Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8325

2026-08-17 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht AMS 25/2994
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 25/2994
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Uitkering Wet schadefond geweldsmisdrijven. Verweerder mocht de aanvraag hiervoor afwijzen. Beroep ongegrond. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanleiding, toedracht, en omstandigheden van de ontploffing en de stalking onvoldoende duidelijk zijn geworden.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.155 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



Zaaknummer: AMS 25/2994


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. T.R.S. Franssen),


en


de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.B. Langerak).

Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wsg mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2.1.
Eiseres heeft op 18 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wsg. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres stelt dat aan de voorwaarden voor een uitkering uit het Schadefonds is voldaan. Eiseres is namelijk meermaals slachtoffer geworden van hetgeen [de persoon] haar aandoet. Eiseres is onder andere slachtoffer geworden van een ontploffing bij haar woning. Ondanks het feit dat eiseres hierbij niet aanwezig was, was deze ontploffing wel een bedreiging voor haar. Eiseres heeft meermaals aangifte gedaan bij de politie. Niet alleen maken de aangiftes duidelijk dat het gaat om een ontploffing, maar ook om belaging. Eiseres wordt continu door anderen belaagd, met name online via een chatgroep. Dat is de kern van het langlopend conflict tussen eiseres en [de persoon]. Eiseres voert aan dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van een geweldsmisdrijf. Om dit te onderbouwen heeft zij video’s overgelegd waarin de belaging wordt verduidelijkt. Eiseres is van mening dat er door de politie niets met haar aangiftes en meldingen gedaan werd. Doordat er niet ingegrepen werd, is de situatie volgens eiseres geëscaleerd.

4. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kunnen uit het Schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. Bij de beoordeling van een aanvraag om een uitkering hanteert verweerder het beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (de Beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk worden gemaakt. De beoordeling van de aannemelijkheid bestaat uit de volgende elementen. In de eerste plaats dient er sprake te zijn van een feitelijke geweldshandeling. Daarnaast moet ook de toedracht van de feitelijke geweldshandeling, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder de feitelijke geweldshandeling heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van een slachtoffer is, als dat het enige is, onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Het kan dus zo zijn dat verweerder aanvullende informatie nodig heeft. Dat is ook het geval als er aangifte is gedaan, maar de aangifte geen strafrechtelijk gevolg heeft gekregen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf. Als ook uit deze aanvullende informatie onvoldoende beeld kan worden gevormd van de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond, dan is de aanvraag niet voldoende onderbouwd en zal de aanvraag worden afgewezen.

5. De rechtbank stelt voorop dat de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wsg, terughoudend moet worden getoetst omdat een beslissing over een uitkering uit het Schadefonds berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerder.

6. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen, is het aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiseres heeft om de aannemelijkheid van de misdrijven aan te tonen allereerst haar aangiftes overgelegd. Uit deze aangiftes bij de politie blijkt dat eiseres veelvuldig melding heeft gemaakt van belediging, uitschelden, smaad/laster en bedreigingen. Deze gebeurtenissen vinden online plaats via chatgroepen. Eiseres heeft in de aangiftes verklaard dat er online onwaarheden over haar worden verspreid, dat zij wordt bedreigd en dat er foto’s van haar en haar kinderen zijn verspreid. De escalatie van de online ruzie is waarschijnlijk ook de reden van de ontploffing bij haar woning. Daarnaast heeft eiseres video’s overgelegd waarin zij de activiteit in de chatgroepen filmt. Dit zijn momentopnames en korte fragmenten van chatgespreken. Hieruit blijkt wel dat er verwensingen richting eiseres worden geuit maar onduidelijk is wat daaraan vooraf is gegaan of wat de aanleiding daarvoor was. Verder constateert de rechtbank dat uit de aangiftes blijkt dat de politie eiseres meerdere keren dringend heeft geadviseerd om de betreffende chatgroepen te vermijden. Ondanks dit advies bleef eiseres echter gebruik maken van de chatgroepen. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij zich genoodzaakt voelde om te reageren in de chatgroepen. Zij vindt dat zij zichzelf en haar kinderen moest beschermen en moet kunnen verdedigen.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanleiding, toedracht en omstandigheden van de ontploffing en de stalking onvoldoende duidelijk zijn geworden. Eiseres heeft vele keren melding van gebeurtenissen gemaakt en toont fragmenten van chats, maar niet duidelijk is wat haar eigen rol hierin is en wat de aanleiding van de bedreigingen en de conflicten is geweest. Ook uit het onderzoek van de politie komt niet naar voren wat de precieze aanleiding van het conflict en de omstandigheden rondom de stalking en de ontploffing bij de woning zijn geweest. Wel is duidelijk dat eiseres de gebeurtenissen in stand heeft gehouden door, ondanks het dringende advies van de politie, toch gebruik te blijven maken van de chatgroepen. Er zijn dus onvoldoende objectieve aanwijzingen waaruit een beeld kan worden gevormd over de toedracht van de geweldsmisdrijven, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsvonden. Hierdoor heeft verweerder de aanvraag voor een uitkering op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg naar het oordeel van de rechtbank dan ook mogen afwijzen. Deze afwijzing betekent nadrukkelijk niet dat verweerder en de rechtbank eiseres niet geloven of dat de gebeurtenissen niet hebben plaatsgevonden. De aanvraag mocht worden afgewezen omdat de opgave van eiseres onvoldoende is onderbouwd met objectieve aanwijzingen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

8. Tot slot heeft eiseres op de zitting aangevoerd dat er inmiddels in een artikel 12 Sv-procedure uitspraak is gedaan en het OM is bevolen om strafvervolging in te stellen naar een van de betrokkenen bij het conflict. Voor zover daadwerkelijk strafvervolging wordt ingesteld en hieruit nieuwe informatie naar voren komt, heeft verweerder aangegeven dat dit de omstandigheden zou kunnen veranderen en dat eiseres daarmee een nieuwe aanvraag zou kunnen indienen die dan opnieuw zal worden beoordeeld.



Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraken van de Afdeling van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2322 en 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1385.