige geval niet gebleken.
Kwalificatie letsel [verbalisant 1] en [verbalisant 2]
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van alle varianten van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten het bestanddeel voorbedachte raad niet kan worden bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
[verbalisant 1]
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [verbalisant 1] zoals primair ten laste is gelegd. Immers blijkt uit het forensisch medisch onderzoek door de forensisch arts van 1 juli 2025 dat de kans op overlijden bij een steekwond aan het onderbeen doorgaans lager is dan 3%. Nu deze kans op het intreden van de dood niet aanmerkelijk is, is om die reden al niet voldaan aan de criteria voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op dit gevolg.
Ook de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling acht de rechtbank niet bewezen en zij spreekt verdachte daarom daarvan vrij. Het handelen van verdachte heeft weliswaar twee steekverwondingen in het been van [verbalisant 1] veroorzaakt, maar de beperkte noodzaak van medisch ingrijpen (alleen hechtingen) en de korte tijd tot volledig herstel (vier weken geen sport en fysiek werk, maar wel belastbaar) maken dat dit letsel naar het oordeel van de rechtbank niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.
De rechtbank acht wel bewezen dat met het handelen van verdachte sprake is van een begin van uitvoering tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] zoals meer subsidiair ten laste is gelegd. Zijn handelen had veel ernstigere verwondingen kunnen veroorzaken.
[verbalisant 2]
Ten aanzien van [verbalisant 2] acht de rechtbank bewezen dat sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zoals primair ten laste is gelegd. Verdachte heeft met een mes in zijn hand ongecontroleerde bewegingen gemaakt gedurende een worsteling met meerdere personen. Door zo te handelen heeft hij bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat bij deze anderen ernstig letsel zou kunnen ontstaan.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
op 18 maart 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die voornoemde [verbalisant 1] meermaals met een mes, in de kuit en/of het onderbeen heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op 18 maart 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, in de arm van die voornoemde [verbalisant 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3op 18 maart 2025 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, genaamd [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 4] en [verbalisant 5] en [verbalisant 3] , werkzaam bij de politie eenheid Amsterdam en werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hunner bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zijn, verdachte’s, lichaam en armen en benen wild heen en weer te bewegen en zich af te zetten tegen de politie en met een mes, meerdere van voornoemde personen te steken en/of te snijden, terwijl dit misdrijf en daarmede gepaard gaande feitelijkheden- enig lichamelijk letsel, te weten steekwonden of snijwonden in de kuit en het been bij die voornoemde [verbalisant 1] en- enig lichamelijk letsel, te weten een steekwond in de arm van die voornoemde [verbalisant 2] en
- een schram op de hand van die voornoemde [verbalisant 3] ,ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, gelet op de inhoud van rapportages van de gedragsdeskundigen, op het standpunt gesteld dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich onder verwijzing naar dezelfde rapportages ook op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van mw. [psychiater] , psychiater, van 27 februari 2026 en van het rapport van dhr. drs. [psycholoog] , GZ-psycholoog, van 2 maart 2026 betreffende verdachte.
De deskundigen achten het aannemelijk dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een psychotische episode, waarbij hij psychotisch ontregeld en gedesorganiseerd was en zich in zijn paranoïde-psychotische beleving ernstig bedreigd voelde. Door de ernstige oordeels- en kritiekstoornissen is het voorstelbaar dat hij de acties van de politie als zeer bedreigend heeft ervaren en zich daarom zeer vijandig opstelde. De aanwezige psychotische stoornis heeft zijn gedragskeuzemogelijkheden volledig beperkt. Hij was niet in staat om tot andere overwegingen te komen. Daarom adviseren de deskundigen om het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank heeft geen reden om aan de conclusies van de gedragsdeskundigen te twijfelen en neemt het advies over. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend vanwege de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Verdachte is dus niet strafbaar en dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
8Motivering van de maatregel
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met dwangverpleging wordt opgelegd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte nooit eerder vormen van verplichte zorg heeft ontvangen in het kader van een zorgmachtiging of in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke tbs-maatregel en heeft verzocht van een van die mogelijkheden gebruik te maken als alternatief voor de tbs-maatregel met dwangverpleging.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich tijdens een psychotische episode hevig verzet tegen meerdere politieagenten die hem onder controle probeerden te brengen teneinde hem de nodige hulp te verlenen. Daarbij heeft hij twee agenten met een mes in een been en arm gestoken, waaraan zij verwondingen hebben overgehouden. Met zijn handelen heeft verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoelens om veilig hun werk te kunnen doen. Zo blijkt ook uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] .
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaar meermalen eerder is veroordeeld voor (verbaal) geweld tegen beroepsbeoefenaars.
Rapportages
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de eerdergenoemde Pro Justitia rapportages van 27 februari 2026 en 2 maart 2026 van de psychiater en de psycholoog, alsmede het reclasseringsadvies van 30 maart 2026 betreffende verdachte.
De psychiater en de psycholoog hebben ter terechtzitting hun adviezen bevestigd en deze daar waar nodig, ter beantwoording van vragen van de verdediging, toegelicht.
De deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, cognitieve functiestoornissen, een ernstige stoornis in middelengebruik en een andere gespecificeerde schizofreniespectrum stoornis of andere psychotische stoornis. Het zijn de bij verdachte bestaande verstandelijke en cognitieve beperkingen en een als gevolg daarvan beperkte psychische belastbaarheid, die hem kwetsbaar maken voor psychotische ontregeling. Deze kwetsbaarheid zorgt ervoor dat hij in geval van stress en met name ook wanneer hij middelen gebruikt psychotisch kan decompenseren en dan gedesorganiseerd en agressief gedrag kan laten zien, zoals ook het geval lijkt te zijn geweest ten tijde van het bewezenverklaarde. De kans op herhaling van agressief of anderszins grensoverschrijdend delictgedrag wordt ingeschat als hoog. Er is sprake van ernstige problematiek die grotendeels onveranderbaar is. Daarnaast is er bij verdachte geen probleembesef en onderkent hij de noodzaak van medicatie niet. Gezien de stoornissen is voorstelbaar dat zijn brein steeds verder beschadigd raakt en daarmee de impulscontrole verder onder druk komt te staan en agressieregulatieproblemen optreden, zeker als er sprake is van paranoïdie en/of middelengebruik.
Ten einde het recidiverisico zoveel mogelijk te beperken, is het volgens de deskundigen van belang dat verdachte psychiatrische behandeling wordt geboden waarbinnen primair aandacht wordt besteed aan een optimale instelling van anti-psychotische medicatie, een blijvend behoud van abstinentie van middelen en een algehele stabilisering. Daarnaast zou het goed zijn dat binnen de behandeling, rekening houdend met de intellectuele en cognitieve beperkingen van verdachte, ingezet wordt op psycho-educatie, het aanleren van coping-vaardigheden en het leren beheersen van grensoverschrijdende/agressieve impulsen. De problematiek van verdachte is naar het oordeel van de deskundigen te complex voor behandeling binnen de reguliere GGZ. Ook een zorgmachtiging wordt niet toereikend bevonden om het hoge recidiverisico te verlagen. Gelet op de aard en ernst van de problematiek en het verloop van de tot nu toe ingezette interventies is het advies dat verdachte in eerste instantie klinisch wordt behandeld en dat behandeling plaatsvindt in een forensisch-psychiatrische verslavingskliniek met een voldoende stevige structuur en expertise op het gebied van licht verstandelijke beperking en niet-aangeboren hersenletsel. Op termijn zou kunnen worden toegewerkt naar een geschikte vorm van begeleid wonen en zou de behandeling verder ambulant kunnen worden voortgezet. De inschatting is dat verdachte altijd intensieve zorg nodig zal blijven hebben.
Wegens het beperkte zelfreflecterend vermogen en het gebrek aan ziektebesef van verdachte is hij niet intrinsiek gemotiveerd voor een behandeling. De geadviseerde behandeling is daarom slechts haalbaar wanneer deze plaatsvindt binnen een gedwongen en stevig kader. Gezien verdachte’s beperkingen, zijn beperkte intelligentie, zelfreflectie, coping en impulscontrole, alsmede zijn gebrek aan intrinsieke motivatie, wordt een voorwaardelijk kader, zowel een voorwaardelijke straf als een tbs-maatregel met voorwaarden, niet haalbaar geacht. Voor het slagen van een kader met bijzondere voorwaarden dient verdachte in ieder geval in staat te zijn de voorwaarden te begrijpen, de noodzaak daarvan te onderkennen en in staat te zijn zich hieraan te houden. Ingeschat wordt dat dit bij verdachte niet mogelijk is vanwege zijn problematiek. Uit de collaterale informatie blijkt overigens dat hij nooit goed in zorg te krijgen was, erg eigenzinnig en autonomiebehoeftig was waardoor inzet van hulpverlening onmogelijk werd.
Alles overwegend adviseren de psycholoog en psychiater aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.
De reclassering sluit zich aan bij dit advies en ziet geen aanknopingspunten die doen vermoeden dat verdachte zich kan houden aan voorwaarden binnen welk voorwaardelijk kader dan ook. Hij lijkt zich tevens niet bewust te zijn van de consequenties zouden zijn van het niet nakomen daarvan. Daarnaast ziet de reclassering geen mogelijkheden om toezicht op verdachte te houden, nu deze een hoge mate van beveiliging, structuur en behandeling behoeft.
De op te leggen maatregel
Op grond van de inhoud van eerdergenoemde rapportages is de rechtbank van oordeel dat sprake is van gevaar voor herhaling van soortgelijke feiten. Het verkleinen van het recidiverisico door behandeling van de problematiek van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank alleen mogelijk binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte een langdurige, forensische intensieve behandeling krijgt. Minder vergaande alternatieven, zoals een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, tbs-maatregel met voorwaarden en/of een zorgmachtiging, vindt de rechtbank niet toereikend.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Verdachte is onderzocht door een psychiater en een psycholoog die hebben vastgesteld dat tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een psychose. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling en wederspannigheid met letsel ten gevolge hebbend, waarvoor gelet op artikel 37a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd. De algemene veiligheid van personen maakt ook dat verdachte ter beschikking moet worden gesteld. Verdachte wordt veroordeeld voor geweldsdelicten en de inschatting van de deskundigen is dat het risico op herhaling (zonder behandeling) hoog is.
De rechtbank zal daarom overgaan tot de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
9Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1 STK Mes (Goednummer 6632380; aardappelschilmesje rood)
1 STK Mes (Goednummer 6632381; onbekend)
De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van het mes met goednummer 6632380 het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
Van het item met goednummer 6632381 is onbekend gebleven wat voor voorwerp het is en aangezien het voorwerp tijdens het onderzoek in ongerede is geraakt, kan dat ook niet meer worden vastgesteld. Er zijn dan ook geen gronden voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Daarom zal van dit voorwerp de teruggave aan verdachte worden gelast.
10Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
10.1.
Benadeelde partij [verbalisant 1]
De benadeelde partij [verbalisant 1] vordert € 2.606,50 aan vergoeding van materiële schade en € 7.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde toekomstige medische kosten voor een bedrag van € 2.000,-. Het toegewezen bedrag van € 8.106,50 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (18 maart 2025).
Voor het overige deel wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [verbalisant 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.106,50. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast. Gelet op de vastgestelde volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte stelt de rechtbank de toe te passen gijzeling vast op 0 (nul) dagen.
10.2.
Benadeelde partij [verbalisant 2]
De benadeelde partij [verbalisant 2] vordert € 116,- aan vergoeding van materiële schade en € 3.125,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. Het toegewezen bedrag van € 3.241,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (18 maart 2025).
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [verbalisant 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.241,-. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast. Gelet op de vastgestelde volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte stelt de rechtbank de toe te passen gijzeling vast op 0 (nul) dagen.
11Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 38e, 39, 45, 57, 181 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
12Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 primair en het onder 1 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, het onder 2 primair en het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en feit 2 primair:
telkens: poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van feit 3:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf en de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
Bepaalt dat de totale duur van de maatregel tbs met dwangverpleging niet gemaximeerd is.
Verklaart verbeurd:
1 STK Mes (goednummer 6632380; aardappelschilmesje rood)
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
1 STK Mes (goednummer 6632381; onbekend)
Beslissing op vordering benadeelde partij [verbalisant 1] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1] toe tot een bedrag van € 606,50 (zeshonderdzes euro en vijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 1] aan de Staat € 8.106,50 (eenentachtighonderdzes euro en vijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op vordering benadeelde partij [verbalisant 2] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2] toe tot een bedrag van € 116,- (honderdzestien euro) aan vergoeding van materiële schade en € 3.125,- (eenendertighonderdvijfentwintig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 2] aan de Staat € 3.241,- (tweeëndertighonderdeenenveertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. I. Timmermans en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en D.F.A. Reuvekamp, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025064480-24 van 18 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 015.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025064480-9 van 18 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 3] doorgenummerde pagina 025.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 016.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 016.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025064480-37 van 18 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 080.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 016.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 017.
Een proces-verbaal van bevindingen, p. 081.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 025.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 025.
Een geschrift, inhoudende een letselrapportage van [verbalisant 2] van 19 maart 2025, opgemaakt door [forensisch arts 1] , forensisch arts.
Een geschrift, inhoudende een letselrapportage van [verbalisant 1] van 21 maart 2025, opgemaakt door drs. [forensisch arts 2] , forensisch arts.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/085137-25
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1969,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd te: [detentieplaats]
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 18 maart 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
poging tot moord, althans doodslag, op [verbalisant 1] door met een mes in zijn onderbeen te steken/snijden. Deze gedraging is subsidiair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade;
poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade van [verbalisant 2] door met een mes in zijn richting te zwaaien en/of met dat mes in zijn arm te steken/snijden. Deze gedraging is subsidiair ten laste gelegd als mishandeling;
wederspannigheid met letsel ten gevolge voor verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [verbalisant 1] , de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [verbalisant 2] en de onder 3 ten laste gelegde wederspannigheid met letsel ten gevolge hebbend ten aanzien van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kunnen worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, omdat vanwege de aanwezigheid van een psychose ten tijde van de feiten het opzet in zijn handelen ontbrak. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde niet kan worden gekwalificeerd als poging tot moord dan wel doodslag.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 18 maart 2025 kregen de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de opdracht om naar [adres] te gaan waar een bewoner, vermoedelijk verdachte, spullen uit een raam zou gooien die op geparkeerde auto’s terecht kwamen. Ter plaatse zagen zij en een aantal andere collega’s van buiten af dat de bewoner binnen ernstig verward gedrag vertoonde. Zij konden van buiten af geen contact met de bewoner krijgen. Gezien het verwarde gedrag van de bewoner en, aangenomen dat het verdachte was, diens agressieve verleden, werd besloten om binnen te treden en de bewoner met een lexaanschild te benaderen en contact met hem te leggen. Achter van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zou een collega aanlopen met een stroomstootwapen uit voorzorg voor het geval het nodig mocht blijken dit in te zetten. Het doel van het plan van aanpak was om de bewoner over te dragen aan de psychiatrische zorg. Nadat de agenten de voordeur hadden geforceerd, die kennelijk gebarricadeerd was geweest, troffen zij verdachte in de woonkamer aan. [verbalisant 2] liep voorop met het lexaanschild. [verbalisant 1] liep achter hem, gevolgd door verbalisant [verbalisant 3] met het stroomstootwapen. Verdachte stond achter een bankstel. [verbalisant 2] riep naar verdachte dat hij zijn handen moest laten zien. Verdachte bewoog onrustig heen en weer en keek boos. [verbalisant 2] zag dat verdachte zijn rechterhand uit het zicht hield door deze terug te trekken in de mouw van zijn trui/jas. [verbalisant 2] heeft verdachte meermalen aangeroepen dat hij zijn handen moest laten zien en zich moest overgeven. Verdachte gaf hieraan geen gehoor. Hierop zette [verbalisant 3] zijn stroomstootwapen in. Verdachte reageerde hier niet op. [verbalisant 3] zag dat verdachte een roodkleurig aardappelschilmesje in zijn rechterhand hield en riep meerdere keren naar verdachte dat hij het mes los moest laten. Verdachte weigerde dit.
Toen besloot [verbalisant 2] met het lexaanschild naar verdachte te lopen. [verbalisant 1] liep direct achter hem. [verbalisant 2] drukte het lexaanschild met kracht tegen het lichaam van verdachte met als doel hem naar de grond te bewegen. Dat lukte niet direct en er ontstond een worsteling, waarbij verdachte druk heen en weer bewoog. Na enkele seconden lukte het verdachte naar de grond te brengen. [verbalisant 2] voelde aan zijn rechteronderarm dat hij ergens mee geraakt was. Hij voelde pijn.
Verdachte lag op zijn rug op de grond. [verbalisant 2] zat gehurkt bij de linkerarm van verdachte en drukte het lexaanschild op zijn bovenlichaam.
[verbalisant 1] zag dat verdachte in zijn (rechter)hand een steekvoorwerp had en is met zijn rechtervoet op de hand van verdachte gaan staan om deze te fixeren. [verbalisant 2] voelde dat verdachte druk gaf tegen het schild en zag dat verdachte beweeglijk was. Aan de rechterzijde van het hoofd van verdachte ontstond een plas bloed op de grond. [verbalisant 2] zag dat de broek van [verbalisant 1] doordrenkt was met bloed. [verbalisant 2] zag dat uit de rechtermouw van de trui/jas van verdachte een lemmet van een mes van vijf a zes centimeter stak. [verbalisant 1] deed zijn beenkap af en zag dat in zijn rechterbeen een vleeswond zat. Ook zag hij op de achterzijde van zijn been een vleeswond waaruit pulserend bloed stroomde.
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] werden bij het onder controle brengen van verdachte ondersteund door andere politiecollega’s. Ook na de geconstateerde verwonding van [verbalisant 1] , ging het verzet van verdachte onverminderd door. Uiteindelijk lukte het verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] (AD.1402) verdachte te boeien en het mes uit zijn rechterhand te halen. Verbalisant [verbalisant 5] zag dat verdachte nog steeds in verzet bleef gaan met zijn benen, waarop hij besloot bij verdachte een beenklem aan te leggen. Hierop staakte verdachte zijn verzet. Verbalisant [verbalisant 3] zag een schram op zijn linkerhand.
[verbalisant 2] had een scherprandige verwonding aan zijn rechteronderarm. Deze verwonding is gehecht. De mate van littekenvorming is afhankelijk van de individuele genezingstendens.
Bij [verbalisant 1] zijn twee verwondingen geconstateerd: een zeven centimeter lange wond aan de buitenzijde van het onderbeen zonder actieve bloeding en een vijftien centimeter lange actief bloedende wond aan de achterzijde van het onderbeen die doorliep tot in de spier. De verwondingen zijn gehecht. [verbalisant 1] kreeg het advies vier weken geen sport of fysiek werk te verrichten, maar mocht het been wel belasten.
Opzet
Op basis van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met [verbalisant 2] en [verbalisant 1] in een worsteling is geraakt, waarbij zij hem naar de grond probeerde te krijgen en verdachte met een mes in zijn rechterhand ongecontroleerde bewegingen heeft gemaakt. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [verbalisant 2] en [verbalisant 1] in die worsteling gewond zouden raken. Hetgeen ook is gebeurd.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat bij verdachte vanwege zijn psychose geen sprake was van opzet. Het is vaste jurisprudentie dat ook wanneer de keuzevrijheid van verdachte ten tijde van het feit zodanig was aangetast dat het bewezenverklaarde hem niet kan worden toegerekend, dit de aanwezigheid van opzet niet uitsluit (vgl. Hoge Raad 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4959 en Hoge Raad 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1249). Dergelijke verweren kunnen slechts slagen als bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zouden hebben ontbroken. Dat in is het onderhavige geval niet gebleken.
Kwalificatie letsel [verbalisant 1] en [verbalisant 2]
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van alle varianten van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten het bestanddeel voorbedachte raad niet kan worden bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
[verbalisant 1]
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [verbalisant 1] zoals primair ten laste is gelegd. Immers blijkt uit het forensisch medisch onderzoek door de forensisch arts van 1 juli 2025 dat de kans op overlijden bij een steekwond aan het onderbeen doorgaans lager is dan 3%. Nu deze kans op het intreden van de dood niet aanmerkelijk is, is om die reden al niet voldaan aan de criteria voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op dit gevolg.
Ook de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling acht de rechtbank niet bewezen en zij spreekt verdachte daarom daarvan vrij. Het handelen van verdachte heeft weliswaar twee steekverwondingen in het been van [verbalisant 1] veroorzaakt, maar de beperkte noodzaak van medisch ingrijpen (alleen hechtingen) en de korte tijd tot volledig herstel (vier weken geen sport en fysiek werk, maar wel belastbaar) maken dat dit letsel naar het oordeel van de rechtbank niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.
De rechtbank acht wel bewezen dat met het handelen van verdachte sprake is van een begin van uitvoering tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] zoals meer subsidiair ten laste is gelegd. Zijn handelen had veel ernstigere verwondingen kunnen veroorzaken.
[verbalisant 2]
Ten aanzien van [verbalisant 2] acht de rechtbank bewezen dat sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zoals primair ten laste is gelegd. Verdachte heeft met een mes in zijn hand ongecontroleerde bewegingen gemaakt gedurende een worsteling met meerdere personen. Door zo te handelen heeft hij bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat bij deze anderen ernstig letsel zou kunnen ontstaan.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
op 18 maart 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die voornoemde [verbalisant 1] meermaals met een mes, in de kuit en/of het onderbeen heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op 18 maart 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, in de arm van die voornoemde [verbalisant 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3op 18 maart 2025 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, genaamd [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 4] en [verbalisant 5] en [verbalisant 3] , werkzaam bij de politie eenheid Amsterdam en werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hunner bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zijn, verdachte’s, lichaam en armen en benen wild heen en weer te bewegen en zich af te zetten tegen de politie en met een mes, meerdere van voornoemde personen te steken en/of te snijden, terwijl dit misdrijf en daarmede gepaard gaande feitelijkheden- enig lichamelijk letsel, te weten steekwonden of snijwonden in de kuit en het been bij die voornoemde [verbalisant 1] en- enig lichamelijk letsel, te weten een steekwond in de arm van die voornoemde [verbalisant 2] en
- een schram op de hand van die voornoemde [verbalisant 3] ,ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, gelet op de inhoud van rapportages van de gedragsdeskundigen, op het standpunt gesteld dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich onder verwijzing naar dezelfde rapportages ook op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van mw. [psychiater] , psychiater, van 27 februari 2026 en van het rapport van dhr. drs. [psycholoog] , GZ-psycholoog, van 2 maart 2026 betreffende verdachte.
De deskundigen achten het aannemelijk dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een psychotische episode, waarbij hij psychotisch ontregeld en gedesorganiseerd was en zich in zijn paranoïde-psychotische beleving ernstig bedreigd voelde. Door de ernstige oordeels- en kritiekstoornissen is het voorstelbaar dat hij de acties van de politie als zeer bedreigend heeft ervaren en zich daarom zeer vijandig opstelde. De aanwezige psychotische stoornis heeft zijn gedragskeuzemogelijkheden volledig beperkt. Hij was niet in staat om tot andere overwegingen te komen. Daarom adviseren de deskundigen om het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank heeft geen reden om aan de conclusies van de gedragsdeskundigen te twijfelen en neemt het advies over. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend vanwege de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Verdachte is dus niet strafbaar en dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
8Motivering van de maatregel
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met dwangverpleging wordt opgelegd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte nooit eerder vormen van verplichte zorg heeft ontvangen in het kader van een zorgmachtiging of in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke tbs-maatregel en heeft verzocht van een van die mogelijkheden gebruik te maken als alternatief voor de tbs-maatregel met dwangverpleging.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich tijdens een psychotische episode hevig verzet tegen meerdere politieagenten die hem onder controle probeerden te brengen teneinde hem de nodige hulp te verlenen. Daarbij heeft hij twee agenten met een mes in een been en arm gestoken, waaraan zij verwondingen hebben overgehouden. Met zijn handelen heeft verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoelens om veilig hun werk te kunnen doen. Zo blijkt ook uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] .
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaar meermalen eerder is veroordeeld voor (verbaal) geweld tegen beroepsbeoefenaars.
Rapportages
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de eerdergenoemde Pro Justitia rapportages van 27 februari 2026 en 2 maart 2026 van de psychiater en de psycholoog, alsmede het reclasseringsadvies van 30 maart 2026 betreffende verdachte.
De psychiater en de psycholoog hebben ter terechtzitting hun adviezen bevestigd en deze daar waar nodig, ter beantwoording van vragen van de verdediging, toegelicht.
De deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, cognitieve functiestoornissen, een ernstige stoornis in middelengebruik en een andere gespecificeerde schizofreniespectrum stoornis of andere psychotische stoornis. Het zijn de bij verdachte bestaande verstandelijke en cognitieve beperkingen en een als gevolg daarvan beperkte psychische belastbaarheid, die hem kwetsbaar maken voor psychotische ontregeling. Deze kwetsbaarheid zorgt ervoor dat hij in geval van stress en met name ook wanneer hij middelen gebruikt psychotisch kan decompenseren en dan gedesorganiseerd en agressief gedrag kan laten zien, zoals ook het geval lijkt te zijn geweest ten tijde van het bewezenverklaarde. De kans op herhaling van agressief of anderszins grensoverschrijdend delictgedrag wordt ingeschat als hoog. Er is sprake van ernstige problematiek die grotendeels onveranderbaar is. Daarnaast is er bij verdachte geen probleembesef en onderkent hij de noodzaak van medicatie niet. Gezien de stoornissen is voorstelbaar dat zijn brein steeds verder beschadigd raakt en daarmee de impulscontrole verder onder druk komt te staan en agressieregulatieproblemen optreden, zeker als er sprake is van paranoïdie en/of middelengebruik.
Ten einde het recidiverisico zoveel mogelijk te beperken, is het volgens de deskundigen van belang dat verdachte psychiatrische behandeling wordt geboden waarbinnen primair aandacht wordt besteed aan een optimale instelling van anti-psychotische medicatie, een blijvend behoud van abstinentie van middelen en een algehele stabilisering. Daarnaast zou het goed zijn dat binnen de behandeling, rekening houdend met de intellectuele en cognitieve beperkingen van verdachte, ingezet wordt op psycho-educatie, het aanleren van coping-vaardigheden en het leren beheersen van grensoverschrijdende/agressieve impulsen. De problematiek van verdachte is naar het oordeel van de deskundigen te complex voor behandeling binnen de reguliere GGZ. Ook een zorgmachtiging wordt niet toereikend bevonden om het hoge recidiverisico te verlagen. Gelet op de aard en ernst van de problematiek en het verloop van de tot nu toe ingezette interventies is het advies dat verdachte in eerste instantie klinisch wordt behandeld en dat behandeling plaatsvindt in een forensisch-psychiatrische verslavingskliniek met een voldoende stevige structuur en expertise op het gebied van licht verstandelijke beperking en niet-aangeboren hersenletsel. Op termijn zou kunnen worden toegewerkt naar een geschikte vorm van begeleid wonen en zou de behandeling verder ambulant kunnen worden voortgezet. De inschatting is dat verdachte altijd intensieve zorg nodig zal blijven hebben.
Wegens het beperkte zelfreflecterend vermogen en het gebrek aan ziektebesef van verdachte is hij niet intrinsiek gemotiveerd voor een behandeling. De geadviseerde behandeling is daarom slechts haalbaar wanneer deze plaatsvindt binnen een gedwongen en stevig kader. Gezien verdachte’s beperkingen, zijn beperkte intelligentie, zelfreflectie, coping en impulscontrole, alsmede zijn gebrek aan intrinsieke motivatie, wordt een voorwaardelijk kader, zowel een voorwaardelijke straf als een tbs-maatregel met voorwaarden, niet haalbaar geacht. Voor het slagen van een kader met bijzondere voorwaarden dient verdachte in ieder geval in staat te zijn de voorwaarden te begrijpen, de noodzaak daarvan te onderkennen en in staat te zijn zich hieraan te houden. Ingeschat wordt dat dit bij verdachte niet mogelijk is vanwege zijn problematiek. Uit de collaterale informatie blijkt overigens dat hij nooit goed in zorg te krijgen was, erg eigenzinnig en autonomiebehoeftig was waardoor inzet van hulpverlening onmogelijk werd.
Alles overwegend adviseren de psycholoog en psychiater aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.
De reclassering sluit zich aan bij dit advies en ziet geen aanknopingspunten die doen vermoeden dat verdachte zich kan houden aan voorwaarden binnen welk voorwaardelijk kader dan ook. Hij lijkt zich tevens niet bewust te zijn van de consequenties zouden zijn van het niet nakomen daarvan. Daarnaast ziet de reclassering geen mogelijkheden om toezicht op verdachte te houden, nu deze een hoge mate van beveiliging, structuur en behandeling behoeft.
De op te leggen maatregel
Op grond van de inhoud van eerdergenoemde rapportages is de rechtbank van oordeel dat sprake is van gevaar voor herhaling van soortgelijke feiten. Het verkleinen van het recidiverisico door behandeling van de problematiek van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank alleen mogelijk binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte een langdurige, forensische intensieve behandeling krijgt. Minder vergaande alternatieven, zoals een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, tbs-maatregel met voorwaarden en/of een zorgmachtiging, vindt de rechtbank niet toereikend.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Verdachte is onderzocht door een psychiater en een psycholoog die hebben vastgesteld dat tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een psychose. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling en wederspannigheid met letsel ten gevolge hebbend, waarvoor gelet op artikel 37a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd. De algemene veiligheid van personen maakt ook dat verdachte ter beschikking moet worden gesteld. Verdachte wordt veroordeeld voor geweldsdelicten en de inschatting van de deskundigen is dat het risico op herhaling (zonder behandeling) hoog is.
De rechtbank zal daarom overgaan tot de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
9Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1 STK Mes (Goednummer 6632380; aardappelschilmesje rood)
1 STK Mes (Goednummer 6632381; onbekend)
De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van het mes met goednummer 6632380 het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
Van het item met goednummer 6632381 is onbekend gebleven wat voor voorwerp het is en aangezien het voorwerp tijdens het onderzoek in ongerede is geraakt, kan dat ook niet meer worden vastgesteld. Er zijn dan ook geen gronden voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Daarom zal van dit voorwerp de teruggave aan verdachte worden gelast.
10Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
10.1.
Benadeelde partij [verbalisant 1]
De benadeelde partij [verbalisant 1] vordert € 2.606,50 aan vergoeding van materiële schade en € 7.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde toekomstige medische kosten voor een bedrag van € 2.000,-. Het toegewezen bedrag van € 8.106,50 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (18 maart 2025).
Voor het overige deel wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [verbalisant 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.106,50. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast. Gelet op de vastgestelde volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte stelt de rechtbank de toe te passen gijzeling vast op 0 (nul) dagen.
10.2.
Benadeelde partij [verbalisant 2]
De benadeelde partij [verbalisant 2] vordert € 116,- aan vergoeding van materiële schade en € 3.125,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. Het toegewezen bedrag van € 3.241,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (18 maart 2025).
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [verbalisant 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.241,-. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast. Gelet op de vastgestelde volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte stelt de rechtbank de toe te passen gijzeling vast op 0 (nul) dagen.
11Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 38e, 39, 45, 57, 181 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
12Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 primair en het onder 1 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, het onder 2 primair en het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en feit 2 primair:
telkens: poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van feit 3:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf en de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
Bepaalt dat de totale duur van de maatregel tbs met dwangverpleging niet gemaximeerd is.
Verklaart verbeurd:
1 STK Mes (goednummer 6632380; aardappelschilmesje rood)
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
1 STK Mes (goednummer 6632381; onbekend)
Beslissing op vordering benadeelde partij [verbalisant 1] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1] toe tot een bedrag van € 606,50 (zeshonderdzes euro en vijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 1] aan de Staat € 8.106,50 (eenentachtighonderdzes euro en vijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op vordering benadeelde partij [verbalisant 2] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2] toe tot een bedrag van € 116,- (honderdzestien euro) aan vergoeding van materiële schade en € 3.125,- (eenendertighonderdvijfentwintig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 2] aan de Staat € 3.241,- (tweeëndertighonderdeenenveertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. I. Timmermans en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en D.F.A. Reuvekamp, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025064480-24 van 18 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina 015.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025064480-9 van 18 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 3] doorgenummerde pagina 025.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 016.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 016.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025064480-37 van 18 maart 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 080.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 016.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 017.
Een proces-verbaal van bevindingen, p. 081.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 025.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 025.
Een geschrift, inhoudende een letselrapportage van [verbalisant 2] van 19 maart 2025, opgemaakt door [forensisch arts 1] , forensisch arts.
Een geschrift, inhoudende een letselrapportage van [verbalisant 1] van 21 maart 2025, opgemaakt door drs. [forensisch arts 2] , forensisch arts.